< Terug

De verrijzenis van Christus als bestaansgrond

Bij 1 Korintiërs 15,1-11

1 Korintiërs 15,1-11, een traditionele lezing in de Paastijd, vormt een samenvatting van Paulus’ verkondiging van de verrijzenis van Christus. Binnen 1 Korintiërs 15 functioneert deze perikoop als een opmaat voor 1 Korintiërs 15,12-19 – de perikoop die volgens dit leesrooster de volgende zondag aan de beurt is – waarin Paulus een misvatting over de verrijzenis behandelt. Hij doet dit op grond van de verkondiging van de verrijzenis die in de eerste elf verzen van dit hoofdstuk te vinden is.

Toch vormt ook 1 Korintiërs 15,1-11 een afgesloten geheel, dat inzet met Paulus’ verkondiging en het tot geloof komen van de Korintiërs (verzen 1-2) en afsluit met Paulus’ roeping om het goede nieuws van de verrijzenis van Christus te verkondigen, waardoor de Korintiërs tot geloof zijn gekomen (verzen 10-11). Met andere woorden: de perikoop is afgebakend door een inclusio.

Het evangelie als gemeenschappelijke grond

Vanaf het eerste moment is duidelijk dat Paulus de Korintiërs hier niets nieuws vertelt het Griekse gnooridzoo heeft hier de betekenis ‘in herinnering roepen’ – maar dat hij met grote nadruk gemeenschappelijke grond opzoekt. Deze grond bestaat uit het evangelie dat Paulus verkondigde, dat de Korintiërs ontvingen, waarin zij staan en waardoor zij gered worden. In een vierslag legt Paulus dit neer in vers 1, om er in vers 2 de retorische opmerking over het tevergeefs tot geloof komen van de Korintiërs aan toe te voegen en zo af te sluiten. Pas hierna komt de inhoud van de verkondiging, die de verzen 3-10 beslaat, of in ieder geval 3-8 – de autobiografische opmerkingen van Paulus kunnen logischerwijs niet horen bij wat hij ontvangen heeft, maar zijn persoonlijke ervaringen en getuigenis maken zeer zeker wel deel uit van zijn eigen verkondiging. Paulus schrijft ook hier pregnant en duidelijk gestructureerd: drie keer begint een zinsdeel met hoti (= dat; 15,3.4.5), en daarna volgt een serie gebeurtenissen die door de opeenvolging van epeita (= vervolgens; 15,6.7) en eschaton (= op het laatst; 15,8) gestructureerd is en uitloopt op de climax van Paulus’ roeping. Deze krijgt hierdoor zowel een authenticering als een inhoudelijke verbinding met de verrijzenis – het thema waarop Paulus voorbereidt en wel in samenhang met zijn verkondiging.

Paulus’ verkondiging verantwoord

Paulus verantwoordt zijn boodschap van de verrijzenis op een aantal manieren. Enerzijds stelt hij zichzelf in een traditie van verkondiging. Dit doet hij in vers 3, waar hij vermeldt dat hij verkondigt wat hij zelf ook ontvangen heeft. Van wie hij het ontvangen heeft, zegt hij er hier niet bij. Het is mogelijk dat Paulus hier een directe goddelijke openbaring bedoelt, zoals hij die in vers 8 noemt; maar het lijkt meer voor de hand te liggen – vooral ook omdat Paulus een analogie ziet tussen zijn ontvangen en het ontvangen van de Korintiërs – dat het hier gaat om de catechese die Paulus zelf ontvangen heeft na zijn roeping dan wel bekering.

Een soortgelijke connectie verschijnt ook in de verzen 5-8, waar Paulus zichzelf anderzijds een plaats geeft – de laatste – in een serie opstandingsgetuigen. Dit verbindt Paulus’ verkondiging op twee manieren met een groep van betrouwbare andere getuigen en dragers van deze traditie, wat het gezag van zijn boodschap versterkt.

De verzen 9-10 hebben ten slotte eenzelfde functie, maar deze keer niet op grond van het gezag van mensen, maar van Gods ingrijpen in Paulus’ leven. De ommekeer van Paulus en zijn inzet – uit genade – als apostel van het evangelie borgt ook voor de authenticiteit ervan.

‘Christus ten derden dagen verrezen volgens de Schriften’

Het centrum van dit hele web van verbindingen wordt gevormd door de eigenlijke traditie, het evangelie dat Paulus doorgeeft: dat Christus gestorven is voor onze zonden volgens de Schriften, dat hij begraven is en ten derden dage is verrezen, eveneens volgens de Schriften (15,3-4). De daaropvolgende opsomming van verschijningen (15,5-8) dient ter onderbouwing van de uitspraak over de verrijzenis. De begrafenis van Christus krijgt de minste nadruk in de kern van deze verkondiging en kan een verdere bepaling zijn bij het sterven van Christus: alleen iemand die werkelijk gestorven is, belandt ook in een graf.

Christus’ sterven voor anderen en wel volgens de Schriften gaat waarschijnlijk terug op opvattingen over de ‘edele dood’, een dood ten behoeve van anderen, die binnen joodse kringen ook geassocieerd is geraakt met de dood van martelaren voor het joodse volk die tot zondenvergeving bijdroeg. De gedachte van een zoenoffer – zonder meer ook een nieuwtestamentische gedachte – is hier in ieder geval niet expliciet aan de orde. De verrijzenis ten derden dage volgens de Schriften neemt een motief uit de profetische literatuur op, waarin Gods ingrijpen op de derde dag de verlossing bewerkstelligt – wanneer de nood het hoogst gestegen is. Met betrekking tot de dood en verrijzenis van Christus moet deze tijdsafbakening niet in de eerste plaats streng chronologisch gelezen worden, maar vooral in relatie tot deze traditie omtrent Gods ingrijpen.

De prediking in de Paastijd kan natuurlijk op verschillende manieren uit deze rijke tekst putten. Wellicht zou het een interessante optie zijn om in te gaan op de manier waarop Paulus de dood en verrijzenis van Christus ter sprake brengt. Hij doet dit namelijk op een manier die de verrijzenis tot bestaansgrond van zichzelf en van de Korintiërs laat worden. Het is meer dan een ‘wonder’ in de zin van een uitzondering op het functioneren van de wetten der natuur; het is veeleer de openbaring van de werkelijke structuur van de werkelijkheid. Dat de verrijzenis dit karakter van dragende grond heeft, blijkt uit Paulus’ formulering in vers 1, waar hij over de Korintiërs zegt dat ze in het evangelie – en wel dat van de dood en verrijzenis van Christus – ‘staan’, en eveneens uit zijn zelfbeschrijving in de verzen 8-10, waar de ontmoeting met de verrezen Heer het nieuwe uitgangspunt van Paulus’ leven wordt.

< Terug