< Terug

De toekomst van vroeger

Alternatief bij 2e zondag van Advent (Micha 4:1-8)

‘Eens zal de dag komen (…)’ (Micha 4:1). ‘Het zal zijn in het laatste der tijden (…)’ – we zingen ervan (Liedboek 2013, 447), het klinkt altijd hoopvol. Zeker in de Adventstijd. We koesteren de hoop, we voeden de verwachting dat het goed komt, dat alles goed zal zijn. In allen. God en wij. Waarop is die hoop gegrond? Kwestie van positief denken? Willen is kunnen? God moet er meer moeite voor doen. Het is niet zomaar een belofte, maar een ommekeer.

Van Godswege is het een doorbraak. Hij gaat ervoor, omdat Hij niet anders kan. Alhoewel, Hij kan wel anders, maar wil niet anders. Hij geeft zijn ‘project’ niet op. Zijn wil geschiedt. Maar let op waar Hij vandaan komt. Hij komt van ver, namelijk van de constatering dat zijn geliefde volk geleid wordt door lieden die ‘de gerechtigheid verafschuwen’ (Micha 3:9). ‘Jullie stropen mijn volk de huid af en rukken het vlees van hun botten’ (Micha 3:2). De profeet (of de Heer?) gekleed in een geel hesje. De elite wordt aangeklaagd, zij die ‘Sion bouwen op bloed, en Jeruzalem op onrecht, die al wat recht is krom maken’ (3:9-10).

‘Ik heb de Geest van de Heer’

Er is veel kritiek op de kliek van hoger opgeleiden of hooggeplaatsten. De dorpsmens Micha, zoals Buber hem noemt, neemt geen blad voor de mond en heeft de moed – zegt hij van zichzelf – ‘om aan Jakob zijn wandaden bekend te maken, en aan Israël zijn zonde’ (Micha 3:8). Die moed heeft hij niet uit zichzelf, maar ontvangen: ‘Ik ben vervuld van kracht, ik heb de Geest van de Heer’ (Micah 3:8). Het zijn woorden die de profeet Jezus later in de synagoge van Nazaret uitspreekt, nadat Hij de boekrol van de profeet Jesaja had opengerold en hardop voorgelezen, verkondigd (Lucas 4:18). Micha, de kleine, lijkt op Jesaja, de grote. Er is verwantschap. Zou hij een leerling zijn geweest, één uit de school van Jesaja? De eerste vijf verzen van onze lezing (Micha 4:1-5) zijn bijna gelijkluidend aan die van Jesaja 2:2-5.

‘Volk van Sion, zie!’

Zo luidt de antifoon bij de introïtuspsalm (Psalm 80) op de tweede zondag van de Advent: Populus Sion, ecce Dominus veniet – ‘Volk van Sion, zie, de Heer komt om de volkeren te verlossen’ (Jesaja 30:19.30). Micha ziet het ook, die dag komt. Volkeren zullen samenstromen bij de berg van de Heer, machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we daarheen optrekken’ (Micha 4:1-2). Zo zal het zijn, maar voorlopig heeft Micha nog concurrentie, meer dan dat, tegenstand van collega-profeten ‘die mijn volk misleiden’ (Micha 3:5). De apathie om op te komen voor het recht van het volk – ‘dat moeten jullie toch kennen?’ (Micha 3:1) – heeft gevolgen voor stad en land. Sion wordt als een akker omgeploegd (nee, de zwaarden worden nog niet omgesmeed, Sion zelf wordt omgeploegd), Jeruzalem verwordt tot een ruïne, het heiligdom, de tempelberg een overwoekerde heuvel. Een verlaten puinhoop, die ze zelf ervan gemaakt hebben. Ont-volkt. Een mens moet van goeden huize komen om daarin nog toekomst te ontdekken. Je moet wel een groot vertrouwen hebben, een ijzersterke visie. Die kan alleen van de andere kant komen. We kunnen niet aan Micha 4 beginnen zonder te weten waar de Heer vandaan komt. Zijn beschuldiging, door de mond van de profeet, is hevig. Maar het is de werkelijkheid, het is gebeurd, het gebeurt. En wanneer we niet horen naar het onderricht dat de Heer vanuit Sion doet klinken – uiteraard is het woord van de Tora en van de profeten bedoeld – zal het weer gebeuren.

Liturgie

Opmerkelijk is het ‘wij’ in Micha 4:5. Alsof het een liturgische instemming, een acclamatie is op het net gesproken woord van de Eeuwige. De gemeente voegt zich in in het verhaal. Ja, er is een wij/zij-denken hier. Het is een keuze. Laten andere volken maar doen wat zij denken dat goed is: ‘hun eigen goden volgen’ – daar kun je natuurlijk van alles van denken, want die goden, is onze ervaring, hebben wel oren, maar horen niets, ogen, maar zien niets, een mond, maar kunnen niet spreken, er komt geen zinnig woord uit – maar ‘wij vertrouwen op de Naam van de Heer, ónze God’. Hier staan wij. Dit is onze grens. Wij vertrouwen op de Naam van de Heer, wij geloven. Micha voegt nog een concrete invulling aan het jesajaanse visioen toe. Zijn collega en tijdgenoot beperkt zich tot het beeld van de zwaarden en de ploegscharen, en dat niemand meer de oorlog zal leren, maar Micha (hij kwam toch uit het dorpje Moreset?) breidt het visioen uit met een agrarische, verstild zomerse en landerige verzadiging: ‘Ieder zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt’ (Micha 4:4).

Het Koningschap hersteld

In Micha 4:6-7 treedt de Heer zelf naar voren. Hij herstelt zich, herpakt zich: ‘Ik zal verenigen wie Ik onheil heb gebracht’ (Micha 4:6d). Een erkenning dat Hij zelf, in zijn woede, te ver is gegaan? Oorlogsslachtoffers, de kreupelen, krijgen eerherstel; ze worden gespaard – een verwijzing naar de gedachte dat kreupelen in principe niet toegelaten werden tot de heilige zaken? Hoe dan ook: de Heer verenigt, brengt bijeen wat/wie verstrooid is geraakt. De verdrevenen keren terug uit hun ballingschap. De Heer zal weer hun koning zijn. Nu dat woord geklonken heeft, is het koningschap niet ver. De Heer draagt dat over aan Jeruzalem (Micha 4:8). De lezing eindigt met het beeld van een sterke vesting (denk aan Psalmen 46). De geliefde jonkvrouw Sion zal staan als een huis, als een burcht met een wachttoren. Het wordt als vroeger: ‘je zult je vroegere heerschappij herkrijgen’. Maar alleen als ‘vroeger’ betekent: een erkenning dat we toen voluit de Tora hoorden en deden, ‘voor eeuwig en altijd’ (Micha 4:5). Maar is dat zo?

Deze exegese is opgesteld door Nico Vlaming.

< Terug