< Terug

De zaak is het waard

Een nummer over case studies – wat heeft dat nu uiteindelijk gebracht? Case studies zijn een specifieke methode waarmee kwalitatief onderzoek gedaan wordt. Dit soort onderzoek vraagt onze aandacht voor de concrete werkelijkheid, voor het gemarginaliseerde, voor de persoon van de onderzoeker, en voor de samenwerking tussen onderzoeker en degenen om wie het onderzoek draait. Wat in dit nummer voor het voetlicht is gehaald, betreft al deze aspecten.

Körver en Walton hebben in hun artikel een overzicht geboden van het grote Case Studies Project (CSP). Gestart in 2016 is het nu ongeveer halverwege – nog onvoldoende dus om een afgerond beeld te geven van de resultaten. Maar het mooie van zo’n tussenstand is dat het alvast aanleiding biedt tot een aantal voorlopige observaties.

Een eigen, uniek leerproces

Een ervan viel mij bij het lezen sterk op, en dat betreft de term ‘onderzoeksgemeenschap’. De auteurs gebruiken dit woord als samentrekking van ‘leergemeenschap’ en ‘onderzoeksgroep’, en laten zien hoe zulke onderzoeksgemeenschappen zijn samengesteld en functioneren.

Dat intrigeert op twee manieren. Allereerst is er klaarblijkelijk sprake van een gemeenschap. Dat gaat verder dan alleen incidentele contacten ten bate van onderzoeksresultaten en -publicaties. Het is een manier van samenwerken tussen professionals uit het werkveld en onderzoekers die leidt tot co-creatie van kennis. De manier van samenwerken krijgt gezicht door de beschrijvingen van de gezamenlijke werkwijze om tot reflectie over het werk van de geestelijk verzorgers te komen. Nadrukkelijk is de bedoeling om de gemeenschap zodanig in te richten dat er ook gewerkt wordt aan het bevorderen van inzichten bij zowel onderzoekers als professionals in het werkveld. De veiligheid die noodzakelijk is voor dit leerproces wordt bewust gecreëerd en onderwerp van gesprek gemaakt.

Daarbij blijken beelden over wat de grenzen tussen onderzoek en professionele inzet vloeiender dan vooraf gedacht. De tacit knowledge van de practitioner krijgt de kans tot articulatie te komen, zonder dat de hiervoor noodzakelijke reflectie tot een onprettige vorm van beoordeling leidt. In die zin is het CSP inderdaad op zichzelf ook weer een casus, zoals Niels den Toom, Sjaak Körver en Martin Walton stellen.

Waar soms onzekerheid of weerstand bij practitioners bestaat tegen de rol van onderzoeker, blijkt dat ‘de verhouding tussen onderzoek en geestelijke verzorging veel genuanceerder en dynamischer is dan vaak betoogd wordt vanuit a priori overtuigingen voor of tegen onderzoek’. De onderzoeksgemeenschap blijkt dus in zichzelf ook een eigen, uniek leerproces te bevorderen dat niet te reduceren valt tot een vorm van supervisie of intervisie. De onderzoeksrol van de practitioners levert een unieke eigen bijdrage aan de inzichten in en reflectie op de praktijk van de geestelijke verzorging.

In kritische zin blijft nog onbeslist wat nu precies de waarde van case studies is. In veel beroepsgroepen (medici, juristen, en in zekere zin ook in de ethiek) zijn gevalstudies bedoeld om bestaande theorieën te nuanceren, kwalificeren of falsificeren. In het artikel van Tamminga wordt aan de hand van Bent Flyvbjerg aangetoond dat dit ook vaak het geval is. Case studies zijn dus zelden losstaande casussen, maar veelal onderdeel van een gaandeweg zich opbouwend repertoire aan kennis en inzicht. Werkelijk losstaande casussen zijn namelijk wel mooi maar zelden leerzaam. Hoe het verzamelen van gevalstudies binnen bijvoorbeeld het CSP tot accumulatie van kennis leidt, is nog onbeantwoord en een belangrijke vraag richting de afronding van dit project. Wat leveren al deze casussen nu aan leerwinst voor de beroepsgroep op?

Transformatie van binnenuit

Het tweede dat intrigeert aan deze onderzoeksgemeenschappen is dat zij transformatie van binnenuit bevorderen. De onderzoeksliteratuur over case studies stelt dat de onderlinge vergelijkbaarheid van de case studies vergroot wordt door het vaste format en de vaste structuur voor de reflectie.

’Want hoewel elke case uniek is en zeer gedetailleerd een situatie van geestelijke verzorging beschrijft, kan door vergelijking helder worden welke case een good practice weergeeft die illustratief is voor het beroep en kunnen criteria voor en werkzame elementen van veelbelovende interventies worden geïdentificeerd’, zo stellen Körver en Walton.

De samenwerking tussen practitioners en onderzoekers leidt – als ik de beschrijvingen mag geloven – tot een vrijwel onmiddellijke valorisatie van wetenschappelijke kennis: je kunt er in de praktijk direct wat mee en het biedt kansen tot verbetering van de praxis.

Waar ik benieuwd naar ben is een vorm van zelfkritiek: is dit echt het ei van Columbus?

Waar ik benieuwd naar ben is een vorm van zelfkritiek, die wellicht in de tweede helft van het CSP nog geformuleerd kan worden. Zijn dit soort onderzoeksgemeenschappen werkelijk het ei van Columbus? Dat is een vraag die eveneens uitstaat richting de eindevaluatie van het CSP. Hoe worden de professionele problemen door het opstellen van theoretische regels aan de hand van specifieke casussen beschreven, zodat deze regels vervolgens weer kunnen worden toegepast op nieuwe casussen?

Het leerproces van het CSP intrigeert, omdat het suggereert dat er zo wetenschappelijke en professionele kennis wordt opgedaan. Dat dit niet automatisch gegeven is met het beschrijven van allerlei casussen spreekt vanzelf, en naar de afronding toe zal dat duidelijk moeten worden.

Rijke onderwijsvorm

De indruk dat gevalstudies onmisbaar zijn, wordt versterkt door het eerste artikel van Körver over de rol van case studies in de opleiding tot geestelijk verzorger. Daarin stelt hij allereerst dat case studies ‘geen didactische toverformule’ zijn. Maar aan het slot blijkt het wel een uiterst rijke onderwijsvorm waarin de verbinding tussen theorie en praktijk ingeoefend wordt, en bovendien de practitioner op een zeer adequate manier wordt toegerust voor het werken in de laatmoderne context van zowel de practitioner zelf als de professionele omgeving.

Misschien zijn case studies, als onderdeel van het bredere spectrum aan kwalitatieve onderzoeksmethoden, inderdaad wel bij uitstek geschikt voor het leren en werken in een fluïde wereld als de onze. Het geeft te denken dat niet alleen in de opleiding tot geestelijk verzorger, maar in de bredere onderwijscontext van de (praktische) theologie het werken in en vanuit de praktijk nadrukkelijk gethematiseerd wordt. Ik denk hierbij onder meer aan de recente inleiding in de praktische theologie van Pete Ward (2017).

Een andere indicatie hiervoor ligt in de waardering van de praktisch-theoloog als actieonderzoeker. Dat is allerminst hetzelfde als case study-onderzoek, maar werkt voor een groot deel wel vanuit dezelfde overtuigingen als de onderzoeksgemeenschappen waarover Walton en Körver en anderen in dit nummer schreven (Cameron 2010; Swinton en Mowat 2006). In een evaluerend artikel van deze methode stelt praktisch theoloog Elaine Graham dat deze methode gebruik maakt van ‘research methods and strategies of interpretation that enable the researcher and researched alike to reach a deeper understanding of the meanings implicit in practice’ (Graham 2013, 156). De vraag is of in de casusbeschrijvingen en analyses binnen het CSP ook naar dit niveau van begrip en betekenis voldoende wordt afgestoken.

Komen tot ‘wijsheid’

Een van de noodzakelijke voorwaarden voor het vruchtbaar functioneren van onderzoeksgemeenschappen lijkt mij dat nog explicieter wordt aangegeven wat doel en noodzaak van zulke gemeenschappen zijn. Behalve het vergroten van inzicht in de professionele praktijk – van geestelijk verzorgers, maar wellicht ook andere professionals, zoals pastores binnen een expliciet kerkelijke context – en het versterken van de skills en de habitus van de practitioner, lijkt mij een van de centrale vragen die naar het welbevinden van de cliënten of (mutatis mutandis) de gelovigen.

Een van de gevaren die ik signaleer in de context van mijn eigen opleidingsinstituut van predikanten is dat er in toenemende mate terecht aandacht is voor de professional zelf. Haar of zijn spirituele biografie, het inzicht in de manier waarop deze doorwerkt in het praktijkwerk, de mate waarin zij in staat is recht te doen aan diverse wensen en verlangens – het komt allemaal aan bod. Maar de reflexiviteit en bewustwording staat daarmee soms ongemerkt de aandacht voor de wensen en verwachtingen van de ander toch in de weg.

Het is daarom onvermijdelijk dat in zo’n onderzoeksgemeenschap de vraag naar de eigen normativiteit en visie op het goede leven van cliënt/gelovige en practitioner niet ongesteld of onbeantwoord blijft.

Een narratief van het eigen geloof waarin geen expliciete ruimte blijkt voor differentiatie en verschil, zal het moeilijk krijgen om het andere van de ander niet als een te bestrijden tegenover te aanvaarden. Tegelijk is ook helder dat een narratief van het eigen geloof dat geen duidelijke eigen overtuiging heeft, evenmin in staat is de ander werkelijk recht te doen.

De practitioner dient zich bewust te zijn van de eigen visie op het goede leven, en vervolgens het benodigde onderscheidingsvermogen en de wijsheid moeten verzamelen om zich bewust te zijn van hun eigen theological attentiveness, zoals dit ook wel wordt genoemd (McGrath 2012).

Dat het daarbij aankomt op het verkrijgen van wijsheid zal geen verrassing heten. De opleving van aandacht voor dit bijbelse begrip en de daarbij behorende attitude, kan verrijkend zijn om de didactische leerwinst van het verzamelen van case studies te verzilveren.

Zo betoogt ook Kathleen Cahalan met een beroep op de al genoemde Bent Flyvbjerg: ‘As Bent Flyvbjerg, an economic geographer who teaches development and planning, notes, “Common to all experts is that they operate on the basis of intimate knowledge of several thousand concrete cases in their areas of expertise.” In a sense, practical wisdom is a storehouse where accumulated narratives, insights, information, and comparisons are gathered’ (Cahalan 2016, 276). Dit is wat Elaine Graham noemt: ‘schooling people in the well-springs of tradition from which practical wisdom flows’ (Graham 2013, 178).

Maar hoe brengen deze narratives nu methodisch de practitioner werkelijk verder? Is het proces om te komen tot ‘wijsheid’ op de een of andere manier nauwkeuriger te verwoorden?

Tamminga stelt met Flyvbjerg dat case studies ons dichter bij de complexiteit van de werkelijkheid brengen dan andere, reductionistische vormen van sociale wetenschap. Dat heeft te maken met hun narratieve, contextuele kennis die daadwerkelijk impact heeft op mensen.

Tamminga werkt daarbij het Wittgensteiniaanse beeld van de leermeester als gids uit, zoals dat in de praktische theologie via Gerkin een belangrijke plaats heeft gekregen. Ook hier geldt dat een gids, geleerd hebbend van allerlei cases, in staat is anderen een weg te wijzen vanwege haar of zijn wijsheid. Niet dat zij of hij deze wijsheid ooit in pacht heeft – dat zou juist onwijsheid verraden. Case studies zijn, aldus Stefan Gärtner in het openingsartikel, in de ontwikkeling van practitioners van groot belang. Didactisch blijken case studies daarom een uiterst waardevol leermiddel om te komen tot een ‘pakhuis’ vol bereflecteerde ervaringen (Cahalan). Maar het lijkt nog niet zo gemakkelijk om ervoor te zorgen dat case studies niet slechts tot een verdubbeling van de werkelijkheid leiden, maar ook concreet de vakmethodiek van practitioners versterkt.

Aandacht voor case studies in onderzoek en onderwijs is de moeite waard, en dit nummer laat overtuigend zien waarom. Zowel de pluriforme (levensbeschouwelijke) context, als de complexiteit van zingeving zelf, als de noodzakelijke reflexieve houding van de practitioner worden door gebruikmaking van case studies zorgvuldig en evenwichtig in beeld gebracht.

Tegelijk is het nog een opgave de leerwinsten hiervan methodisch en systematisch te verantwoorden. Dat is juist van belang om recht te doen aan de werkelijkheid. Want uiteindelijk gaat het erom dat de zaak (case) waarom het gaat, recht gedaan wordt. Case studies? Ja, want de zaak is het waard!

Literatuur

Cahalan, K.A. (2016). Spiritual Practices and the Search for a Wisdom Epistemology. In: Christian Practical Wisdom: What It Is, Why It Matters, onder redactie van Dorothy C. Bass, Kathleen A. Cahalan, Bonnie J. Miller-McLemore, James R. Nieman, en Christian Scharen, 275-321. Grand Rapids: Eerdmans.

Cameron, H. (2010). Talking about God in Practice: Theological Action Research and Practical Theology. London: SCM Press.

Graham, E. (2013). Is Practical Theology a Form of ‘Action Research’? International Journal of Practical Theology 17 (1), 148-78.

McGrath, A.E. (2012). The Cultivation of Theological Vision: Theological Attentiveness and the Practice of Ministry. In: Perspectives on Ecclesiology and Ethnography, 107-23. Studies in Ecclesiology and Ethnography. Grand Rapids: Eerdmans.

Swinton, J., & Mowat, H. (2006). Practical Theology and Qalitative Research. London: SCM Press.

Ward, P. (2017). Introducing Practical Theology: Mission, Ministry, and the Life of the Church. Grand Rapids: Baker Academic.

Hans (Prof.dr. J.H.F.) Schaeffer is hoogleraar Praktische theologie aan de Theologische Universiteit Kampen.

< Terug