< Terug

De tijd van de volkeren is gekomen

Bij Jesaja 60,1-6, Psalm 72, Efeziërs 3,2-3a.5-6 en Matteüs 2,1-12

Je staat altijd op om iets te doen (vgl. Jes. 60,1). Wat gaat hier dan gedaan worden? Jeruzalem zal iets moeten toestaan. Waarom moet dat? Langzaam gaat het doek open. De zon, de glorie van de Heer, begint van boven de heuvels in het oosten over Jeruzalem op te gaan. Na een nacht van alsmaar duister gaat het licht op over de Stad.

En daar komen de volkeren. Kamelen van Midjan en Efa komen eraan. De mensen van Sjeba trekken op naar Jeruzalem met goud en wierook. Interessant. De lastdieren worden het eerst genoemd. Zij die de lasten dragen bereiden de weg (60,1-6). Is daar ook die ezel bij die we kennen als ‘het jong van het jukdragend lastdier’, dat op Palmzondag langs de weg gebonden staat?

Profiel van een rechtvaardige koning

Het optrekken van de volkeren naar Jeruzalem wordt gezien als een eerbewijs, maar vergeet niet, het is eigenlijk meer een bede, een aanzoek. Wijsheid, rechtvaardigheid, welvaart, en dat overal, alom. Dat zal een goede tijd zijn voor armen, ongelukkigen, misdeelden en voor mensen die niet zo stevig staan. ‘Mogen wij meedoen? Wij horen er toch ook bij? Wij doen graag mee.’ De chaos van het al vindt in Jeruzalem een zekere eenheid. Wijsheid en rechtvaardigheid zullen gerechtigheid doen bloeien en overal zal welvaart zijn ‘tot het einde der maanden’ (Ps. 72,7). Je zou je kunnen afvragen of dit profiel van een rechtvaardige koning dat de psalm schetst, ook iets zegt over degenen die van dit koningschap genieten. Zich bekommeren om de ellendigen en de armen is altijd gezien als een taak van en voor gemeenschappen die hun geloof delen.

Mede-erfgenamen van de belofte

Efeze staat voor welvaart en bloei, maar meer nog voor al die volkeren die overal vandaan naar de havenstad komen om daar een graantje of meer mee te pikken. Voor Paulus staat vast dat al die volkeren, de heidenen – dat wil zeggen: de niet-joden – ‘mede-erfgenamen, medeleden en mededeelgenoten van de belofte in de Messias Jezus’ zijn (Ef. 3,6). Zijn rijkdom is deelbaar, vermenigvuldigt zich. De Heer laat zich zien, niet alleen aan Israël, maar ook aan de volkeren. Wij uit de volkeren horen er voortaan ook bij, of beter: horen erbij. De laatste verzamelbundel van Emmanuel Levinas heette À l’heure des nations, ‘Op het uur van de volkeren’, of in een omschrijving: wanneer het uur van de volkeren gekomen is.

E. Levinas, À l’heure des nations. Parijs, Éditions De Minuit, 1988.

Wijsheid en kennis slokken de mens niet op. Zij kunnen wezenlijk democratiseren en ons tot volk en volkeren maken.

Wijzen uit de volkeren

Het moet te denken geven dat in Matteüs 2,1 na de naam van Jezus eerst de naam van Betlehem wordt genoemd, dan die van Herodes en daarna die van Jeruzalem. Daar zit een systeem, een voorbehoud in. Het belooft weinig goeds. Neem om te beginnen alleen al de vraag van de wijzen (2,2). Zij dragen de woorden aan die later het opschrift zullen worden boven het kruis. Die ruimte is al gereserveerd. Verderop zal het Matteüsevangelie het vertellen (27,37). Maar eerst, in de perikoop van vandaag, zullen de wijzen uit het Oosten komen. Zij komen uit het gebied van het licht en staan buiten het verhaal van duisternis en slavernij, buiten het verhaal van God die bevrijdt. Met hen komen de volkeren het evangelie binnen om bij het pasgeboren kind op adem en verhaal te komen. Met hen kunnen wij meegaan om getuigen te worden en het Woord te zien dat gebeurd is, het Woord dat als geboren koning van de Joden geschiedenis gaat maken in de stad van de grote koning, de stad van David, de jongste te midden van de broers en zussen. Een en al onschuld, zo laat de Heer zich zien.

Kerstmis: klein Pasen

Het lijkt erop dat zich donkere wolken boven de stad samenballen. Uitgerekend in Jeruzalem is de ster die de wijzen voorging zoek. Herodes laat de hogepriesters en schriftgeleerden hun eerste vergadering houden. Zij openen de boeken en wijzen Betlehem aan. Hun volgende vergadering speelt zich af wanneer het verhaal van Jezus’ passie begint (Mat. 26,3-5). Betlehem, de stad van David (2,5-6), de stad ook van de onschuldige kinderen (2,16-18).

Eerst komen de wijzen nu met hun geschenken (2,11). Als kind leerde ik: goud voor de koning, wierook voor de tempel. De mirre kenden we niet. Dat bleef vaag in de wierookwolken verstopt. Een jongetje van acht vertelde me vele jaren later in een kindernevendienst: ‘Meester, mirre hadden ze vroeger nodig om iemand te begraven.’ Zijn juf had hem dat verteld. ‘Want we moeten weten dat de Jezus van Kerstmis later ook de Jezus van het kruis en van Pasen is.’ Ik zei hem, dat hij een knappe juf had. Hij knikte instemmend.

Met andere woorden: het verhaal van de wijzen uit het Oosten die het kind in Betlehem zullen gaan vinden, de plaats waar de ster blijft stilstaan, is een eyeopener voor het hele evangelie.

Met de wijzen kijken wij aan het einde van het kerstverhaal nog een keer terug naar Kerstmis – klein Pasen, zeggen de kerken in het Oosten. Opnieuw worden we aangesproken door het verhaal over een God die een kind aanbiedt, opdat mensen kunnen beginnen met leven. Daar zet het kind van Betlehem zich voor in. Hij wil een leven lang met ons meegaan. We gaan het evangelie niet alleen binnen. Maar eerst zal Jozef Maria en haar kind in veiligheid moeten brengen in Egypte. Met een Herodes staat de wereld op zijn kop en krijgen de plaatsnamen een andere betekenis.

Bij Jesaja 60:1-6, Psalm 72, Efeziërs 3:2-3a.5-6 en Matteüs 2:1-12

< Terug