< Terug

De voltooiing en de komst van de Mensenzoon

Bij Jesaja 48,1-11 en Matteüs 24,15-28

De eerste christengemeenschappen leven in woelige tijden. De zogenaamde Pax Romana is een vrede gebaseerd op oorlog en geweld, en Romeinse onderdrukking van elk verzet. Voor het Joodse volk betekent dit, met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel, ook de vernietiging van alles wat voor hen heilig is. In dergelijke tijden zoeken mensen houvast. Voor christenen ligt er hoop op een toekomst, ondanks alle verschrikkingen van het heden, verscholen in de komst van Jezus.

Het optreden van Jezus (in het verleden) functioneert ook als een soort garantie van betere tijden. Deze hoop is geschetst in taal en beelden die nauw verweven zijn met de joodse traditie, en tegelijk recht doen aan de harde werkelijkheid waarmee mensen geconfronteerd worden.

De gruwel der verwoesting

De cryptische omschrijving van een gruwel die verwoest, die zichtbaar is op de heilige plaats (Matteüs 24,15), verwijst wellicht naar de vernietiging van de tempel en Jeruzalem. De uitdrukking is ontleend aan Daniël 9,27, een apocalyptische tekst waarin met deze uitdrukking vermoedelijk verwezen wordt naar de ontheiliging van de tempel door Antiochus IV, die er op een altaar voor Zeus varkens liet offeren. Het zien van die verwoesting brengende gruwel is een signaal om te vluchten zonder dralen. Gruwelijk in al hun eenvoud zijn de verschrikkingen zoals er nooit geweest zijn: een poging om nog snel spullen of een mantel te halen kan al fataal zijn. Het kan tevens op het meest ongelukkige moment gebeuren: tijdens de winter, op sabbat, wanneer je zwanger bent of met een zuigeling zit. Het zijn schrikwekkende beelden die uit het leven gegrepen zijn. Tegelijk daagt er ook hoop: zulke verschrikkingen zullen er niet meer komen, en de tijd zal worden verkort zodat er mensen gered zullen worden (Matteüs 24,22; vgl. Daniël 12,1: het volk zal in die tijd gered worden).

De ondergang van de tempel aangekondigd

De duiding van Jezus, de verwoesting van Jeruzalem en de tempel, de voltooiing van de wereld en Jezus’ komst als Mensenzoon zijn bij Matteüs nauw verweven. De feitelijke verwoesting van stad en tempel zijn het logische gevolg van de houding van het volk in het verleden en heden, en werkt als een soort garantie dat ook de uitspraken over de komst van de Mensenzoon en de voltooiing van de wereld betrouwbaar zullen zijn. Matteüs laat Jezus de ondergang van Jeruzalem aankondigen (Matteüs 24,1-2) aan het einde van de wee-roepen tegen de schriftgeleerden en farizeeën (Matteüs 23,13-36). Telkens opnieuw heeft God profeten gestuurd, maar zij werden gedood. Christenen herkennen dit patroon ook in het levensverhaal van Jezus, die door God gezonden is maar desondanks gekruisigd wordt. Het is in de huidige generatie dat het onschuldige bloed aangerekend zal worden (23,34-38). Geen steen van de tempel zal op de andere blijven (Matteüs 24,1-2). Deze visie verbindt de evangelist met de idee van Gods uiteindelijke tussenkomst in de geschiedenis. De vernietiging van Jeruzalem wordt zo onderdeel van de tekenen dat de voltooiing van de wereldtijd op komst is.

De vraag om een teken

De leerlingen vragen wanneer dat allemaal zal gebeuren, en aan welk teken zij de komst van Jezus en de voltooiing van de wereld zullen kunnen herkennen (Matteüs 24,3). De vraag om een teken is een ambigu gegeven. Tekenen functioneren als geruststelling, bemoediging dat het God is die hier aan het werk is. Zo’n teken is enkel een bewijs voor wie bereid is zich eraan toe te vertrouwen: zie bijvoorbeeld het roepingsverhaal van Gideon (Richteren 6,1-7vv.). Enerzijds is het vanzelfsprekend dat dergelijke tekens gegeven en/of gevraagd worden (zie bijv. 2 Koningen 20,8-11), maar anderzijds kan het vragen van een teken ook opgevat worden als God beproeven (bijv. Jesaja 7,12), en is zelfs bij een teken dat uitkomt, uiteindelijk de blijvende gerichtheid op God het criterium of een profeet wel degelijk door God gezonden is (Deuteronomium 13,2-4).

Jezus weigerde eerder in te gaan op de vraag van de farizeeën en sadduceeën om een teken, waarmee zij Hem op de proef wilden stellen: aan de lucht kunnen de farizeeën interpreteren wat voor weer het wordt, maar de tekenen van de tijd herkennen ze niet? Geen ander teken dan dat van Jona (de verrijzenis) krijgen zij (Matteüs 16,1-4). De leerlingen krijgen echter wel antwoord, hoewel ook zij aangespoord worden om de tekenen van de tijd even vanzelfsprekend te lezen als de tekenen uit de natuur (de uitbottende vijgenboom, Matteüs 24,32). Bovendien worden de leerlingen gewaarschuwd voor valse profeten en messiassen, die ook indrukwekkende tekenen kunnen voorleggen, maar misleiden.

Door God aangekondigde gebeurtenissen komen uit

Jezus’ woorden hebben grote zeggingskracht, wat hier versterkt wordt doordat de waarschuwing vooraf gegeven is (Matteüs 24,24-25). De combinatie van het aankondigen van gebeurtenissen en het uitkomen ervan is méér dan een teken van betrouwbaarheid van de profetische uitspraken. Het toont aan dat het God is die hier aan het werk is, omdat God aankondigt wat nog te gebeuren staat, en het onverwacht ook tot stand brengt, net zoals in Jesaja 48,3.5. De wijze waarop dit gebeurt, zorgt ervoor dat mensen het belang ervan niet kunnen ontkennen of het aan andere goden toeschrijven (Jesaja 48,5.7). Bij Matteüs roept het beeld van de bliksemschicht eveneens het onverwachte op van de tegelijk hemelsbreed zichtbare komst van de Mensenzoon (Matteüs 24,27).

< Terug