< Terug

‘De samenleving is gebaat bij een zoektocht naar het goede’

Hoogleraar en ‘denker des vaderlands’ Paul van Tongeren

Paul van Tongeren (1950) is een Nederlands filosoof en theoloog, gespecialiseerd in ethiek. Van 1986 tot 1991 was hij te Leiden vanwege de Radboudstichting bijzonder hoogleraar in de wijsbegeerte in relatie tot de katholieke levensbeschouwing. In 1990 aanvaardde hij het ambt van hoogleraar in de wijsgerige ethiek en de wijsbegeerte in verband met het recht aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Op 11 december 2015 hield hij in de St. Stevenskerk te Nijmegen zijn afscheidsrede. Vanaf april 2021 mag hij als Denker des Vaderlands de stem van de filosofie in het publieke debat laten klinken.

Wat houdt in uw ogen praktische wijsheid in?

‘Praktische wijsheid is een van de manieren waarop de aristotelische deugd van phronèsis of prudentia vertaald wordt. Ik vertaal die zelf het liefst met praktische verstandigheid of morele verstandigheid. Maar praktische wijsheid is tegenwoordig een veelgebruikte term daarvoor. Ik zal het proberen op te vatten als een aanduiding van wat bij Aristoteles phronesis heet.’

Wat wil dat zeggen?

Portret van Paul van Tongeren
Paul van Tongeren (foto: onbekend)

‘Phronèsis is een van de intellectuele deugden. Aristoteles onderscheidt intellectuele deugden: perfecties van het denken, en karakterdeugden: perfecties van het voelen en het handelen.

Denken gebeurt op verschillende manieren: hier, bij de phronèsis, is het de perfectie van het denken voor zover dat in het handelen zelf gestalte krijgt. Niet per se door het handelen, maar in het handelen zelf. Dus het is een soort weten, een soort denken, een soort inzicht dat niet los van het handelen bestaat, maar in het handelen zit. Dat is een eerste aanduiding.

Ten tweede: het wordt als een van de kardinale deugden – die term is niet van Aristoteles maar van Ambrosius – gezien. Dat betekent dat het een element is in elke andere deugd: moed, vriendelijkheid, waarheid, enzovoort.

Die zijn allemaal niet mogelijk zonder dat ook de praktische verstandigheid of wijsheid daarin werkzaam is.

Ten derde: waarin bestaat dan die praktische wijsheid? Het is de manier waarop een persoon eigenlijk twee dingen tegelijkertijd waarneemt. Enerzijds een doel waar het uiteindelijk om gaat: het goede waarop het handelen, het leven gericht is, het grote doel. Dit ligt soms ver weg. Anderzijds alles wat juist heel nabij is: alle omstandigheden die hier en nu gegeven zijn. In het hier en nu waarin dat goede op een of andere manier gerealiseerd moet worden.

‘De blik op het uiteindelijke doel en de blik op de concrete omstandigheden moeten samen gegeven zijn in het handelen zelf’

Aristoteles verbeeldt het wel met de boogschutter, een graag gebruikt beeld. De boogschutter die zicht moet houden, zijn oog goed gericht moet houden op de roos, het doel waarop hij mikt en tegelijkertijd alleen maar succesvol kan mikken als hij ook oog heeft voor het materiaal dat hij in handen heeft, de positie waarin hij staat, de wind die van de ene of van de andere kant komt. Als je al die concrete omstandigheden waaronder je op het goede gericht bent niet in de gaten hebt, dan wordt het een wat een loze gerichtheid, zou je kunnen zeggen. Dan kan die niet effectief worden.’

Hoe komen de twee gerichtheden in het handelen naar voren?

‘Die twee blikken – de blik op het uiteindelijke doel en de blik op de concrete omstandigheden – die moeten samen gegeven zijn in het handelen zelf. Het is geen theoretische wetenschap; het is het weten dat zich misschien zelfs vaak niet eens expliciet kan formuleren. Dat wil zeggen, waarvan je wellicht niet eens precies kunt verwoorden wat je dan precies weet.

Het wordt ook wel vergeleken met hoe een ambachtsman kan spreken over wat hij weet te doen. Als je een timmerman vraagt hoe je een plank moet zagen, kan hij dat wellicht niet uitleggen, maar hij zal zeggen: ‘Kijk maar, zo doe je dat’. Dan zie je het weten gestalte krijgen in het handelen zelf.

Het is ook een zien. Dat is een van intrigerende passages in de ethica van Aristoteles, waarin hij van de phronèsis zegt dat deze een soort aisthesis, een soort waarneming is. Het heeft iets van een intuïtie. Niet in de zin van iets dat uit je ingewanden komt, maar in de zin dat iemand op basis van ervaring onmiddellijk ziet hoe je een probleem moet aanpakken. Succesvol handelen gebeurt niet op basis van een expliciete overweging die vertaald moet worden in handelen, maar je ziet daar iemand onmiddellijk de goede weg inslaan of de goede houding aannemen.

Praktische wijsheid is een van de kardinale deugden, een term van Ambrosius, die je in Aristoteles al herkent. Deze intellectuele deugd van de phronèsis vereist en is verondersteld in elk van de praktische deugden. Het is een centraal element in de aristotelische deugdenethiek.’

Kunt u een voorbeeld geven hoe dit in een andere deugd terug is te zien?

‘Neem de deugd van vriendelijkheid. Een vriendelijk mens moet ten eerste weten waar het uiteindelijk om te doen is, zijn blik gericht hebben op het uiteindelijk goede. Dit is te vertalen als een inclusief begrip van geluk, dat wil zeggen het eigenlijk geluk en het geluk van de gemeenschap waarvan je deel uitmaakt. Iemand die niet weet waar het in het leven om gaat, kan ook niet op de juiste manier vriendelijk zijn.

Zo iemand moet ten tweede ook de concrete omstandigheden kunnen zien: als je op een begrafenis bent, moet hij zijn vriendelijkheid op een andere manier uiten dan wanneer hij op een feest is.

Om vriendelijk te kunnen zijn moet je weten waar het uiteindelijk om gaat en weten wat de concrete omstandigheden zijn waarbinnen je dat uiteindelijke doel realiseert. Datzelfde geldt ook voor de dapperheid, de vrijgevigheid en alle andere deugden die Aristoteles noemt. Bij alle deugden is de verstandigheid belangrijk: deze weet de deugd te richten op het uiteindelijke goede en weet die te plaatsen in de concrete context.’

Nu heeft Covid-19 de wereld op zijn kop gezet. Ziet u hierdoor veranderingen in de verstandigheid van mensen?

‘Rutte kondigde vorig jaar voor het eerst de bijna totale lockdown aan. In de dagen daarna probeerden winkeliers hier gaatjes in te vinden. De winkel dicht, maar wel aan de deur verkopen, dat soort dingen. Het tweede aspect (een scherp oog voor de gegeven omstandigheden) lijken die winkeliers wel te hebben. Een ondernemer zei me ooit: ‘De hele kunst van het ondernemen is je kansen zien op het moment die er zijn.’ Je moet in het moment zien wat zich aan opportuniteit aandient. Dat is de kracht van een ondernemer. De deugdelijke ondernemer herken je in degene die zijn kansen ziet en zijn kansen grijpt in de gegeven omstandigheden.

‘Om vriendelijk te kunnen zijn moet je weten waar het uiteindelijk om gaat’

Het is niet alleen van belang je mogelijkheden te zien in de gegeven situatie, maar ook te zien met het oog op waartoe een mogelijkheid een mogelijkheid is. Waar gaat het je om? Het is dan misschien wel slim van een ondernemer om de gaatjes in de regels op te zoeken, maar enkel met het oog op een eigen particulier voordeel dat concurreert met het voordeel van de gemeenschap waarvan hij deel uitmaakt. Dit is dus geen toonbeeld van verstandigheid.

Hier zie je dat slimheid en verstandigheid soms op elkaar lijken, maar dat er toch een cruciaal verschil is. Aristoteles wijdt daar ook specifiek aandacht aan. Als je wel de verstandigheid hebt om de mogelijkheden te zien, om goed om je heen te kijken en zien wat op dit moment mogelijk is, maar niet de blik gericht hebt op het goede waar het uiteindelijk om gaat, dan noemt Aristoteles zo iemand sluw.’

Nu zijn er ook mensen die staan te fluiten bij Ruttes toespraak. Hoe kunnen we deze mensen dan duiden?

‘Hier gebeurt wellicht het tegenovergestelde van wat we bij het voorbeeld van de winkelier zagen. Waar de winkelier wel de situatie goed ziet, maar niet waar het uiteindelijk om draait, hebben de protesteerders wellicht wel het uiteindelijke goed voor ogen – namelijk een kritisch burgerschap bijvoorbeeld, maar kijken niet naar de actuele omstandigheden kijk en zien dus niet wat in de huidige context nodig is voor een kritisch burgerschap. Soms moet je daarvoor in opstand komen en soms moet je je daarvoor juist voegen om sterk te worden.

Dit laat de twee richtingen zien waarin het mis kan gaan en waarin er geen sprake van praktische verstandigheid is.

Ik denk trouwens dat je in beide gevallen kunt betwijfelen of het uiteindelijke goed waarop men gericht was wel een moreel goed was. Dat is nou precies het kenmerkende waarop de praktische wijsheid onderscheiden wordt van de slimheid: dat het doel dat in het weten voorgehouden wordt, een moreel doel is, dat inclusieve geluk.

Het gaat bij Aristoteles om zelfvervolmaking, zelfperfectionering en dat noemt hij geluk. Dat is altijd een inclusief geluk: voor Aristoteles is het een evidente dwaasheid om voor jezelf te zorgen op een manier die ten koste gaat van anderen. Je bent namelijk alleen maar een deel van een geheel en je moet dus goed voor het geheel zorgen om goed voor jezelf te kunnen zorgen.’

Weten wij vandaag de dag eigenlijk nog wel wat inclusief geluk is?

‘Dat is inderdaad een belangrijke kwestie. En het is er een die veel besproken is in de literatuur erover. Ik denk dat je ten eerste kunt zeggen dat de aristotelische ethiek niet zonder een hermeneutische toe-eigening vandaag de dag herhaald kan worden. Daar is een interpretatieve aanpassing voor nodig. Tot op zekere hoogte is het duidelijk dat Aristoteles spreekt vanuit en voor een hele concrete, beperkte, overzichtelijke gemeenschap waarin min of meer duidelijk is wat het goede leven voor ‘ons’ is. Op dat punt zijn wij natuurlijk radicaal veranderd, omdat onze wereld zo veel groter is geworden en omdat er zoveel variaties te zien zijn.’

Hoe kunnen we dan die aristotelische ethiek wel in onze tijd terugnemen?

‘Alasdair MacIntyre geeft daar een interessant antwoord op: in onze tijd, zegt hij, is in de plaats van ‘het goede’ gekomen dat wat hij noemt ‘the quest for the good’, het zoeken naar het goede. De verschillende identificaties die we vinden in onze wereld, zijn als het ware voorstellen in de conversatie die we als mensheid met elkaar hebben over waar het uiteindelijk om gaat.

Dit is een zinnige vertaling, in zoverre, dat je ze ook kunt herkennen in de concrete voorbeelden waar we het net over hadden; in beide gevallen is geen sprake van een zoektocht naar het goede. Men neemt onmiddellijk het eerste en heel dicht bij het eigen voordeel liggende idee over dat goede als zodanig waar, dat het tegen andere autoriteiten ingebracht kan worden. Niet eens meer als een bijdrage aan een gesprek, maar als een ‘zo doen we het’.

‘Je bent deel van een geheel, je moet dus goed voor het geheel zorgen om goed voor jezelf te kunnen zorgen’

Als de partijen – de winkelier of de protesteerders – bereid waren geweest om in gesprek te gaan over of dit nou wel het goede is of over waar het ons eigenlijk om moet gaan, dan zou het er heel anders hebben uitgezien. In die zin kun je nog steeds – ook al hebben wij niet meer een eenduidige invulling van het goede – met die notie van een gerichtheid op het uiteindelijke goede, een zoeken daarnaar, een aristotelische benadering in de praktijk brengen.’

Tom (T.A.H.M.) Lormans (MA) is historicus en geestelijk verzorger. Hij is als promovendus werkzaam bij het Expertisecentrum Palliatieve Zorg Utrecht.

< Terug