< Terug

De rol van godsbeelden in relatie tot incestervaringen

Zomaar een paar citaten uit 57 verhalen van vrouwen die christelijk werden opgevoed en tegelijk seksueel misbruikt werden door een gezinsof familielid.

‘Ik was een diepgelovig kind, maar het misbruik heeft me afgesneden van mijn geloofsleven, mij alle vertrouwen in het leven en ook in God ontnomen.’

‘Het heeft mijn geloof wel degelijk beïnvloed en dan vooral naar het Vaderbeeld voor God toe. Dat is zo ernstig misvormd, daar kan ik me niks bij voorstellen. En nog steeds worstel ik daarmee in de zin van: Wat wil Hij van me, wat moet Hij van me …’

‘Dat God meehuilt, in die psalm … Ik bewaar al je tranen in Mijn kruik, zoiets, dat heeft mij zo geholpen … die God kwam op de een of andere manier een beetje naar mij toe … van, nou, dat Hij er toch wel geweest was, dat Hij eigenlijk altijd wel bij mij was, en dat deed mij gewoon goed.’

‘Ik heb wel altijd het gevoel gehad dat Hij mij wél zag. Dat Hij het wél zag, niet dat misbruik, maar dat Hij míj zag.’

Inleiding

Uit een groot landelijk onderzoek eind jaren tachtig van de vorige eeuw (Draijer 1988) bleek dat seksueel misbruik van meisjes door gezinsof familieleden op uitgebreide schaal en in alle sociaal-culturele milieus voorkwam (Draijer 1988, 244; 1990, 192, 193). Minstens een op de zeven meisjes wordt hier slachtoffer van, zo concludeert dit onderzoek. Inmiddels wordt gesteld dat dit aantal waarschijnlijk nog hoger ligt (NelsonGardell 2001; Putnam 2003; Atwood 2007; Draijer 2007). Vele publicaties en ervaringsverhalen, tot in de huidige tijd toe, laten zien dat dit misbruik evenzogoed in kerkelijke milieus plaatsvindt.

Op het genoemde onderzoek volgde een stroom publicaties. Daaronder was het geruchtmakende boek van Imbens en Jonker (1991) Godsdienst en incest. Zij schreven over een incesttrauma dat gepaard ging met een godsdiensttrauma. Kort door de bocht gezegd, wezen zij in dit boek met een beschuldigende vinger naar de Bijbel, de christelijke leer en traditie en de christelijke kerk. Deze zouden het bestaan en voortbestaan van (vader-dochter)- incest bevorderen en herstel belemmeren. De kritiek richtte zich vooral op de sterk patriarchale elementen en de hiërarchische en ongelijke machtsverhoudingen tussen man en vrouw.

Rond de eeuwwisseling was de commotie over seksueel misbruik van kinderen geluwd en werd het weer stil in de maatschappij, tot in 2010 het misbruikschandaal in de RoomsKatholieke Kerk openbaar werd. Sindsdien houden de onthullingen niet op, culminerend in #MeToo.

In al die terechte aandacht voor seksueel misbruik is er echter weinig aandacht voor die specifieke vorm van seksueel misbruik die wij incest noemen, seksueel misbruik van kinderen door een gezinsof familielid. Nog minder aandacht is er voor de combinatie van christelijk geloof en incest, zoals Imbens en Jonker die hadden.

Getriggerd door hun boek startte ik in 2009 het empirische deel van mijn praktisch-theologische onderzoek naar de gevolgen bij vrouwen die christelijk opgevoed werden en tegelijk incest ervaren hebben. Het brede terrein van het christelijk geloof beperkte ik tot de godsbeelden. De kernvraag was: Welke rol geven volwassen vrouwelijke overlevenden van incest in hun levensverhaal aan hun godsbeelden in relatie tot hun incestervaring?’ Deze vraagstelling leidde tot een kwalitatief onderzoek en een narratieve benadering.

Godsbeelden

De vorming en ontwikkeling van godsbeelden is een complex proces en heeft een sterke psychologische factor (Wulff 1997, 368; Spilka et al. 2003, 86 e.v.).

De basis van de godsbeelden wordt gelegd in de vroege relaties van het kind met de omgeving (Rizzuto 1979). Dat zijn meestal eerst ouders, dan gezin en familie. Als het goed is, leert een kind dat het de wereld en de mensen kan vertrouwen, dat het veilig is en dat zij geliefd en waardevol is (Janoff-Bulman 1992). Deze ervaringen zijn diep geworteld en kleuren de godsbeelden die zich ontwikkelen en zo ook de relatie met God (Janoff-Bulman 1992; Kirkpatrick 1992; Ganzevoort 2005; De Vries et al. 2007). Hierbij gaat het dan vooral over de meer onbewuste en emotionele kant van godsbeelden.

Daarna en daarnaast komt dan alles wat aan het kind geleerd wordt over God, thuis, op school en in de kerk, met woorden en met gedrag, leer én leven dus. Dit vormt de meer bewuste en cognitieve kant van de godsbeelden. Vooral de ouders hebben zo een grote en dubbele invloed op het godsbeeld van het kind, emotioneel en cognitief. Tegelijk echter oefent ook de hele cultuur waarin het kind zich bevindt, van gezin, school en kerk, deze dubbele invloed uit. Als tweede heeft het zelfbeeld van het kind gro te invloed op het godsbeeld. Ook hier hebben de ouders de eerste en meeste invloed op, maar daarna en daarnaast evenzo de cultuur van gezin, school en kerk (Roukema-Koning 1998; Breeuwsma 2001). Zelfbeeld en godsbeeld beïnvloeden elkaar voortdurend (Rizzuto 1979).

Rollen van godsbeelden

In het onderzoek heb ik, passend bij de narratieve benadering, ook gekeken naar de rolverdeling in de verhalen en vooral naar de rol(len) die de verteller aan zichzelf en God gaf en de rol(len) die vanuit haar christelijke achtergrond op haarzelf en op God toekwam (Ganzevoort en Visser 2007).

Voor een ervaring van een ontmoeting met God moeten de eigen rol en de bijbehorende rol voor God wel bij elkaar aansluiten (Ganzevoort 1999). Wanneer wij bijvoorbeeld spreken over God de Vader, plaatsen we onszelf daarmee in de rol van kind van Hem. Wanneer wij troost nodig hebben, past daar niet een rol voor God als Koning of Rechter bij, maar moet er de rol van Trooster beschikbaar zijn.

Als rollen niet bij elkaar aansluiten, of als er geen adequate rol te vinden is, voor de verteller of voor God, dan blijft haar rol los staan van die van God. Dan is er op dat punt geen ontmoeting mogelijk, én blijft haar levensverhaal op dat punt los staan van Gods grote verhaal of delen daarvan.

Dat betekent dat er meerdere rollen voor God en voor haar voorhanden moeten zijn. Wanneer deze er niet zijn, kan in het pastoraat gezocht worden naar meer differentiatie, flexibiliteit en integratie van rollen voor God en de pastorante (Ganzevoort 1999).

Incest

Er kunnen een kind vele verschrikkelijke dingen overkomen en omdat een kind in alle opzichten in ontwikkeling is, grijpen die gebeurtenissen altijd in die ontwikkeling in. Daarbij is een kind afhankelijk van hulp en ondersteuning van volwassenen, in de eerste plaats van gezin en familie.

Bij incest echter is de omgeving waarvan zij afhankelijk is voor hulp en ondersteuning tegelijk de bron van het kwaad, een omgeving waaruit zij bovendien moeilijk kan ontsnappen (Herman 2003). Daarbij komt dat incest meestal langdurig en frequent plaatsvindt, waardoor de impact op de ontwikkeling groot is (LehnerHartmann 2002).

Incest onderscheidt zich tevens van ander seksueel misbruik doordat het plaatsvindt binnen relaties van vertrouwen, afhankelijkheid en loyaliteit. Deze worden dan ook dramatisch beschadigd (Truyens en Van Essen 2007) en het kind ontwikkelt een basisbeleving van angst, wantrouwen en onveiligheid.

Daarnaast wordt altijd ook het zelfbeeld beschadigd, want de boodschap van seksueel misbruik is altijd: ‘jij doet er niet toe, alleen je lichaam’. Bovendien ontwikkelt een kind een, psychologisch verklaarbaar, overlevingsmechanisme dat zijzelf slecht is en (mede)schuldig aan het misbruik. Dit wordt soms versterkt door de dader en regelmatig bevestigd door de omgeving wanneer het misbruik openbaar komt.

Ten slotte bestaat incest nog steeds in een uitgebreide zwijgcultuur, ook in de tijd van #MeToo. Aanjagers van dit zwijgen zijn onkunde, onmacht, loyaliteit, schaamteen schuldgevoelens, angst voor de gevolgen van praten en angst om niet geloofd te worden. Dit zwijgen belemmert niet alleen het stoppen van incest, maar ook het herstel van het slachtoffer, want daar is allereerst praten voor nodig. Al dit zwijgen belemmert ook erkenning en adequate hulp en ondersteuning.

Kenmerkende gevolgen

Incest is in zichzelf altijd traumatiserend (Draijer 1990, 75). Het heeft dan ook meestal grote en langdurige gevolgen. De meest kenmerkende gevolgen zijn vrijwel altijd verlies aan vertrouwen, verbondenheid en veiligheid, de ontwikkeling van een negatief zelfbeeld, diepe gevoelens van angst, eenzaamheid, schuld en schaamte.

Heling, geheel of gedeeltelijk, is mogelijk, meestal met langdurige professionele hulp. Echter, de relationele traumatisering is dermate diep ingrijpend dat herstel van vertrouwen en veiligheid zeer moeizaam en vaak niet volledig is (Herman 2003; Truyens en Van Essen 2007).

Onderzoek

In totaal 57 vrouwen schreven of vertelden mij hun levensverhaal met daarin hun geloofsverhaal. Zij werden christelijk opgevoed en behoorden in hun jeugd tot een van de vele protestantse kerken of tot de Rooms-Katholieke Kerk.

Allen zijn opgevoed met een zeer persoonlijk (mannelijk) godsbeeld en de meerderheid heeft dit behouden of herkregen, vaak ondanks de moeite met dit persoonlijke godsbeeld. Een kleine minderheid (elf) heeft dit persoonlijke godsbeeld overduidelijk afgewezen.

Negentien van hen gaven op het moment van het onderzoek aan niet meer bij een kerk aangesloten te zijn. De anderen waren, vaak na een jarenlange weg, weer betrokken bij een christelijke gemeente.

Methode en analyse

Allereerst is er uitgebreid literatuurstudie gedaan op het terrein van incest en traumatisering, en op het terrein van godsbeelden, om zicht te krijgen op mogelijke en noodzakelijke data. Na afsluiting van deze studie werd begonnen met het empirisch onderzoek. De respondenten werden geworven via een oproep in tijdschriften en kranten, op daartoe geëigende internetsites en via-via.

Aan degenen die reageerden werd, na uitleg over het onderzoek, gevraagd haar levensverhaal op te schrijven, met de rol van God daarin en dan vooral in relatie tot haar incestervaring en haar leven daarna. Ter verduidelijking werden enkele voorbeeldvragen gegeven, zoals:

• of God te maken heeft met haar incestervaring en haar leven daarna;

• of de incestervaring van invloed is geweest op haar geloof en op hoe zij God ziet en ervaart;

• of God en geloof hebben bijgedragen aan herstel of juist niet.

Vanwege de kwalitatieve aard van het onderzoek en conform de narratieve theorie en de narratieve benadering is er zo min mogelijk sturing geweest van de respondenten bij het schrijven of vertellen van haar verhaal. Dat resulteerde in een grote variëteit in aard en omvang van verkregen data: van complete verhalen in boekvorm tot een enkel A4’tje, van chronologisch tot chaotisch, dagboekfragmenten, ooit geschreven brieven, langdurige correspondentie met mij per mail waarin telkens een stukje verhaal werd verteld, overwegingen en gedachten, vragen aan mij, liederen en gedichten. De anonimiteit van e-mail werd breed gewaardeerd, vooral in het begin van de contacten. Van de 57 verhalen zijn er acht verkregen door middel van een interview, op verzoek van de respondent zelf.

Alles wat geschreven of verteld werd, is aangemerkt als data en ingevoerd in het computerprogramma ATLAS.ti 6.2. Daarna zijn alle data gecodeerd in dit programma, allereerst inductief, dus opkomend uit de verhalen. Daarna zijn ook codes deductief vanuit de literatuur benoemd. Met behulp van deze codes werd inzicht en overzicht verkregen. Elk verhaal is apart geanalyseerd en vervolgens is gezocht naar algemene lijnen.

Na afsluiting van de analysefase zijn de uitkomsten gelegd naast gegevens uit de literatuur. Deze methode, van literatuur naar empirie en weer terug naar de literatuur, is een vorm van de kader-analytische benadering van Maso en Smaling (1998), zij het dat de status van het theoretisch kader anders is en de cyclus van literatuurempirieliteratuur slecht eenmalig doorlopen is.

Resultaten

Daders

Er waren in deze 57 verhalen 83 daders. De biologische vaders (32) en de broers (25) vormen de grootste groep. In de verhalen blijkt dat alle daders heel goed beseffen dat ze iets doen wat moreel en voor de wet fout is.

Het meeste vertellen deze vrouwen over de dwang van daders om te zwijgen over wat gebeurde, tegen iedereen maar speciaal tegen de moeder. Slachtoffers en daders verwachtten actie van de moeder, actie waarvan slechts in enkele verhalen sprake is. Verbale en fysieke dreigementen werden gebruikt om zwijgen af te dwingen.

Deelnemers

De jongste deelnemer was 21 jaar, de oudste 84. Ruim driekwart groeide op vóór de jaren tachtig. Dat betekent dat waar er verteld wordt over de jeugd, deze zich vooral afspeelt in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw, dus voordat incest (opnieuw) in de publieke belangstelling kwam.

In die tijd waren kerk en maatschappij nog tamelijk eenvormig in normen en waarden, de kerk had nog gezag, er waren nog hiërarchische verhoudingen tussen mannen en vrouwen, tussen ouders en kinderen, tussen ambtsdragers en kerkvolk. Het waren ook jaren waarin weinig gesproken werd over seksualiteit, en zeker niet in de kerk. In deze groep verhalen wordt ook duidelijk dat er in die tijd in de breedte van de kerken in de leer een sterke nadruk lag op zonde en schuld en het daarbij behorende beeld van een strenge en straffende God.

De leeftijd bleek geen factor te zijn bij de resultaten van het onderzoek. Alleen maatschappelijke veranderingen waren terug te zien bij de jongste deelnemers, namelijk snellere en betere hulpverlening, meer mogelijkheden om te praten over de ervaringen en op jongere leeftijd meer kennis over seksualiteit. De onwetendheid over seksueel misbruik en het schadelijke daarvan bleek in vrijwel alle verhalen groot te zijn, bij de kinderen maar vaak ook bij de ‘omstan ders’ die een vermoeden hadden of aan wie het kind erover vertelde.

Godsbeelden

‘Godsbeeld’ is eigenlijk een onhandig containerbegrip. Daarom heb ik onderscheid gemaakt in wat deze vrouwen vertellen over Gods eigenschappen, over zijn handelen en over haar relatie tot Hem (cf. Janssen et al. 1994). Daarmee kon nauwkeuriger bepaald worden welke aspecten van de godsbeelden als ondersteunend of belemmerend ervaren zijn.

Deze groep vrouwen sprak het meest over Gods liefde, als eigenschap en als relationeel kenmerk, dus Gods liefde voor haar. Wanneer zij deze liefde (weer) konden geloven en ervaren, was dit het meest ondersteunende aspect van het godsbeeld. Tegelijk wordt juist hiermee ook het meeste geworsteld. Hierin is dan duidelijk te zien dat de schade die incest aanrichtte aan het zelfbeeld, zich voortgezet heeft naar dit aspect van de godsbeelden. Het heeft zich vertaald naar de vraag: ‘Hoe ziet Hij mij eigenlijk?’, of naar de constatering: ‘Hij kan mij niet liefhebben, want …’.

Strenge en beangstigende godsbeelden konden versterkend werken op de gevolgen van het misbruik. Bovendien bleken deze beelden moeilijk weg te krijgen en werkten dus ook belemmerend op het herstelproces. Op dit punt hadden Imbens en Jonker gelijk met hun godsdiensttrauma bij incest. Liefdevollere beelden van God daarentegen hadden een sterke potentie om behouden of herwonnen te worden en waren dan zeer ondersteunend.

Het tweede waar zij erg veel over vertelden, was haar relatie met God. Kernnoties van een relatie met God zijn: vertrouwen, veiligheid, bij Hem mogen horen en geloven in zijn betrokkenheid op haar. In het overgrote deel van de verhalen is te lezen dat juist deze relationele kenmerken zwaar beschadigd zijn geraakt door het misbruik. Mensen bleken niet te vertrouwen en niet veilig.

Die ervaring zette zich voort naar het godsbeeld. Door de meeste vrouwen wordt dit ook duidelijk zo benoemd: ‘Ik geloof niet dat ik iemand ooit meer helemaal zal vertrouwen. God ook niet, nee, dat is ook over.’ In ongeveer de helft van de verhalen is de relatie met God hersteld, na een lange weg van hulpverlening en pastoraat, in de andere helft nog steeds niet of niet geheel.

Tegelijkertijd wordt in het overgrote deel van de verhalen, ook in die waarin Gods liefde en de relatie met God nog problemen geven, uitgebreid en zeer positief verteld over Gods handelen: Hij draagt, zorgt, helpt, heelt, herstelt het geloof.

Van deze fragmentatie binnen de godsbeelden kan gebruikgemaakt worden bij het pastoraat.

Rollen voor God

In de Bijbel wordt er op heel veel verschillende manieren over God gesproken. In de verhalen is er echter een veel minder gedifferentieerd beeld van God aanwezig.

Meerdere vrouwen hebben duidelijk gezocht naar een adequate rol voor God die aansluit bij haar ervaring van misbruikt zijn: ‘Hoe kijkt Hij naar het kwaad van incest, wat doet Hij daarmee en hoe kijkt Hij naar mij als slachtoffer of beschadigd mens?’ Deze rol voor God is echter in geen enkel verhaal gevonden.

In de meeste verhalen is te lezen dat ze worstelen met Gods betrokkenheid bij het kwaad van incest (theodicee-vragen), maar vooral met Gods rol ten aanzien van haar als slachtoffer. Sommigen gebruiken de rol van God als Genadige en Vergevende, maar die past alleen bij een schuldige en niet bij een slachtoffer. Bij anderen domineert nog Gods rol als Straffende; die past wel bij haar schuldgevoelens over het misbruik, maar is bepaald niet helend. En als schuldgevoelens door hulpverlening zijn afgelegd, en gelukkig is dat bij de meesten gebeurd, dan blijft er geen andere rol meer over voor haar.

Factoren

Er zijn een paar duidelijke factoren te noemen die bijdragen aan het ontbreken van een adequate rol voor God ten aanzien van slachtoffers van incest. Uit de verhalen blijkt dat in hun jeugd de leer van schuld en zonde domineerde, met de daarbij behorende rol voor God als de Straffende of Vergevende. Het is denkbaar dat mogelijke andere rollen voor God daardoor onderbelicht zijn gebleven en niet direct voor hen beschikbaar zijn. Versmalling van het evangelie tot enkel de leer van schuld en vergeving (of straf), kan dus nadelig uitpakken voor misbruikte vrouwen.

Het is ook mogelijk dat het slachtoffer als gevolg van het misbruik selectief leest en luistert en daarmee alleen een rol voor God oppakt die past bij haar zelfbeleving van slecht zijn en (mede)schuldig aan het misbruik.

Rollen voor God die mogelijk wél aansluiten bij de ervaring slachtoffer en beschadigd mens te zijn, zijn die van Helper, Barmhartige, Ontfermer, de Nabije, Degene die opkomt voor de zwakken, die het kwaad haat, en oproept om recht te doen. Deze rollen zijn vooral in de psalmen en de profeten te vinden.

Een tweede factor is het gegeven dat wij in de Bijbel en de christelijke leer vrijwel uitsluitend worden aangesproken als daders. Berkhof (2002, 210) zegt het zo: ‘In het christelijk geloof wordt de mens niet als slachtoffer, maar als dader aangesproken. Hij wordt niet beklaagd, maar aangeklaagd.’

Vrouwen als slachtoffer zijn er wel (Sara, Hagar, Hanna en Peninna, Batseba, Tamar, de dochter van Jefta, Vasti), maar zelden wordt dan aan God uitdrukkelijk een rol gegeven in relatie tot het slachtoffer. Regelmatig is de vrouw zelfs weggeschreven uit het verhaal. Dat is anders met mannen als slachtoffer: denk aan Abel, Job, Isaäk, Jacob en Ezau, Jozef, David en Daniël. Daar is een duidelijk antwoord van God te lezen op het aangedane kwaad.

Hier speelt dan ook het androcentrisme van de Bijbel (en de christelijke leer) een rol. Vrouwen komen relatief weinig voor, naar sterke en positieve rolmodellen moet gezocht worden, maar dan nog is er vaak geen adequate complementrol voor God voorhanden.

Ten slotte is er het gegeven dat seksueel misbruik wel voorkomt in de Bijbel, maar dan betreft het volwassen vrouwen. Een duidelijke afwijzing of afkeuring van God ontbreekt dan meestal trouwens (Tamar, Richteren 19, dochter van Jacob). Seksueel misbruik van kinderen komt in de Bijbel niet voor. Een rol voor God is dus op dat punt niet beschikbaar.

In alle verhalen is dan ook te zien dat het deel van het levensverhaal waar het gaat over incest en gevolgen, over slachtofferschap en gevoelens van beschadigd mens te zijn, helemaal los is blijven staan van Gods grote verhaal met mensen, ook bij al die vrouwen die diepgelovig zijn of opnieuw zijn geworden. Het zijn twee aparte verhalen gebleven, die niet geïntegreerd zijn. Op dit punt is er dus geen ontmoeting met God mogelijk geweest.

Dat roept uiteraard indringende vragen aan theologie en verkondiging op.

God als Vader of Moeder

In het eerder genoemde boek van Imbens en Jonker wordt de koppeling gelegd tussen vader als dader en het patriarchale beeld van God als Vader. Inmiddels weten we dat er ook andere daders van incest zijn dan alleen de vader. Toch krijgen zij deels gelijk, want ook in deze onderzoeksgroep werd er, wie de dader ook was, áltijd een vergelijking gemaakt met de eigen vader, maar wel op twee verschillende manieren. Ze werden óf aan elkaar gelijkgesteld, óf juist scherp tegenover elkaar gezet.

In de ene helft van de verhalen was het beeld van God als Vader extreem negatief en bedreigend: Hij werd geïdentificeerd met de misbruiker, of Hij werd afgewezen omdat Hij niet zorgde en beschermde en dus geen Vader mocht heten. De specifieke functies van een vader zijn immers liefhebben, zorgen en beschermen. In de andere helft van de verhalen functioneerde God juist als de ideale Vader, geheel anders dan de eigen ouders en was daarmee een prima vervanging van hen. Bij beide groepen waren ook anderen dan de vader dader.

Over God als Moeder werd nauwelijks gesproken. Een paar keer werd verteld dat gepro geprobeerd is om God als Moeder te zien. Dit is niet gelukt, mede omdat dit geen relevant beeld was in het traditionele christendom waarin deze vrouwen opgroeiden.

Daarbij komt dat in bijna alle verhalen een zeer negatief beeld van de moeder wordt geschetst, waardoor een eventueel beeld van God als Moeder op voorhand gecorrumpeerd kan zijn. Wel is bij sommige katholieke vrouwen te zien dat moeder Maria in ondersteunende zin functioneert als vervanging van de eigen moeder, vergelijkbaar met God de Vader als vervanging van de eigen vader.

Uit de literatuur is bekend dat ondersteuning door de moeder een van de belangrijkste factoren voor herstel is (Draijer 1990). Het benadrukken van moederlijke aspecten van het godsbeeld kan dus heel zinvol zijn in het pastoraat, mits het beeld van de eigen moeder niet te zeer gecorrumpeerd is.

Voor katholieke vrouwen kan moeder Maria een positieve rol spelen in het pastoraat, waarbij wel gezegd moet worden dat haar rol als maagd bij dezelfde vrouwen afkeer oproept.

Jezus

Het beeld van Jezus bleek opmerkelijk genoeg slechts in een enkel verhaal wat beschadigd te zijn door de incestervaring. Jezus komt in heel ondersteunende, positieve en levensveranderende zin voor. Dan gaat het vooral over zijn liefde, zijn nabijheid, de relatie met Hem en zijn rol in processen van herstel en heling.

Het bleek dat er voor Jezus wél vele rollen beschikbaar waren, zelfs voor hen die het christelijke godsbeeld afwezen: als medemens, als goed mens, als de nabije, als heler, als voor drembeeldfiguur, als degene die weet wat lijden is, als intermediair tussen God en haar, als redder en verlosser.

Duidelijk is dat in Jezus gevonden werd, waar zoveel behoefte aan is bij het godsbeeld of waar zich juist de problemen bevinden: onvoorwaardelijke liefde, nabijheid en een vertrouwensvolle relatie. Jezus geeft dus veel mogelijkheden voor het pastoraat.

Problemen met andere leerelementen

Er waren in de verhalen nog andere duidelijke en blijvende problemen. Bidden was moeilijk door de schade aan de relatie met God. Vergeving werd ervaren als een (goddelijke c.q. kerkelijke) eis en gaf veel strijd. Het gebod om vader en moeder te eren bleef een van de grootste problemen. En ten slotte bleef er afkeer van de als negatief ervaren vrouwvisie en de impliciete of expliciete onderschikking van de vrouw aan de man, zoals uit de Bijbel en de christelijke leer op hen toegekomen is.

Wat kunnen wij doen?

Allereerst is het belangrijk, in alle pastoraat, om te vragen naar het levensverhaal: ‘Waar bent u opgegroeid, hoe was dat toen en daar?’ Dit zijn een paar van de eerste en meest uitnodigende open vragen die gesteld kunnen worden in het pastoraat. Deze vragen kunnen leiden tot openheid over moeilijke jeugdervaringen en inzicht geven in de mogelijke oorsprong van problemen met God of de relatie met Hem.

Vertrouwen en veiligheid zijn hierbij wel kernvoorwaarden, zeker wanneer er sprake was van seksueel misbruik. Als er sprake blijkt van incest, is het belangrijk de pastorante alle tijd en ruimte te geven om haar verhaal te vertellen, wat en wanneer zij het wil. Vervolgens zal samen gekeken moeten worden waar de problemen precies zitten, bij de eigenschappen van haar godsbeeld, bij zijn handelen, bij de relatie met Hem of bij God als Persoon, bij zijn Vaderschap (of moederlijke aspecten).

Tegelijk kan gekeken worden naar positieve en ondersteunende aspecten van haar godsbeeld. Uit de positieve psychologie is bekend dat versterking van positieve aspecten soms beter is dan het bestrijden van negatieve aspecten. Versterking van positieve aspecten van het godsbeeld is dus waardevol in het pastoraat, naast het bespreken van de problematische aspecten.

Hetzelfde geldt voor het exploreren van de verschillende rollen die de pastorante in haar verhaal geeft aan God, Jezus en zichzelf. Het versterken van bekrachtigende rollen en het samen zoeken naar mogelijke andere rollen in plaats van beschadigende rollen, kan bijdragen aan heling en herstel van de relatie met God en het kunnen plaatsen van dat stukje levensverhaal in Gods grote verhaal.

Jezus blijkt in de verhalen bij uitstek de goede ‘vervanger’ van God wanneer het godsbeeld te veel beschadigd is voor herstel, en soms wordt via Jezus toch weer God bereikt. In de verhalen blijkt verder overduidelijk hoe mensen, en speciaal christenen, en nog specifieker pastores, voor slachtoffers van incest als beeld van God functioneren.

Ten slotte: laten we in de kerken praten over gezonde seksualiteit en goede man-vrouwverhoudingen. Dat kan het zwijgen over seksueel misbruik doorbreken. Openheid werkt drembeeldfiguur, pelverlagend voor slachtoffers en een goed geïnformeerde gemeente is toegerust voor adequate erkenning en opvang.

Literatuur

Atwood, J.D. (2007). When Love Hurts: Preadolescent Girls’ Reports of Incest. In: The American Journal of Family Therapy, 35, 287-313.

Berkhof, H. (2002, 8e druk). Christelijk geloof. Kampen: Kok.

Breeuwsma, G. (2001). De constructie van de levensloop. Amsterdam: Boom.

Draijer, N. (1988). Seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Een landelijk onderzoek naar de omvang, de aard, de gezinsachtergronden, de emotionele betekenis en de psychische en psychosomatische gevolgen. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Draijer, N. (1990). Seksuele traumatisering in de jeugd. Lange termijn gevolgen van seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Amsterdam: SUA.

Draijer, N. (2007). Intieme traumatisering: gevolgen van seksueel misbruik, verkrachting en mishandeling. In: Aarts, P.G.H. en Visser, W.D. (red.). Trauma: diagnostiek en behandeling. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Ganzevoort, R.R. (1999). Stemmen van het zelf en rollen van God. Fragment en identiteit in religie en pastoraat. In: Praktische theologie 26/1, 3-23.

Ganzevoort, R.R. (2005). Als de grondslagen vernield zijn … Over trauma, religie en pastoraat. In: Praktische theologie 32/3, 345-361.

Ganzevoort, R.R. en Visser, J. (2007). Zorg voor het verhaal. Achtergrond, methode en inhoud van pastorale begeleiding. Zoetermeer: Meinema.

Herman, J.L. (2003). Trauma en herstel. De gevolgen van geweld – van mishandeling thuis tot politiek geweld. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Imbens, A. en Jonker, I. (1991, 3e druk). Godsdienst en incest. Amsterdam: An Dekker.

Janoff-Bulman, R. (1992). Shattered Assumptions. Towards a new Psychology of Trauma. New York: The Free Press.

Kirkpatrick, L.A. (1992). An Attachment-Theory Approach to the Psychology of Religion. In: The International Journal for the Psychology of Religion, 2(1), 3-28.

Lehner-Hartmann, A. (2002). Wider das Schweigen und Vergessen. Gewalt in der Familie: Sozialwissenschaftliche Erkenntnisse und praktisch-theologische Reflexionen. Innsbruck: Tyrolia.

Maso, I. en Smaling, A. (1998). Kwalitatief onderzoek: praktijk en theorie. Amsterdam: Boom.

Nelson-Gardell, D. (2001). The Voices of Victims: Surviving Child Sexual Abuse. In: Child and Adolescent Social Work Journal, Vol.18, No.6, 401-416.

Putnam, F.W. (2003). Ten-Year Research Update Review: Child Sexual Abuse. In: Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42:3, 269-278.

Rizzuto, A.-M. (1979). The Birth of the Living God. A Psychoanalytic Study. Chicago/London: The University of Chicago Press.

Roukema-Koning, B. (1998). Relationele zelf-ervaringen en spreken over God. Een psychologie van het ‘zelf ’ als hermeneutisch instrument. In: Ganzevoort, R.R. (red.). De praxis als verhaal. Narrativiteit en praktische theologie. Kampen: Kok.

Spilka, B., Hood Jr., R.W., Hunsberger, B. en Gorsuch, R. (2003, 3rd ed.). The Psychology of Religion. An Empirical Approach. New York/London: The Guilford Press.

Truyens, J. en Essen, J. van. (2007). Systemische therapie bij ernstige posttraumatische klachten. In: Aarts, P.G.H. en Visser, W.D. (red.). Trauma: diagnostiek en behandeling. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Vries, M.W. de, Caes, C. en Ganzevoort, R.R. (2007). Cultuur en trauma. In: Aarts, P.G.H. en Visser, W.D. (red.). Trauma: diagnostiek en behandeling. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Wulff, D.M. (1997). Psychology of religion. Classic and contemporary. New York: John Wiley & Sons, Inc.

Adriana (dr. A.W.) Balk-van Rossum is gepensioneerd theoloog. 

< Terug