< Terug

De verbeelding van de ‘A/ander’

Over de riskante leerweg van de hbo-theoloog

Ook de hbo-theoloog moet in toenemende mate leren om te gaan met wat anders en vervreemdend is. Het is zowel binnen de opleiding als in de startende praktijk niet eenvoudig om daadwerkelijk ruimte te maken voor de ander in de eigen professionele en persoonlijke identiteit. Dit artikel wil een bijdrage leveren aan de leerweg van jonge professionals binnen het domein van levensbeschouwing en zingeving.

Enige tijd geleden verhuisde ik (René Erwich) naar Australië. Een grote overgang naar een ander continent, met een flinke cultuurschok. Enerzijds is de Australische cultuur westers en als een soort tussencultuur meer geënt op Europa dan op de Verenigde Staten, anderzijds kent zij nog steeds een ambivalente houding ten opzichte van haar eigen geschiedenis en vooral rondom de oorspronkelijke Aboriginals.

Tijdens een theologische conferentie werd me dit eens te meer duidelijk in een bijdrage waarin het schilderij ‘Creation Story’ van Linda Napurrula Walker (2011) werd getoond. Ik ervoer een soort vervreemding. Wat zag ik nu eigenlijk?

Ik had geen enkel referentiekader om het te ‘lezen’ en te verstaan. Enige uitleg van een collega, die zich al jaren intensief met de Aboriginals en hun identiteit bezighoudt, hielp. Napurrula schildert hier een soort helicopterview van haar ervaring van de werkelijkheid. Het is alsof je met een soort drone over het landschap vliegt en er boven hangt. En dan zie je hier een soort scheppingstheologie, een ecotheologie, met de maan en de sterren en met de voetafdruk van de emoe en de dingo, twee belangrijke culturele symbolen.

Het schilderij toont ook een bijzonder besef van identiteit, waarin God een belangrijke rol speelt. Het Aboriginal-symbool voor de Triniteit: Vader, Zoon en Geest (bovenaan), Jozef en Maria zittend in het zand (rechts midden), de geboorte van Jezus (donkere kribbe in het midden). En dit alles midden in het landschap, allemaal verbeeld in relatie tot God (de stippellijnen). De slang met al zijn ambiguïteit (zowel symbool voor het leven als ook voor het kwade) onderaan.

Het zien van dit schilderij gaf mij in eerste instantie een sterk gevoel een vreemde te zijn, een ander, die worstelt met wat in de ontmoeting met de ander zo vreemd aan doet en niet meteen te plaatsen valt.

Dit schilderij functioneert als ingang en metafoor voor onze bijdrage over de leerweg van de hbo-theoloog, die ook in toenemende mate moet leren om te gaan met wat anders en vervreemdend is. Met dit artikel willen we een bijdrage leveren aan de leerweg van jonge professionals binnen het domein van levensbeschouwing en zingeving.

In eerste instantie laten we zien hoe op basis van ons onderzoek naar een vijftiental startende hbo-theologen een verbinding tot stand kan komen tussen de professional enerzijds en de ander in zijn of haar eigen context, die in toenemende mate put uit andere bronnen en tradities. Vervolgens zoeken we een filosofisch perspectief bij de Franse filosofen Ricoeur en Lévinas en verbinden we een trinitarisch-theologisch perspectief met creatieve lezingen van de Schrift. Ten slotte verdiepen we onze visie op het hermeneutisch vermogen aan de hand van het piramidemodel over de interculturele competentie van Deardorff (2009). Vanuit de toepassing van deze drie lenzen geven we een aantal concrete handreikingen voor de verbetering van de vormingsen begeleidingspraktijk van hbo-theologen.

Onderzoek onder startende hbo-theologen

In de laatste fase van het onderzoek van het lectoraat Geloven in Context (2014-2018) aan de opleidingen Godsdienst Pastoraal Werk en Leraar Godsdienst en Levensbeschouwing van de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) volgden we vijftien startende professionals, vooral alumni van de opleiding, geselecteerd op basis van een aantal criteria met betrekking tot werksoort, jaar van afstuderen, et cetera. Wij vroegen hen gedurende enkele maanden een dagboek bij te houden en een essay te schrijven over hun visie op het beroep.

De analyse van dit materiaal was een bevestiging van de uitkomsten van eerdere deelonderzoeken van het lectoraat, zoals beschreven in de essaybundel Grensgangers (Erwich & Praamsma 2016) en een hieraan gerelateerde onderzoeksrapportage met de titel Van binnen naar buiten en vice versa (Erwich et al. 2016). De slotconclusie van beide publicaties was deze: in de wisselwerking tussen geloof, beroep en cultuur wordt de ontmoeting met ‘de ander’ veelal als moeizaam ervaren. De vanzelfsprekendheid van veel religieuze vormen en uitingen is verdwenen, de institutionele religie is op zijn retour, geloofsinhouden veranderen en professionals functioneren steeds meer als ‘grensgangers’, die zich moeten verhouden tot alles wat anders en vreemd is geworden. Dat lukt de een beter dan de ander, zoals ook te verwachten valt.

Een van de centrale ‘knooppunten’ van het onderzoek bleek het hermeneutisch vermogen van professionals te zijn (zie ook Van Hell e.a. 2017). Hier gaat het niet zozeer om de vragen met betrekking tot uitlegregels van de Schrift en de toepassing van die regels, maar heeft het hermeneutisch vermogen veeleer betrekking op het vermogen om bruggen te slaan tussen klassieke geloofsinhouden en de overtuigingen van laatmoderne kerkleden, pastoranten, jongeren, randen buitenkerkelijken.

Opvallend was dat het hoog normatieve kader waarmee onze professionals werken regelmatig botste met de beleving van hun gesprekspartners. Vaak wordt dit, ook door henzelf, beschreven als een probleem. De professionals geven aan dat ze niet weten hoe ze het gesprek moeten aangaan of hoe ze een verbinding tot stand moeten brengen en vinden zichzelf daarin tekortschieten. Soms wordt ook het probleem bij de ander gelegd: de kerk wordt als lauw omschreven, de jongeren wordt verweten geen bijbelkennis meer te hebben, enzovoort.

In veel gevallen kunnen we concluderen dat de moeite vooral zit in de (beperkte) eigen interne professionele dialoog. Dat wil zeggen: het lukt de startende professional onvoldoende om de eigen religieuze overtuigingen te relativeren of deze overtuigingen in gesprek te brengen met andere – wellicht tegenstrijdige – overtuigingen. Deze interne hermeneutische dialoog lijkt onvoldoende tot stand te komen, terwijl deze wel noodzakelijk is om de ander (en zichzelf) te ‘lezen’.

Dit roept de vraag op hoe die eigen noodzakelijke interne professionele dialoog dan gevoerd kan worden. Hoe kan het hermeneutisch vermogen zodanig gevoed worden dat ontmoetingen daadwerkelijk ontmoetingen zijn en niet slechts opstap zijn tot het delen van een missionaire boodschap?

Vooruitlopend op een antwoord zijn wij van mening dat deze moeite met de hermeneutische competentie vaak voortkomt uit een tekort aan de interculturele competentie. In context van pluriformiteit en diversiteit gaat het om het gesprek met de ander die als ‘vreemd’ wordt ervaren. Ook binnen kerken of in de relatie tussen kerken en de buitenwereld is immers meer en meer sprake van verschillende culturen binnen één context. Hier wordt van de professional gevraagd om naast de eigen religieuze overtuiging ook het eigen culturele bewustzijn in relatie tot het culturele bewustzijn van de ander te brengen.

Om het schilderij ‘Creation Story’ te interpreteren en waarderen, was enerzijds kennis nodig van de religieuze cultuur van Aboriginals, maar ook een empathische houding en oprechte interesse in wat de kunstenares bewoog. Ook hier werd een beroep gedaan op de interculturele competentie, om vervolgens de hermeneutische competentie verder te brengen en verbinding te realiseren. Alleen zo kan een ‘hermeneutiek van de ontmoeting’ tot stand worden gebracht (zie ook Erwich 2016).

Vragen met betrekking tot identiteit en anders-zijn zouden wat ons betreft meer in het centrum van de theologische reflectie moeten staan. Meer reflectie op het hoe van de verbeelding van de ander zou de riskante leerweg van hbo-theologen ten goede kunnen komen. Daarbij gaat het niet om eenrichtingsverkeer, maar tevens om potentiële wederkerigheid, immers in de ontmoeting verandert niet alleen de ander, maar wellicht ikzelf ook.

Perspectief van Lévinas en Ricoeur

Om de ander centraal te stellen in de hermeneutische ontmoeting, biedt het gedachtegoed van de Franse filosofen Emmanuel Lévinas en Paul Ricoeur uitkomst.

De in Litouwen geboren Frans-Joodse Lévinas betoogt dat het menselijk bewustzijn en handelen niet gefundeerd moeten zijn in het bekende adagium van Descartes: ‘Ik denk dus ik ben’, maar in de woorden ‘Hier ben ik …’ (of het bekende Hebreeuwse ‘hineni’). Het gaat erom het gelaat van de ander centraal te stellen, want in dat gelaat van de ander zie ik God. Dát moet de basis zijn voor een ethische relatie van liefde tot en voor de ander en voor een eindeloze verantwoordelijkheid in moreel handelen.

Lévinas’ denken is complex en gelaagd en doet een krachtig appèl op onze omgang met wat anders en vreemd is. Zijn denken is zeker niet zonder problemen. Zo is het onderscheid tussen zijn interpretatie van de Torah op het punt van zorg voor de ander op veel punten fundamenteel anders dan de christelijke. Waar de zorg voor de ander volgens Lévinas rechtstreeks af te leiden is uit de ontmoeting met de ander, komt de zorg voor de ander in christelijk perspectief voort uit de heiligheid (lees het anders-zijn) van God zelf (‘Wees heilig omdat Ik heilig ben’, vgl. Exodus). Het gaat om navolging en imitatie van de genade die ons geschonken is.

Het accent dat Lévinas legt op het onvoorwaardelijke welkom aan de ander is tegelijkertijd ongekend en vraagt moed. De vraag die wel gesteld kan worden is in hoeverre gastvrijheid en zorg voor de ander niet een ‘onverzadigbaar monster’ kunnen worden, juist vanwege de nadruk op de oneindigheid van die zorg. Als het enige belang dat werkelijk telt het belang van de ander is, hoe blijf ik zelf dan nog intact?

Op dit punt biedt de hermeneutische theorie van Paul Ricoeur een aanvulling. Net als Lévinas zet Ricoeur zich scherp af tegen Descartes’ focus op ‘Ik denk dus ik ben’. Volgens Ricoeur word ‘ik’ pas echt ‘mezelf ’ in het licht van de ander (Ricoeur 1992). Ricoeur stelt het ik en de ander niet tegenover elkaar, maar stelt dat ze in zekere zin samen op gaan. Het ene kan niet zonder het ander gedacht worden: ik ben mezelf voor zover ik ook een ander ben (Ricoeur 1992, 3). Identiteit is voor Ricoeur daarom altijd ethisch van aard: in navolging van onder andere Lévinas stelt Ricoeur dat de ander het primaat heeft: het gaat erom dat de ander mij mag aanspreken, mag bevragen (Ricoeur 1992, 168).

De denkrichtingen van Lévinas en Ricoeur houden zo een correctie in ten aanzien van het denken over en met de ander. Ze laten zien dat ik, voor ik werkelijk mezelf kan worden als gelovige en als professional, de ander moet toelaten om mijn eigen ik te laten bevragen. Dit maakt mijn identiteit niet minder sterk (waar onze respondenten bang voor leken te zijn) maar juist sterker.

Dat lijkt ons allereerst een belangrijk aspect in de leerweg van hbo-theologen. Waar, zoals uit ons onderzoek bleek, de eigen normatieve kaders van professionals regelmatig botsen met de beleving van pastoranten, jongeren of andere gesprekspartners, is het vermogen om die eigen kaders in het licht van de ontmoeting met de ander even te kunnen ’parkeren’ en in rapport te brengen met die ander van groot belang.

Tegelijk is het noodzakelijk om het gedachtegoed van Lévinas en Ricoeur ook in theologisch perspectief te plaatsen. Immers, in de omgang met de ander blijft deels ook altijd een kloof die niet te overbruggen is.

Trinitarisch-theologisch perspectief

In de essaybundel Grensgangers (Erwich & Praamsma 2016) hebben wij in dit kader Miroslav Volf aan het woord gelaten, die benadrukt dat binnen christelijk trinitarisch denken de wederkerigheid van de zichzelf wegschenkende liefde van Vader, Zoon en Geest, de fundamentele richting markeert.

Het komt erop aan dat wij de wil hebben om ruimte te maken in onszelf, om onszelf aan anderen te geven en hen te ontvangen. Dan ontstaat er ruimte voor een verbeelding van de ander, en van elkaar, die verbindt. Het hele evangelie staat daar immers vol van: liefde die we hebben voor de A/ander, is een vrucht van de liefde die we te danken hebben aan de gastvrije liefde waarmee God zelf mensen vult (‘Wij hebben lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad’, 1 Johannes 4:9).

Het schilderij van Linda Napurulla kan hier dienen als een voorbeeld. In haar kunstzinnige verbeelding van een ‘scheppingstheologie’ vraagt zij aandacht voor de aarde en het landschap als fundamentele bouwsteen voor het samenleven. Het landschap vormt als het ware het narratieve kader voor haar scheppingstheologie – zij verbeeldt de Ander (God) door deze in een landschap te plaatsen en te verankeren.

Daarmee legt ze de vinger op de zere plek van de westerse samenleving: een sterk individualistisch getinte samenleving, die zich maar beperkt deel weet van het grotere geheel en het landschap waarin zij leeft. Vervolgens is het indrukwekkend om vanuit dit ‘landschapsperspectief ’ ook de evangeliën te herlezen. Napurrula zou in dit kader de landkaart van Israël rondom Jezus’ weg vooral verbeelden door middel van voetstappen.

Wie er oog voor heeft en de voetsporen van Jezus dan volgt, in bijvoorbeeld het Markusevangelie, ontdekt dat Jezus in zijn reizen van de ene kant van het Meer van Galilea naar de andere kant reist en hierbij voortdurend zijn leerlingen probeert te bewegen naar de ‘andere kant’ te gaan, de niet-joodse kant. Hij daagt ook in de ontmoeting met Syro-Fenicische vrouw (Markus 7) hen uit ‘wat anders is’, ‘wat hen tegen de borst stuit’ niet uit de weg te gaan.

Het hele Markusevangelie staat bol van ontmoetingen met mensen (de ander) die niet aan de gangbare normen voldoen en meestal vreemd zijn, anders zijn en grote bevreemding oproepen. De verbeelding van de ander is in deze zin meer de verbeelding van de ander als geschenk dat vraagt om een gastvrij zelf, een nieuwe ruimte waarbinnen ontmoeting kan plaatsvinden. Dat is het voortdurende appèl.

Bijbels-theologische voorbeelden

Met een tweetal bijbels-theologische voorbeelden sluiten we dit deel nu af. Wij doen dit omdat wij ervan overtuigd zijn dat ze in de leerweg en vorming van de hbo-theoloog echt helpend zijn. In verbinding met een trinitarisch-theologisch perspectief lijkt het ons een aangewezen weg om juist met het oog op het ontwikkelen van hermeneutisch vermogen bijbelse teksten opnieuw te lezen. We maken hierbij gebruik van materiaal van Shepherd (2014).

Opvallend is hoezeer de ‘verbeelding van de ander’ in teksten uit de Bijbel een rol speelt. Wij wezen al op de wijze waarop de evangelist Markus de aandacht vestigt op wat ‘anders is’, ‘marginaal’, ‘over de grenzen heen’ van wat vertrouwd is, maar ook in andere teksten en op andere manieren komt dit perspectief naar voren.

Jakob

Een bijzonder voorbeeld is het verhaal van Jakob (Genesis 29-33). Al vanaf het allereerste begin, tentiële worsteling met de wereld betrokken, om te beginnen met zijn broer. voor zijn geboorte, is Jakob in een existentiële worsteling met de wereld betrokken, om te beginnen met zijn broer.

Friso ten Holt, ‘Jacob en de engel’, 1953-1954

We zouden Jakobs verhaal dan ook kunnen lezen als een reflectie waarom het Jakob steeds maar niet lukt om zijn ervaren gastvrijheid bij God en anderen (bijvoorbeeld Laban) te delen met anderen. Jakob lijkt te verlangen naar het scheppen van een ‘self-made identity’, een identiteit waarin hij zegen ontvangt en waarin de A/ander gebruikt kan worden voor zijn eigen doel. Wat volgt is een serie vrij destructieve relaties, gekenmerkt door teleurstelling en manipulatie (Shepherd 2014).

Het hoogtepunt in het verhaal wordt bereikt als Jakob ‘van aangezicht tot aangezicht’ terechtkomt in een nachtelijke worsteling. Aan de Jabbok komt het erop aan en ondanks zijn vele successen, staat hij nu alleen. Maar waar gaat die worsteling nu eigenlijk over? Is dit dan toch het gevecht tussen de innerlijke eigen vijand en de goddelijke Ander? Wie is hier de agressor? Jakob zelf misschien?

Probeert hij hier niet juist zijn eigen identiteit veilig te stellen, die ook nu door deze vreemde Ander wordt betwist? Juist als hij de naam van deze vreemde tegenstander wil weten (32:29)? Zijn eigen daaropvolgende belijdenis dat hij ‘Jakob’ heet, wordt beantwoord met een nieuwe naam. Hij heeft God, de Ander bij uitstek, gezien en heeft het overleefd. Het eindigt echter niet per se romantisch, zelfs niet nu hij een andere naam heeft ontvangen. De ambiguïteit verdwijnt niet uit het verhaal, zoals eigenlijk nooit in het echte leven.

De Samaritaanse

Een ander voorbeeld ontlenen wij aan het Johannes-evangelie: de ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse (Johannes 4:1-42). Ook in dit bijzondere verhaal van geven en ontvangen worden vervreemding en vijandigheid ten opzichte van de A/ander overwonnen. De identiteit van de vrouw lijkt gevormd te zijn door de aloude overheersende ideologieën en patronen: vrouwen zijn tweedehands burgers, Joden zijn vijanden en ongetrouwde vrouwen met een scheidingsverleden zijn onrein.

In de ontmoeting stelt Jezus gaandeweg een andere normatieve ‘economie der dingen’ (Shepherd 2014) aan de orde. Er is een ‘geschenk van God’, de A/ander bij uitstek. De vrouw tracht het gesprek te verschuiven naar een ander en meer algemeen onderwerp, door niet meer te spreken over haar eigen gebrokenheid, maar over de etnische vijandschap tussen Joodse en Samaritaanse gelovigen.

En opnieuw is het indringend te lezen hoe Jezus haar wijst op een hele andere orde in het Koninkrijk van God. Noch de etnische achtergrond, noch de geografische locatie is bepalend voor onze identiteit, maar de aanvaarding van Gods geschenk. Anders-zijn is daarin niet wat verdeelt en splitst, maar wat juist van betekenis is voor authentieke gemeenschap.

Wie zijn of haar eigen gebrokenheid in dat licht heeft geplaatst is in staat om met vele anderen die zo totale Ander te aanbidden en te dienen. Dan geldt de nieuwe economie van wederkerig geven en ontvangen. De vrouw gaat en ze laat haar emmer achter, getuigend van een breuk met de diepe vijandigheid die ze ervaren heeft

Ongetwijfeld zijn er nog veel meer van deze teksten, waarin gelaagd en vanuit verschillende perspectieven wordt ingezoomd op de verbeelding en de omgang met de A/ander. Zorgvuldige en creatieve lezing laat zien dat deze verhalen een ingang bieden voor hermeneutisch leren, waarin de verplatting van teksten tot één exclusieve betekenislaag kan worden voorkomen. Tevens wordt hiermee gevoeligheid ontwikkeld voor de ruimte die geboden worden in deze verhalen, waarin mensen van deze tijd kunnen wonen, omdat een werkelijke verbinding tot stand komt met wat zij denken en beleven.

Intercultureel perspectief

In het voorgaande stelden we dat het hermeneutisch vermogen pas echt ontwikkeld kan worden als er in de ontwikkeling van de eigen identiteit en in het creatief lezen van de Schrift aandacht en ruimte wordt gemaakt voor de ander.

Dit brengt ons tot slot bij de ontwikkeling van interculturele competentie als onderdeel van het hermeneutisch vermogen van hbotheologen. Duidelijk is immers dat in een steeds groter wordende ‘global village’, het bewustzijn toeneemt dat professionals vaardig moeten zijn met (religieuze) diversiteit en interculturaliteit om te gaan.

Wat interculturaliteit en een interculturele competentie inhoudt is echter niet eenvoudig. Er zijn vele beelden en definities in omloop: zelfkennis over het eigen referentiekader en eigen wereldbeeld; het vermogen om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden en alternatieven te vinden; veerkracht (resilience) om met negatieve ervaringen en tegenslag om te gaan; openheid om visie van anderen te kunnen beluisteren en relativering van eigen standpunten; het verkennen van de eigen communicatiestijl; hanteren van conflicten als gevolg van culturele verschillen en ga zo maar door.

Wij bespreken hier het zogenaamde Pyramid Model of Intercultural Competence (PMIC) van Darla K. Deardorff, waarin de complexiteit van interculturele communicatie geconceptualiseerd wordt en aandachtspunten voor ontwikkeling en verbetering ervan worden benoemd (Deardorff 2009).

Deardorff ontwikkelde het model op basis van de zogenaamde ‘Delphi-methodologie’, waarbij ze 23 interculturele experts liet participeren. Zij gaven hun visie op de definitiekwesties die betrekking hebben op de ‘interculturele competentie’. Deardorff analyseerde vervolgens de verschillende conceptuele perspectieven en bouwde hiermee haar PMIC.

De gedachte achter het model is dat de individuele onderdelen aan de hand van te ontwikkelen criteria kunnen bijdragen aan een effectieve interculturele communicatie. Per onderdeel kunnen de criteria worden benut om het niveau van de interculturele competentie te vergroten. Grondhouding, vaardigheden, kennis en begrip dragen zo bij aan een intern en een extern resultaat.

We zien dit model dan ook als een basismodel dat haar diepte en uitwerking vooral zal krijgen in combinatie met het inoefenen van theologische en wat ons betreft filosofische reflectie rondom ontmoetingen met wat zich als anders en bevreemdend voordoet.

Het grote voordeel van het toepassen van Deardorffs piramidemodel in een theologische context is de gelaagdheid die haar model inbrengt. Deze gelaagdheid maakt het mogelijk een beter onderscheid te maken tussen de verschillende dimensies van de hermeneutische competentie, wat in de onderwijspraktijk kan leiden tot een betere focus op minder sterke aandachtsgebieden bij de professional in opleiding.

Gewenste externe resultaat

• Effectieve (religieuze, existentiële …) communicatie, gebaseerd op interculturele kennis, vaardigheden en houding met het oog op de doelen van die communicatie

Gewenste interne resultaat

• Aanpassingsvermogen (aan verschillende stijlen van communicatie en gedragingen; aanpassingen aan nieuwe culturele omgeving)

• Flexibiliteit (selecteren en benutten van gepaste stijlen van communicatie en gedragingen; cognitieve flexibiliteit)

• Een etno-gerelateerde visie

• Empathie

Kennis en begrip

• Cultureel zelfbewustzijn

• Diep verstaan en kennis van cultuur (contexten, rol en impact van cultuur en wereldbeelden)

• Cultuur-specifieke informatie

• Socio-linguistïsch bewustzijn

Vaardigheden

• Luisteren

• Observeren

• Interpreteren

• Analyseren

• Evalueren

• Verbinden

Vereiste grondhouding

• Respect (waardering voor andere culturen en culturele diversiteit)

• Openheid (voor intercultureel leren en mensen van andere culturen, zonder oordeel)

• Nieuwsgierigheid en ontdekkingsgericht (ambiguïteit accepteren en onzekerheid)

Pyramid Model of Intercultural Competence (Deardorff 2009)

Wij leiden onze professionals op om goede hbo-theologen te worden en we gaan er daarbij vanuit dat zij in staat zijn religieuze communicatie op gang te brengen dan wel te houden. Dat is hun core business: religieuze communicatie in al haar veelzijdigheid.

Het is onze verwachting dat hbo-theologen getraind kunnen worden met een gelaagd model van de hermeneutische competentie, waarbij Deardorffs model als voorbeeld kan dienen.

In aanvulling op de door Deardorff aangereikte criteria zou hierbij extra aandacht kunnen worden gegeven aan:

• uitstel van (be)oordelende reacties (extern resultaat);

• leren onderhandelen over de eigen identiteit (intern resultaat);

• relativering van de eigen normatieve visies (intern resultaat);

• omgaan met culturele spanning, vooral in een omgeving waarin religieuze duidingen de boventoon voeren (extern resultaat) en de waardering van verschillen van opvattingen, zonder dat dit onmiddellijk tot gewetensproblematiek hoeft te leiden en blokkades in het handelen.

Conclusies en aanbevelingen

Ons onderzoek leert ons dat de leerweg van de hbo-theoloog, zowel binnen de opleiding als in de startende praktijk, riskant kan zijn. Het is niet eenvoudig om daadwerkelijk ruimte te maken voor de ander in de eigen professionele en persoonlijke identiteit. De huidige context van pluriformiteit en diversiteit maken het ontwikkelen van de hermeneutische competentie ook niet makkelijker.

In dit artikel brachten we de onderzoeksresultaten, filosofische en theologische reflecties samen aan de hand van het schilderij van Napurulla. Voor veel startende hbo-theologen blijkt het nagenoeg onmogelijk om met een vergelijkbare helicopterview naar hun eigen werkelijkheid te kijken.

In dit artikel hebben we gepoogd om in dit verwarrende pluriforme landschap een aantal uitwegen te zoeken. Belangrijk lijkt ons vooral om de hermeneutische competentie te zien als een vorm van intercultureel denken, waarbij op creatieve wijze verbindingen worden gelegd en de ander en ik elkaar wederzijds kunnen begrijpen. De gelaagdheid van het piramidemodel van interculturele communicatie kan hierbij behulpzaam zijn.

Tot slot doen wij nog enkele concrete aanbevelingen voor de onderwijspraktijk.

Het verdient ons inziens allereerst aanbeveling met studenten werk te maken van creatieve en inzicht verruimende leesoefeningen, waarbij zowel bijbelse als ook filosofische teksten worden bestudeerd. Het doel hiervan is om sensitiviteit te ontwikkelen voor de verbinding met wat zich als ‘anders’ en ‘vreemd’ voordoet en afwijkt van de eigen normativiteit. Gebruik hiervoor alle mogelijke andere hulpmiddelen zoals kunst en moderne media, zodat de verbeelding van de A/ander ook multisensorisch plaats kan vinden.

In de tweede plaats is het van belang om vanaf het begin van de opleiding te werken aan de vereiste grondhouding van respect, openheid en nieuwsgierigheid, die net zo noodzakelijk is voor een adequate hermeneutische verbinding als voor ontwikkeling van intercultureel vermogen. Zoals we van Ricoeur kunnen leren betekent deze open houding voor de ander niet ogenblikkelijk dat de eigen identiteit onder druk komt te staan. Het ontwikkelen en inoefenen van de vereiste grondhouding geschiedt onder meer door het aanreiken van kennis en vaardigheden waarmee de student zich kan richten op verbinding met de ander. Hierbij is het niet alleen belangrijk dat er geoefend wordt met agogische vaardigheden, maar ook dat een grondige kennis van de eigen traditie en het theologisch taalveld wordt aangeleerd. Pas vanuit een cultureel en hermeneutisch zelfbewustzijn kan er een effectieve verbinding en communicatie met de ander ontstaan (gewenste externe resultaat), op basis van een vergroot aanpassingsvermogen en meer empathie (gewenste interne resultaat).

Ten slotte wijzen we op het belang van een verplichte interculturele stage van drie tot vier maanden in een context waarin het hermeneutisch vermogen getest kan worden aan de hand van diepgaande culturele en hermeneutische botsingen. Het verdient de voorkeur om in te zetten op een buitenlandstage, omdat de eigen context in een stedelijke omgeving, hoe multicultureel en multireligieus ook, vaak toch te beperkt is voor een diepgaande confrontatie met de ander.

* Dit artikel is een gezamenlijke bewerking van de slotlezing van René Erwich als lector Geloven in Context, bij de opleidingen Godsdienst Pastoraal Werk en Leraar Godsdienst/Levensbeschouwing.

Literatuur

Deardorff, D.K. (red.) (2009). The Sage handbook of intercultural competence. Thousand Oaks: Sage Publications.

Erwich, R. & Praamsma, J.M. (2016). Grensgangers: pendelen tussen geloof en cultuur. Utrecht: Kok.

Hell, R. van, J.M., T. van de & Erwich, R. (2017). De hbo-theoloog tussen ideaal en werkelijkheid. Onderzoeksrapport Lectoraat Geloven in Context. Ede: Christelijke Hogeschool Ede.

Ricoeur, P. (1992). Oneself as another. Chicago: University of Chicago Press.

Shepherd, A. (2014). The Gift of the Other: Levinas, Derrida, and a Theology of Hospitality (Princeton Theological Monograph). London: Pickwick.

Volf, M. (1996). Exclusion and Embrace. A Theological Exploration of Identity, Otherness, and Reconciliation. London: Abingdon.

René (dr. R.) Erwich, Principal van Whitley College, Melbourne (Australië) en voormalig lector Geloven in Context aan de Christelijke Hogeschool Ede.

Rinke (dr. A.C.) van Hell, interim-lector Geloven in Context aan de Christelijke Hogeschool Ede. 

tips bij het thema

Materialen

Video ‘Stop discriminatie, kies voor diversiteit’. Korte animatievideo die (jonge) kinderen kan helpen om concepten als discriminatie en diversiteit te begrijpen.

www.kuleuven.be/thomas/page/videodatabank/view/95815/

* Tips met dank aan de scribenten en docenten van Windesheim Theologie en Levensbeschouwing.

< Terug