< Terug

Deugen de meeste mensen?

Een reactie op Bregman vanuit de vredesbeweging

De zinsnede ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ is bij Kerk en Vrede uiteraard ook bekend en bediscussieerd. En dat al heel lang… Hoe beoordeelt men vanuit die hoek het boek van Bregman…?

Mw. drs. M.E. Witte-Rang is gepensioneerd theologe en secretaris van de Theologische Werkgroep van Kerk en Vrede.

Welke bijdrage levert het denken van Bregman aan het kerkelijk vredeswerk? Graag een reactie ‘vanuit Kerk en Vrede’. Die vraag van de redactie kwam op het moment dat de Theologische Werkgroep van Kerk en Vrede net besloten had het boek te gaan bespreken. Het Coronavirus maakte een samenkomst echter onmogelijk. Uit de vervangende mailwisseling bleek dat onze reacties op het boek uiteen liepen; het gesprek zal later worden voortgezet. Het onderstaande is dus geen reactie ‘van’, maar (inderdaad) ‘vanuit’ Kerk en Vrede; wel is gepoogd opmerkingen uit de werkgroep te verwerken.

Pacifisme en mensbeeld

‘Jullie denken veel te positief over de mens.’ Dat verwijt horen leden van Kerk en Vrede regelmatig. De vereniging werd in 1924 opgericht door een groep predikanten die zich christenpacifisten of christen-antimilitaristen noemden, en die, zoals professor G.J. Heering, één van de oprichters, het zei, erop uit waren ‘het Christendom los te slaan van de oorlogsidee’. Want de steun van christenen en kerken aan oorlogsvoering en de rechtvaardiging daarvan verloochenen het evangelie.

De gebrokenheid van de wereld mag niet de christelijke opdracht dooddrukken

Maar oorlog uitbannen is onmogelijk, was het verwijt, wij zijn immers, zoals de Heidelbergse catechismus zegt ‘ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’. Oorlog hoort er voor de mens bij, die ban je niet uit. Ds. Krijn Strijd, ooit studiesecretaris van Kerk en Vrede, schreef in 1965, in het boekje 52 vragen over oorlog en vrede, dat het zo merkwaardig is dat veel mensen die dit pessimistische mensbeeld omarmen, plotseling heel optimistisch zijn als het gaat om de mogelijkheden van de mens om verantwoord om te gaan met de meest vreselijke wapens. Maar de gebrokenheid van de wereld (kijk alleen al naar het geweld van twee wereldoorlogen), zo schreef Strijd, mag niet de christelijke opdracht ‘dooddrukken’. Die gebrokenheid weerhoudt ons toch ook niet van verzet tegen slavernij en racisme? Waarom zou die dan wél het verzet tegen het gebruik van geweld onmogelijk maken? Bregman vermoedt dat het uit gemakzucht is dat gesproken wordt over de verdorvenheid van de mens. Die verdorven natuur zou ons vrijpleiten: ‘Als de meeste mensen niet deugen, dan hebben verzet en engagement ook niet veel zin’ (218). Het punt is echter, zoals Strijd laat zien, dat het mensbeeld niet consequent gebruikt wordt en dat daardoor serieuze bezinning uitblijft. De econoom en oecumenicus Harry de Lange wees mensen die zich ‘beriepen’ op die ‘onbekwaamheid tot enig goed’ er altijd op dat de beaming daarvan (‘Ja’) gevolgd wordt door een komma en niet door een punt. Na die komma staat: ‘tenzij dan dat wij door de Geest Gods wedergeboren worden’. Er bestaat zoiets als bekering, omkeer. En dan gaat er een nieuwe wereld open!

Hinken op twee benen

Bregman ondersteunt dat laatste in zijn boek. Je zou kunnen zeggen dat zijn beeld dat een mens twee benen heeft en dat het er op aankomt welk van die twee getraind wordt, een wat gebrekkige seculiere vertaling van het antwoord van de catechismus is. Gebrekkig, omdat een mens met een getraind en een zwak been niet best zal kunnen lopen. Maar waarom dan die titel ‘De meeste mensen deugen’? Het beeld van de twee benen suggereert dat we training nodig hebben om dat te doen waartoe we in principe in staat zijn.

Bregman hanteert een optimistisch mensbeeld met zegenrijke effecten

De vredesbeweging beaamt dat hartgrondig. Kerk en Vrede heeft altijd het belang benadrukt van het onderzoeken en oefenen van vormen van geweldloos verzet en geweldloze conflictoplossing. Want wat je niet leert, kun je niet in de praktijk brengen. Als je in plaats daarvan het gebruik van geweld oefent, zal het geweld de overhand krijgen. Immers: wie als enige gereedschap een hamer heeft, zal in ieder probleem een spijker zien. Het komt erop aan te beschikken over diverser en beter gereedschap. Als de meeste mensen deugen, zou dat impliceren dat de meeste mensen inderdaad getraind zijn in het versterken van het goede been. Maar dat is niet wat het boek betoogt. Bregman is vooral bezig te bewijzen dat de ‘meeste mensen’ een intrinsieke geneigdheid tot het goede hebben (wat iets anders is dan erin getraind zijn). Daarvoor geeft hij talloze voorbeelden van situaties waarin mensen, in tegenstelling tot wat vaak verwacht wordt, voor het goede kozen. In die zin hinkt het boek op twee gedachten, en wellicht verklaart dat de uiteenlopende reacties.

Enthousiasme

Het boek is een bestseller. Ongetwijfeld werkt de titel daaraan mee: een positieve boodschap is aantrekkelijk. De titel ‘de mens: geneigd tot alle kwaad’ verkoopt niet. Maar dat zegt weinig over de inhoud. Er zijn ook positieve reacties die uit andere motieven voortkomen. Bregman hanteert een optimistisch mensbeeld en ziet daarvan zegenrijke effecten bij concrete initiatieven in bijvoorbeeld de zorg en het gevangeniswezen. Wanneer die werken met een positieve verwachting van waartoe mensen in staat zijn, werpt dat vruchten af. Niet inzetten op controleren en straffen, maar nietcomplementair gedrag vertonen. Dat wil zeggen: niet het gedrag van de ander spiegelen, maar verrassend optreden, ruimte en keuzen bieden, zoals Jezus dat doet met het aanbieden van de andere wang. De tien leefregels die Bregman aan het eind van zijn boek geeft, gaan vooral daarover.

De zonde van de traagheid: weigeren zich te informeren en dieper na te denken

Deze benadering is de vredesbeweging goed bekend. In veel boeken over geweldloze weerbaarheid en conflictoplossing is het juist die niet-complementaire benadering die centraal staat. Met één essentieel verschil: dat gebeurt niet op basis van de aanname dat ‘de meeste mensen deugen’, maar uit de diepe overtuiging dat geweld geen oplossingen biedt maar juist problemen creëert én uit eerbied voor de mens. Eerbied óók voor de mens die níet deugt. Ook voor de vijand. De reeds genoemde Krijn Strijd was diep doordrongen van de macht van de zonde, en juist dáárom schreef hij een indrukwekkend boek over geweldloze weerbaarheid, als ‘een nieuw model van verzet tegen onrecht’. Het bevat vele voorbeelden uit de praktijk waarin zaken als democratie en gerechtigheid geen verre idealen zijn (zoals in de oorlog), maar onderdeel van de middelen en strategie van de strijd voor een betere wereld.

Leerzaam, maar dan anders

Bregman geeft in zijn boek inspirerende praktijkvoorbeelden. De conclusies die hij eraan verbindt, gaan in één richting: de meeste mensen deugen. Hoe in de oorlog vijandige militairen uit de loopgraven kwamen en samen kerst vierden en met moeite weer aan het vechten gezet konden worden. Dat militairen geleerd moet worden om mensen te doden, omdat ze daartegen van nature een weerstand hebben. Dat zijn inderdaad belangrijke observaties. Maar niet omdat ze ons laten zien dat ‘de meeste mensen deugen’. Want die militairen lieten zich wel degelijk terugsturen de loopgraven in, ondanks het feit dat, zoals Bregman stelt, vriendelijkheid een wezenskenmerk van de mens is (‘homo puppy’). Wat baat het hun slachtoffers dat ze daarbij tegenzin moesten overwinnen? En wat te doen met die situaties waarin die tegenzin ver te zoeken is? Is Bregman niet te oppervlakkig over het kwaad? Niet voor niets spreken we ook over de zonde van de traagheid, waarmee veel gedrag van de mens en daarmee ook van het kwaad in de wereld zich laat beschrijven. De weigering zich te informeren, om dieper na te denken. De neiging geen weerstand te bieden, maar met de massa mee te doen. Kortom: nalatigheid op een breed terrein, verzuim.

Waarom gaan mensen, die twee kanten op kúnnen, toch de verkeerde kant op?

Dat lijkt onschuldig, minder erg dan actief het kwade doen. Maar dat is schijn. De effecten zijn even dramatisch. Zo worden vluchtelingen aan hun lot (en de golven) overgelaten, zo wordt Zyklon-B geproduceerd, zo kunnen dictators hun macht uitoefenen, zo worden mensen uitgebuit. Bregman schrijft: ‘De tragiek van oorlog is dat de Homo puppy zich laat inspireren door het beste in de menselijke natuur – loyaliteit, kameraadschap, trouw – om vervolgens ten strijde te trekken’ (295). Alleen door manipulatie is de mens zover te krijgen. Die manipulatie kan slagen, omdat de mens vanwege zijn ‘vriendelijkheid’ zich graag conformeert (216). Maar, als de zaken zó liggen, moeten we dan niet veel kritischer kijken naar die vriendelijkheid, die kameraadschap, die trouw? Ook díe kunnen blijkbaar onderdeel uitmaken van het kwaad. We krijgen geen betere wereld door te verklaren dat mensen deugen, maar door te onderzoeken waarom mensen die twee kanten op kúnnen toch de verkeerde kant op gáán.

Maatschappijstructuren

Dan is het ook zaak om, meer dan Bregman doet, de vinger te leggen bij de maatschappelijke omstandigheden die de context vormen waarin mensen handelen. Die context blijkt doorslaggevend. Een maatschappij die, bijvoorbeeld, in steeds meer sectoren het najagen van het eigenbelang als basis heeft, dwingt mensen in een richting. Wie daarin niet mee wil gaan, zal daarvoor alle zeilen bij moeten zetten: dat is de noodzakelijke training van dat been, waar Bregman over spreekt. Het is bijna onmogelijk geworden om in onze samenleving níet te profiteren van de uitbuiting van mensen elders (en zo medeplichtig te worden aan onrecht). Zeggen dat mensen deugen, zal dat niet veranderen. Integendeel, het gevaar is groot dat die uitspraak mensen in slaap sust: we bedoelen het immers niet slecht! Maar als mensen verleid worden dingen te doen die niet deugen, dan komt het er dus op aan om het verzet te organiseren tegen die mensen en instituties die die verleiding vormgeven. Daarvoor is het nodig dat we, meer dan de leefregels van Bregman aangeven, ons verdiepen in maatschappelijke, politieke en economische structuren en dat we kennis nemen van hoe ánderen ons zien (want meestal vinden we van onszelf dat we wel deugen). Alleen zo is het misschien mogelijk níet te vervallen in het kwaad van de zonde van de traagheid. Een kwaad waartoe de ‘homo puppy’ met zijn vriendelijkheid, conformisme en wantrouwen tegen vreemdelingen, maar al te zeer geneigd is.

< Terug