< Terug

De wet in het hart en naar iedereen

Bij Jeremia 31,31-34 en Johannes 12,20-33

In de twee bijbelgedeelten voor deze zondag zien we twee bewegingen: één naar binnen en één naar buiten. Deze bewegingen zijn niet zozeer tegengesteld, als wel complementair. De beweging naar binnen en die naar buiten vinden elkaar in het midden: in de liefde voor God.

In de perikoop uit Jeremia is een hartstochtelijke God aan het woord. Een God die liefde wil van zijn geliefde volk, een God die probeert zijn eigen liefde beantwoord te krijgen. Deze liefde wordt met prachtige beelden beschreven. In de dagen van de uittocht uit Egypte ging het volk hand in hand met God (Jeremia 31,32). God gaf het volk daarna zijn wet, op de berg Sinai. Hij was met zijn volk getrouwd (Hebr.: ba‘al = huwen, meester/eigenaar zijn – Jeremia 31,32), maar dat leverde geen liefde op. De liefde verdween, het volk was Hem ontrouw. Daarom wil God het nu over een andere boeg gooien. Niet meer een wet die in steen is gegrift, maar een wet die in het binnenste en in de harten van zijn volk is gegrift (Jeremia 31,33). De wet komt niet meer van buiten, zodat hij afgewezen of genegeerd kan worden, maar wordt binnen in de mensen gelegd. In hun binnenste (Hebr.: qèrèbh = de zetel van de gedachten en emoties) en in hun hart (Hebr.: leebh), het oriëntatiecentrum van de mens, dat vertelt waarop de mens zich richt.1

De wet kennen is God kennen

Als de wet in de mensen verankerd is, is het verinnerlijken van de wet niet meer nodig. Niemand hoeft meer iets uit te leggen over de wet, er hoeft niet meer gepraat te worden over de juiste interpretatie, er is geen onderwijzing meer nodig: iedereen kent God dan (Jeremia 31,34). Wat hier opvalt is dat God vrijwel geheel samenvalt met zijn wet. Je kunt God kennen door de wet te kennen, en de wet ken je door het verbond dat God met zijn volk heeft gesloten. De wet beweegt zich dus van buiten naar binnen en daarmee wordt de kennis van de wet tot liefde voor God. De wet die van buitenaf komt kan worden afgewezen en daarmee kan het verbond verbroken worden. Dit is bij het nieuwe verbond onmogelijk geworden. Doordat het volk God dan liefheeft, zal het de wet ook met liefde doen.

Van binnen naar buiten

In het tekstgedeelte uit het Johannesevangelie vindt er een andere beweging plaats: van binnen naar buiten. Het gaat hier om een beweging van Jezus met zijn beperkte groep leer lingen naar ‘de hele wereld’ (Johannes 12,19), naar ‘iedereen’ (Johannes 12,32). De perikoop vóór ons tekstgedeelte wordt afgesloten met een opmerking van de farizeeën, die zeggen: ‘De hele wereld loopt achter Hem aan’ (Johannes 12,19). Dat lijkt enigszins overdreven, maar meteen daarna duiken er Grieken op: Griekse niet- Joden, die blijkbaar in het joodse geloof geïnteresseerd waren. Zij willen Jezus zien, ofwel ze willen Hem leren kennen. De Grieken melden zich met deze vraag bij Filippus, die vervolgens naar Andreas gaat (Johannes 12,20-22).

Missionair

Er wordt wel gesuggereerd dat Filippus en Andreas worden genoemd omdat zij de meest Griekse namen hebben van de leerlingen van Jezus. Was het daarom gemakkelijker om met hen in contact te komen? Maar misschien is er iets fundamentelers aan de hand. Als je kijkt naar de rol van Filippus en Andreas in het Johannesevangelie, dan valt op dat zij beiden in slechts twee andere bijbelgedeelten een belangrijke rol spelen. Bij de roeping van de leerlingen in Johannes 1 zijn zij beiden actief bezig om andere leerlingen te roepen (Johannes 1,40-42a; 1,43-46). Ook zijn zij met name betrokken bij het wonder van de vermenigvuldiging van brood en vis (Johannes 6,5-9). Je zou kunnen zeggen dat deze twee leerlingen zich bezighouden met missionaire activiteiten: het vertellen aan anderen over Jezus en het delen van brood en vis, waarbij er meer dan genoeg is voor iedereen. En nu staan zij centraal bij het contact met de Grieken.

De tijd is gekomen

Voor Jezus is de komst van de Grieken het teken dat zijn tijd (Gr.: hoora) gekomen is (Johannes 12,23). De Grieken kondigen de toestroom van alle volken aan, die het resultaat zal zijn van de zich nog te voltrekken gebeurtenissen. In Kana was zijn tijd nog niet gekomen, daar waren nog geen niet-Joden bij betrokken (2,4). Maar nu wel. Het gaat beginnen: de Mensenzoon zal tot majesteit worden verheven.
Voor Johannes ligt in het sterven van Jezus meteen ook zijn verhoging. Door het sterven van de graankorrel wordt deze een korenaar die veel vrucht draagt (Johannes 12,24). Johannes kent geen eschatologie. Het oordeel van God voltrekt zich in het sterven van Jezus aan het kruis (Johannes 12,31). Daar komt het erop aan: geloof je het, of niet? Volg je Jezus en dien je Hem, of niet? Heb je je leven lief en verlies je daarmee alles, of neem je afstand van aardse zekerheden en word je daarmee behouden voor het eeuwige leven (Johannes 12,25-26)?

In ons tekstgedeelte is het cruciale moment van het oordeel al duidelijk als de stem van God klinkt (Johannes 12,28-29). Die stem is voor het volk bedoeld, maar niemand hoort precies wat er gezegd wordt. Het geloof is nog ver te zoeken. De belangrijkste keuzes zijn nog niet gemaakt. De Grieken zijn inmiddels verdwenen en opgegaan in ‘het volk’. Ze hebben hun doel gediend.
De beweging gaat naar buiten, de wereld in. Maar deze beweging kan alleen worden gemaakt vanuit een innerlijke houding: vanuit de liefde voor God. Die door God zelf in de harten van de mensen is geschreven.

Bij Jeremia 31:31-34 en Johannes 12:20-33

< Terug