< Terug

Die gesproken heeft door de profeten

Hoofdstuk 9 uit Wij geloven. Rooms-katholiek en protestant: één geloof.

De geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel uitgelegd door

Bram van de Beek en Herwi Rikhof

Geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel

1. Geïnspireerde tekst

2. Woord van God

3. In de Geest van Christus

4. Geïnspireerde mensen

5. Allegorische lezing

6. Oud en Nieuw als één canon

7. Welke boeken zijn canoniek?

8. De Bijbel: boek van de kerk

9. De Schrift en Jezus

10. Schrift en Traditie

Geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel

Wij geloven in één God, de almachtige Vader,

Schepper van hemel en aarde,

van alle zichtbare en onzichtbare dingen.

En in één HEER, Jezus Christus,

de eniggeboren Zoon van God,

uit de Vader geboren voor alle eeuwen,

Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God,

geboren, niet gemaakt, één van wezen met de Vader, en door wie alle dingen geworden zijn,

die om ons mensen en om ons behoud is nedergedaald uit de hemelen en vlees geworden is uit de Heilige Geest en de maagd Maria en mens geworden is,

die voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is,

en op de derde dag is opgestaan volgens de Schriften,

is opgevaren naar de hemel

en zit aan de rechterhand van de Vader,

en die zal wederkomen in heerlijkheid, om te oordelen levenden en doden,

en zijn rijk zal geen einde hebben.

En in de Heilige Geest,

die HEER is en levend maakt, die uitgaat van de Vader,

die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt,

die gesproken heeft door de profeten.

In één, heilige, katholieke en apostolische kerk.

Wij belijden één doop tot vergeving van zonden.

Wij verwachten de opstanding der doden en het leven van de eeuw die komt.

Amen.

‘Die gesproken heeft door de profeten’

1. Geïnspireerde tekst

Het Symbool zegt over de Heilige Geest: ‘die gesproken heeft door de profeten’. Met ‘de profeten’ wordt het Oude Testament bedoeld. Dit is niet zomaar een tekst, maar geïnspireerd door de Heilige Geest. Hij heeft door middel van de profeten deze zelf gesproken. Daarom is het voor de kerk een canonieke tekst, met goddelijk gezag.

Het is opvallend dat er alleen over het Oude Testament iets gezegd wordt. Dit betekent allerminst dat het Nieuwe Testament niet canoniek en gezaghebbend zou zijn. Eerder is het tegendeel het geval. Dat het Nieuwe Testament geïnspireerd is werd door niemand betwijfeld. Die teksten zijn geschreven door of op gezag van de apostelen, die de Heilige Geest hebben ontvangen en door Jezus persoonlijk geleerd zijn. Het Nieuwe Testament is de basistekst voor het christelijk geloof.

Voor het Oude Testament lag dat anders. Dat was al snel omstreden. Het hoogtepunt van die afwijzing was in de theologie van Marcion (rond 145), die daarin zo radicaal was dat ook alle teksten in het Nieuwe Testament die niet vrij waren van Joodse smetten werden geschrapt. Het Oude Testament was volgens Marcion niet doorademd door de Geest van Christus die liefde is. Het moest dus een tekst van een andere god zijn. De invloed van Marcion is enorm geweest en de auteur van de oudste versie van het volledige Symbool die bewaard is gebleven, Cyrillus van Jeruzalem, waarschuwt zijn catechisanten nog in de vierde eeuw goed uit te kijken niet in een marcionitische kerk terecht te komen als ze reizen of verhuizen. De canoniciteit van het Oude Testament was dus in de vierde eeuw allerminst vanzelfsprekend. Daarom heeft de kerk expliciet in het Symbool vastgelegd dat de Heilige Geest ook gesproken heeft door de profeten en het Oude Testament dus een canonieke tekst is. Het behoort evenzeer tot de basistekst van het christelijk geloof als het Nieuwe. Het zijn geen twee basisteksten, er is slechts één basistekst, want het is een en dezelfde Geest die door de profeten en de apostelen gesproken heeft.

Nu kan men de zinsnede ‘die gesproken heeft door de profeten’ op twee manieren uitleggen. De basisbetekenis is dat deze tekst geïnspireerd is en dus goddelijk gezag heeft. De kerk moet zich door het Oude Testament laten leiden evenzeer als door de woorden van de apostelen. Zij moet in haar verkondiging en theologie uitleggen wat deze teksten betekenen en daardoor christenen de weg wijzen (9.2). Men kan de zinsnede echter ook uitleggen als een inhoudelijk interpretatiekader: het Oude Testament moet worden uitgelegd volgens de Geest van Christus (9.3).

2. Woord van God

Het gaat in eerste instantie louter om een formeel principe: de tekst is gezaghebbend. Om de tekst te verstaan moet je die interpreteren vanuit de context waarin deze is geschreven. Wat heeft de auteur daarmee bedoeld? En wie was die auteur? Waar en wanneer is het te interpreteren gedeelte ontstaan? En wat betekent deze in die context? Bij het onderzoek naar de teksten van het Oude Testament is steeds meer duidelijk geworden dat deze een uiterst complexe ontstaansgeschiedenis hebben, die vaak moeilijk te reconstrueren is. Elke reconstructie hangt sterk af van vooroordelen van onderzoekers en wetenschappelijke tradities waarin ze werken. Dat wil echter niet zeggen dat er niet zo’n ontstaansgeschiedenis zou zijn en dat historisch-kritisch onderzoek naar het Oude Testament niet nodig of zelfs verkeerd zou zijn. Integendeel, het laat juist zien hoe ingewikkeld deze teksten zijn en dat men erg moet oppassen met voorbarige conclusies. Je krijgt niet zo gauw vat op het Oude Testament. De grootste exegeet van de vroege kerk, Origenes (± 184-253), zegt daarover dat dit geen hinderpaal is voor het verstaan, maar integendeel een garantie voor het juiste verstaan: als goddelijk geïnspireerde teksten. Het zijn woorden van God en mensen moeten leren dat ze die nooit helemaal, en ten diepste helemaal niet, in hun vingers krijgen. Slechts vanuit de verte vernemen we iets, maar we moeten niet denken dat je op alles grip krijgt. ‘Wij vangen van zijn woorden slechts gefluister op. Wie kan de donder van zijn kracht bevatten?’ (Job 26:14)

Juist daarom is het onderzoek om te verstaan zo belangrijk en wel om twee redenen: om te merken hoezeer ons menselijk kennen begrensd is en ons dus te behoeden voor simpele conclusies over Gods wil. Het is altijd: ‘Wacht even – weet je dat wel zo zeker?’ De andere reden is dat de teksten niet helemaal duister zijn. Ze gaan boven ons vermogen uit, maar ze zijn geen abracadabra. Ze zijn verstaanbaar – ze maken verstaan mogelijk. Ze zijn verstaanbaar tot op het niveau dat beperkte mensen hen zoekend en tastend, nemend en hernemend, aangesproken en gecorrigeerd, kunnen verstaan. En dat is genoeg voor ons, kleine mensen, die luisteren naar het Woord van God.

3. In de Geest van Christus

De betekenis van ‘die gesproken heeft door de profeten’ gaat echter verder. Het is niet alleen een formeel gegeven waardoor de tekst als canoniek wordt aangemerkt. Het gaat ook om de betekenis van de tekst. Het Oude Testament is gesproken door de Heilige Geest en dat is geen andere Geest dan die door Christus is gegeven. Dit is het punt dat door de kerkvaders die de zinsnede voor het eerst in het Credo hebben staan steeds wordt ingebracht: er zijn geen twee Heilige Geesten. En God spreekt niet met twee monden. Dezelfde Geest die werkt in de kerk en aan haar is gegeven in de doop heeft ook gesproken door de profeten. Daarom moeten de canonieke teksten alle in deze Geest worden uitgelegd. Zo heeft de tweede Petrusbrief het al gezegd: ‘Besef … vooral dat geen enkele profetie uit de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat, want nooit is een profetie voortgekomen uit menselijk initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de heilige Geest’ (2 Petrus 1:20 v).

De vroegkerkelijke orthodoxie heeft daarom het Oude Testament steeds christologisch uitgelegd. De Geest spreekt niet van zichzelf, maar wat Hij van Christus heeft ontvangen verkondigt Hij. Zo is het in het Nieuwe Testament en zo is het ook in het Oude Testament. Hóe de teksten van het Oude Testament Christus ter sprake brengen is een onderwerp van discussie en moet uiteindelijk bij elk bijbelgedeelte opnieuw ontdekt worden. Maar dát Christus in het Oude Testament ter sprake komt, is niet ter discussie. Dat is ook niet beperkt tot een paar verzen die makkelijk christologisch kunnen worden geïnterpreteerd, zoals Jesaja 9 of Micha 5. Jezus zelf heeft volgens het Lucasevangelie al gezegd: ‘Alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan’ (Lucas 18:31). Er is een latere versie van die tekst waarin het net anders wordt gezegd: ‘Alles wat door de profeten is geschreven over de Mensenzoon zal worden volbracht.’ Dat is makkelijker te plaatsen: alleen de voorzeggingen over Jezus worden in Hem vervuld. De oorspronkelijke tekst maakt het moeilijker: alles wat er gezegd is wordt in Hem vervuld. Alle teksten van het Oude Testament worden in Hem waar.

Vanwege de gedachte dat Christus vervulling van het Oude Testament is, wordt ook duidelijk waarom het Symbool dit samenvat onder ‘de profeten’. Het gaat om voorzegging van Christus en daarvan is de profetie meer dan de wet expressie. De vervulling is de verwerkelijking van wat al was aangekondigd in het Oude Testament. In die zin waren ook Mozes en de dichters van de Psalmen profeten. Ook David wordt als profeet gezien (Handelingen 2:30). Deze verhouding kan ook met andere woorden worden uitgedrukt, bijvoorbeeld door schaduw en werkelijkheid. Het Oude Testament is een voorafschaduwing van Christus. Zo spreekt vooral de brief aan de het Hebreeën. Paulus spreekt over het Oude Testament als verhulling, waarna hij direct overgaat naar de verhulling waaronder zijn volksgenoten het Oude Testament lezen, omdat zij het niet lezen in Christus die deze verhulling heeft weggenomen (2 Korintiërs 3:12-18). Toch kan men juist vanwege de verhouding voorzegging en vervulling niet zonder het Oude Testament. Het Oude Testament maakt duidelijk waarván Christus de vervulling is: dat God mensen kiest als zijn volk, Hij bij mensen wonen wil en Hij zijn geboden geeft als regels voor het leven dat gebroken wordt als de regels niet worden nageleefd.

4. Geïnspireerde mensen

Als de oudtestamentische schrijvers profetisch geïnspireerd zijn door de Heilige Geest komt de vraag op wat die inspiratie voor hen betekent heeft. Sommigen gaan zo ver dat zij stellen dat de Heilige Geest letterlijk alles door hen heeft doorgegeven wat er in de Bijbel staat. De schrijvers waren eigenlijk niet meer dan een soort schrijfmachines, niet eens een computer die zelf met de teksten iets kan doen. Men noemt deze opvatting wel die van de mechanische inspiratie.

De meeste theologen denken eerder aan een organische inspiratie: de schrijvers zijn als mens, met hun cultuur en geschiedenis, in Gods openbaring opgenomen. De Bijbel is een gewoon menselijk boek. Bavinck vergelijkt dat met de incarnatie: Jezus is helemaal God, maar Hij is dat als mens, helemaal mens. Zo is de Bijbel helemaal Gods Woord, maar hij is dat als menselijk woord, helemaal menselijk. Toch gaat die vergelijking niet helemaal op, want de eenheid van God en mens is in Christus anders dan die van de Geest en mensen, ook als die mensen profeten zijn. Daarover gaat juist het christologische dogma. God maakt gebruik van mensen voor zijn werk, voor zijn openbaring, voor het vernemen van zijn beloften, geboden en oordeel. Dat zijn gewone mensen, die vaak al te menselijk zijn en hun eigen karakter niet verbergen, van de cynische Amos tot de tobberige Jeremia, van de driftige Mozes die de zachtmoedigste van alle mensen was, tot de oorlogsheld David die soms te veel testosteron had. Zij allen zijn getuigen van God en hun woorden voorzeggen wat in Christus wordt vervuld. Christus is echter Gods persoonlijke aanwezigheid.

De vraag kan gesteld worden of de profeten zelf geweten hebben dat ze profetisch over Jezus spraken. Die suggestie wordt in de vroege kerk wel gewekt. Zij hebben profetisch al gezien wat anderen nu pas zien. Dat zou veronderstellen dat iets alleen een profetie zou kunnen zijn als de profeet precies weet wat hij zegt. Het Nieuwe Testament zelf geeft het anders aan. De hogepriester Kajafas stelde dat het beter is dat één mens sterft dan dat het hele volk verloren gaat. Dat zei hij volgens Johannes niet uit zichzelf maar geïnspireerd door God, omdat hij hogepriester was (Johannes 11:51). Een hogepriester spreekt boven zichzelf uit. Met een profeet is het niet anders. Hij spreekt de woorden van God die hemzelf ver te boven gaan. Misschien zegt de Hebreeënbrief het meest duidelijk waar het om gaat: ‘Ze hebben slechts een glimp ervan begroet’ (Hebreeën11:13). Het was hun niet helemaal verborgen. Ze hebben iets vermoed van het geheimenis van God, maar ze konden het niet precies ontwaren en hun woorden zijn dan ook niet scherp. Slechts door Christus krijgen die de scherpte waardoor we verstaan wat God in hun woorden zeggen wil. Maar dan ook omgekeerd: die woorden zeggen dan wie Christus is, tegen de achtergrond van de weg van God met zijn volk, in belofte en oordeel, in bevrijding en ondergang. Het Oude Testament behoedt de kerk voor goedkope genade.

5. Allegorische lezing

De consequentie van het geloof dat Jezus de vervulling van de Schriften is, is dat volgens de vroege kerk veel teksten niet letterlijk kunnen worden gelezen. Anders zou je bij de wrede God van Marcion terechtkomen en als je dan zegt dat dat geen andere God is dan de Vader van Jezus Christus dan zou deze zo’n wrede God zijn. De teksten uit het boek Deuteronomium en Jozua dat alle Kanaänieten moeten worden uitgeroeid om plaats te maken voor Israël kan men in de kerk niet letterlijk lezen. De kerk doet niet aan genocide, want zij belijdt dat in God geen geweld is, zoals Irenaeus opmerkt. Daarom moet je die teksten symbolisch interpreteren: het gaat om het uitroeien van het kwaad. De heidenen staan voor de zonde. Die roei je niet uit met het zwaard, maar het de Geest, zoals de profeten zelf dit al hebben betuigd: ‘Niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest’ (Zacharias 4:6).

Deze symbolische interpretatie wordt gewoonlijk aangeduid met de term ‘allegorese’. Daarvan zijn er veel varianten, sommige min of meer voor de hand liggend, andere zeer ver gezocht, maar ze komen allemaal voort uit de overtuiging dat een letterlijke lezing de hoorders op een verkeerd spoor zou zetten in hun denken over God en in hun handelen in zijn naam.

De kerkvaders hebben deze manier van uitleggen niet zelf bedacht. Er zijn ook Joodse auteurs uit die tijd, zoals Philo van Alexandrië, die een allegorische lezing van het Oude Testament voorstaan en de christelijke exegeten hebben veel van hem geleerd, bijvoorbeeld Clemens van Alexandrië (± 150-215) en Origenes. Ook heidense uitleggers van oude Griekse teksten, zoals het werk van Homerus, pasten deze methode toe. De menselijke, vaak al te menselijke verhalen, over de goden van het Griekse pantheon moet je niet letterlijk nemen. Dat zou niet passend zijn in het spreken over God. Ook die verhalen moet je volgens uitleggers in de tijd van de vroege kerk symbolisch opvatten als bijvoorbeeld strijd tussen menselijke emoties en driften in het licht van goddelijke intenties.

Marcion, die in de tijd van de vroege kerk het Oude Testament letterlijk nam heeft het als canon verworpen. Wie het als canon aanvaardden hebben het allegorisch gelezen, met alle varianten die daarvan zijn. Nu is er van meet af aan een gezond wantrouwen geweest tegen allegorie. Als je de tekst niet meer letterlijk neemt dan is het maar de vraag waarvan je het een teken of verwijzing maakt. Ieder kan zelf zijn ideeën inbrengen. Voor je het beseft ben je niet meer bezig met uitleg maar met inlegkunde. In de vroege kerk waren er twee scholen die elkaar vaak heftig bestreden. De ene school was die van Alexandrië. Deze koos bewust voor allegorese en ging daarin soms heel ver. Men was ervan overtuigd dat interpreteren nooit helemaal letterlijk kan zijn. De grote exegeet Origenes heeft dat theoretisch uitgewerkt en laat zien tot wat voor absurditeiten men kan komen als men echt letterlijk wil lezen. Het boek Exodus verhaalt dat de Egyptische farao de vroedvrouwen gebiedt om alle jongetjes van de Israëlieten te doden en alle meisjes te laten leven. Dan staat er dat die vrouwen het gebod niet gehoorzaam waren (Exodue 1:17). Ze deden dus het omgekeerde van wat farao geboden had. Ze lieten dus letterlijk gelezen alle jongetjes in leven en doodden alle meisjes. Die uitleg is natuurlijk absurd. Je moet de tekst naar zijn bedoeling lezen. Dat is nu juist wat de allegorische lezing wil. Want waar ligt de grens tussen allegorie en bedoeling? Soms is het antwoord eenvoudig, maar dat is lang niet altijd het geval.

De andere school is gelieerd aan Antiochië in Noord Syrië. De Antiocheense school is avers van allegorie en gaat voor een letterlijke lezing. In de praktijk blijkt dat ook de aanhangers van deze school in hun exegese vaak allegorisch te werk gaan. Ook zij lezen het Oude Testament christologisch. Ze gaan echter veel minder ver dan de Alexandrijnen. De tekst moet wel een duidelijke aanleiding geven voor de interpretatie. Dicht bij de tekst blijven is hun devies en breng er niet te veel van jezelf in. De uitleg moet niet gaan zweven. Blijf liever met beide benen op de grond en zie dat deze teksten geschreven zijn in menselijke taal, voor menselijke levens, als een geschenk van God, die een God van mensen is.

Nu was men zich ook in de Alexandrijnse school zeer wel bewust van de risico’s van allegorese. De Alexandrijnse theologen zochten echter de oplossing niet in het inperken daarvan maar in aandacht voor een criterium. Waaraan kun je afmeten of een uitleg goed is of niet? Dat hangt niet van de mate van allegorie af, maar daarvan of deze op Christus is gericht. Christus is het criterium voor de exegese. Het gaat niet om een kwantitatieve beoordeling maar om een kwalitatieve.

Nu is deze stelling ook aan de Antiochenen niet vreemd. Ook zij aanvaarden dat Christus de maatstaf is voor het lezen van het Oude Testament. Zowel de gematigd Antiocheense Cyrillus van Jeruzalem als de radicale aanhanger van de hoge christologie van Alexandrië, Epiphanius van Salamis hebben in hun versie van het Symbool de zinsnede staan dat de Geest gesproken heeft door de profeten en beiden zeggen in de toelichting dat er maar één Heilige Geest is. Ook bij de Antiochenen gaat het dus om de ene Geest die ook in de profeten van Christus getuigt.

Het eigenlijke verschil zit dan ook niet in de mate van allegorese, maar in de christologie. De Antiochenen hebben een lagere christologie, dat wil zeggen: meer aandacht voor het menselijke in Jezus, voor de weg die Hij wijst en voor de manier waarop Hij ons is voorgegaan, dan voor het diepe geheimenis van zijn goddelijkheid waarin Hij in het mens-zijn is ingegaan met alle paradoxen die daarbij horen, waarop juist de Alexandrijnen alle nadruk leggen. De Antiocheense theologie was meer verstaanbaar voor het menselijke denken. Zij sloot meer aan bij de elite van cultuur en politiek. In het christelijke rijk is er in de vierde eeuw dan ook een duidelijke voorkeur voor de Antiochenen. Het gaat om het goede christelijke leven in de navolging van Christus dat mensen goede burgers van de christelijke samenleving maakt. Daar ligt voor de Antiochenen de focus van hun denken en dat bepaalt de wijze van allegoriseren. Als het over menselijk handelen, over ethiek gaat, passen ze evenveel allegorie toe als de Alexandrijnen. Als het echter gaat over verwijzing naar God die in Christus als Verlosser en gave van het eeuwige leven reeds in het Oude Testament aanwezig is, zijn ze veel terughoudender. Beide scholen zijn tot op de dag van vandaag in de kerk gebleven en roepen een voortdurende spanning in de theologie op, de een dichter bij de cultuur, dichter bij de politiek, gericht op het christelijke leven, de ander in spanning met de cultuur die geoordeeld wordt in de dood van Christus en gericht op het eeuwige leven met de overtuiging ‘Hier beneden is het niet’. De Alexandrijnen roepen steeds weerstand op omdat ze door hun aandacht voor het eeuwige zo ongrijpbaar zijn. Ze passen zich niet aan. Omgekeerd vertrouwen mensen uit de Alexandrijnse traditie de Antiochenen niet omdat ze vinden dat die het christelijk geloof verwateren door te veel aan te passen aan de heersende cultuur. Waarschijnlijk zijn ze beide nodig om de kerk in het rechte spoor te houden: geen esoterische sekte te worden en evenmin een volgzaam cultuurchristendom. Om die spanning te bewaren heeft de kerk wel de hoge christologie van de Alexandrijnen in het Symbool van Nicea opgenomen – om de volgende dag te gaan strijden wat de precieze betekenis van het kernbegrip homoousios, van hetzelfde wezen, is.

6. Oud en Nieuw als één canon

Om te verstaan wie Jezus Christus is, heeft men het Nieuwe Testament nodig. Daarin hebben de apostelen en hun leerlingen uiteengezet wie Hij is en hoe Hij tot hen gesproken heeft. Zij hebben geschreven in zijn Geest. Voor de verhouding van het Oude en het Nieuwe Testament betekent dit dat het Nieuwe het interpretatiekader voor het Oude Testament is, of, zoals Van Ruler dat in een understatement heeft gezegd: het Nieuwe Testament is het verklarende woordenboekje bij het Oude. Het Oude Testament is voor de kerk niet een zelfstandige canon, zoals het dat voor het jodendom is. Het is alleen canon als onderdeel van de hele Bijbel, in de samenhang met het Nieuwe Testament. In het Nieuwe Testament wordt voortdurend expliciet of impliciet verwezen naar het Oude Testament. Zonder deze oudtestamentische verankering kan men het Nieuwe Testament niet verstaan. Omgekeerd betekent het voortdurende gebruik van het Oude Testament in het Nieuwe ook een specifieke uitleg van het Oude Testament. Alleen in deze interpretatie is het Oude Testament deel van de christelijke canon. Augustinus heeft dit samengevat in zijn bekende adagium: ‘Het Nieuwe Testament is verborgen in het Oude, het Oude wordt opengelegd in het Nieuwe.’

7. Welke boeken zijn canoniek?

De canonieke teksten van het Oude en Nieuwe Testament zijn gezaghebbend in de christelijke theologie. Zij zijn het criterium voor het juiste spreken over God en de juiste weg om te leven voor Hem. Het is dan wel zaak om precies aan te geven welke boeken tot die canon behoren. Het Oude Testament is door de kerk overgenomen van Israël. Het gaat dus om de Joodse canon die is opgenomen in die van de kerk. Die Joodse canon is echter minder duidelijk dan men op het eerste gezicht zou denken. In de eerste plaats maken Joden onderscheid tussen de Torah, de profeten en de geschriften. Alle drie zijn canoniek, maar de Torah heeft toch een eigen status in die canon, terwijl de profeten een hoger gezag hebben dan de geschriften. Dat blijkt ook daaruit dat juist over die geschriften het meeste debat is geweest: horen die boeken er wel allemaal bij of sommige niet? Het is een bonte verzameling van aan de ene kant klassieke onomstreden boeken van liederen, spreuken over het dagelijkse bestaan en over aanvechting van het geloof als menselijke wijze van leven voor God, en aan de andere kant late teksten die niet meer het gezag van de profeten hadden en onder de mat van de geschriften zijn geveegd. Uiteindelijk behoren ze echter wel tot de canon. Maar het geeft wel aan dat men in de canon moet onderscheiden.

Dat is nog meer het geval als het gaat om het onderscheid tussen de Hebreeuwse (en voor een klein deel Aramese) tekst en de Griekse versie in de Septuagint. Het Palestijnse jodendom en de Joodse diaspora buiten het Griekse taalgebied, zoals Babylonië, hebben zich gehouden aan de Hebreeuwse canon. Dat heeft ook het latere rabbijnse jodendom gedaan, waar ook ter wereld. In de Griekse diaspora heeft men de canon al snel vertaald en daaraan een aantal boeken toegevoegd die in de laatste paar eeuwen voor de val van Jeruzalem in 70 zijn ontstaan. Gewoonlijk worden die aangeduid als de deuterocanonieke boeken.

Het is deze Griekse canon die door de vroege kerk is overgenomen en samengevoegd met de boeken van het Nieuwe Testament. Ook de grenzen van het Nieuwe Testament zijn pas geleidelijk gefixeerd. Sommige boeken die nu in de canon staan ontbreken in vroege overzichten, bijvoorbeeld Openbaring, 2 Petrus en Judas. Andere geschriften die nu niet meer als canoniek worden beschouwd staan er soms wel in zoals 1 Clemens en de pastor van Hermas. Waarom bepaalde boeken wel of niet zijn opgenomen hangt voor een deel samen met toevallige omstandigheden waarbij leidende theologen al of niet een boek gebruikten, maar vooral ook met de tijd van ontstaan. Boeken vanaf het eind van de eerste eeuw zijn niet meer in de canon opgenomen. Dat werd geëxpliciteerd door een formeel criterium: omdat het om het getuigenis aangaande Jezus gaat zijn alleen die boeken canoniek die geschreven zijn door de apostelen, de ooggetuigen die zelf erbij waren en Hem zelf gehoord hebben, en hun directe leerlingen die het van hen uit de eerste hand gehoord hebben en dus niet hun eigen verhaal brengen maar het getuigenis van de apostelen weergeven.

Toch lijkt het dat er niet alleen een verschil in tijd is tussen canoniek en niet-canoniek. De uiteindelijk afgewezen boeken ademen ook een andere sfeer dan die van de canon. Er is een andere theologie. Het duidelijkst is dat bij het Oude Testament. De canonieke boeken gaan over Gods handelen en de roeping voor zijn volk, dat steeds weer ontrouw is – en het gevecht dat dat oplevert tussen en ín God en mensen. De deuterocanonieke en omstreden boeken zoals Daniël gaan over vrome mensen die vanwege hun vroomheid gezegend worden of Gods genade ontvangen. Voor een deel gaat het om esoterische visioenen. Bij de acceptatie van de boeken van het Nieuwe Testament heeft men eenzelfde aarzeling bij esoterische literatuur. Deze is deels uiteindelijk wel aanvaard, maar toch met moeite en alleen vanwege andere kwaliteiten van die boeken. Men heeft de vroomheidsliteratuur van de Griekse canon van het Oude Testament overgenomen omdat die nu eenmaal in de door hen gebruikte canon stond maar de eigen vroomheidsliteratuur met bijvoorbeeld martelarenverhalen er niet aan toegevoegd. De canon gaat over Gods handelen, en voor de christelijke kerk is dat altijd Gods handelen in Christus en de vraag hoe mensen door zijn Geest participeren in zijn opstandingsleven, en niet over menselijke prestaties of dromen.

8. De Bijbel: boek van de kerk

Het is dus de kerk die de canon van het christelijk geloof heeft vastgesteld. Dat is duidelijk. De Bijbel is geen boek dat uit de hemel is komen vallen of dat Jezus heeft meegenomen toen Hij mens werd. Hij werd mens en mensen hebben in menselijke woorden geschreven wat zij van Hem hebben gezien en gehoord en op grond van voor mensen te begrijpen redenen de canon vastgesteld. Zo werkt de Geest nu eenmaal in de kerk.

Tegelijk moet gezegd worden dat de kerk dit niet zomaar heeft gedaan. Ze heeft het zelfs niet gedaan na een grondige voorbereiding door commissies van deskundigen en uiteindelijk op een synode vastgesteld. In zekere zin is de canon de kerk overkomen. De meeste boeken hebben van meet af of heel snel gezag gekregen en wie daaromheen wilde werd als een vreemde gezien, onbetrouwbaar geacht. In de tweede eeuw citeren kerkvaders de meeste geschriften van het Nieuwe Testament al als gezaghebbend. In hen spreekt de Geest die de HEER is. Alleen aan de randen blijken sommige boeken voor de een wel gezag te hebben en anderen niet te overtuigen. Uiteindelijk is zo de canon uitgekristalliseerd, eigenlijk zonder zware discussies. Het enige wat geldt is de apostoliciteit.

De canon heeft zich dus als gezaghebbend aan de kerk voorgedaan en daarom kon zij niet anders dan deze aanvaarden en vaststellen als haar canon. Dit is wat in de latere theologie de autopistie van de Schrift wordt genoemd: ze maakt zichzelf geloofwaardig. De Bijbel is niet waar omdat geleerden tot de conclusie zijn gekomen dat die correcte informatie geeft – integendeel, op het terrein waarop geleerden zich bewegen zoals geschiedenis of biologie is die informatie vaak helemaal niet correct. Theologie blijft altijd een buitenbeentje in de wetenschappen, maar de Schrift is ook niet waar omdat godgeleerden dat hebben vastgesteld. Integendeel, ze zijn voor hun onderzoek juist van de Schrift afhankelijk. De Schrift is alleen waar omdat die zelf met gezag zich aan ons aandient.

In het protestantisme is dit in tegenstelling tot het gezag van de kerk gesteld. Dat is echter een valse tegenstelling. Die gaat uit van de kerk als een menselijke institutie, een kerk waaraan men kan geloven maar waar men niet ín kan geloven. De kerk is echter de plek waar God zelf inwoont in de Heilige Geest. Er zijn geen twee Heilige Geesten. Het is dezelfde Geest die in de Schrift is en die in de kerk is. Bijgevolg kan het niet anders dat de kerk vaststelt dat de Schrift het geïnspireerde Woord van God is en dat de Schrift zegt dat de Geest de kerk in alle waarheid leidt.

9. De Schrift en Jezus

De kerk en de Schrift horen onlosmakelijk bijeen omdat de Geest een is. Dat heeft ook implicaties voor de uitleg van de Schrift. Dat wordt het meest duidelijk bij de christologie. Christus is de vervulling van de Schriften van het Oude Testament en het Nieuwe Testament zijn de teksten die van Hem getuigen en duidelijk maken dat ook de Schriften van het Oude Testament dat doen. Maar wie is Jezus Christus?

Men kan beginnen met het onderzoek naar de historische Jezus. Wie was Jezus nu eigenlijk? Wat was zijn levensgeschiedenis? Welke plek nam Hij in in het sociogram van zijn tijd? Er zijn veel pogingen gedaan. Albert Schweitzer heeft laten zien hoezeer al deze Jezusbeelden bepaald zijn door de vooroordelen, meestal de eigen idealen, van degenen die ze hebben uitgewerkt. Dat heeft geen einde gemaakt aan zulke pogingen. Jezus blijft mensen intrigeren. Wie is deze man? Eduard Schweizer heeft daarop een bondig antwoord gegeven: ‘Hij is de mens die alle schema’s opblaast.’ Hij gaat al onze constructies en reconstructies te boven. Om tot die conclusie te komen moet men echter eerst wel zulke constructies geprobeerd hebben. Anders wordt de ondoorgrondelijkheid van Jezus net zo’n platitude als de ondoorgrondelijkheid van God. Ook het historisch kritische onderzoek naar Jezus draagt bij aan het kennen van Hem als degene die alle menselijke structuren te boven gaat. Historisch-kritisch onderzoek is alleen afkeurenswaardig als het zelfgenoegzaam wordt en denkt de laatste waarheid over Jezus te hebben vastgesteld. Hoe stelliger zo’n positie wordt gebracht des te sneller blijkt die achterhaald.

Een reconstructie van het leven van Jezus is vooral lastig omdat we daarover nauwelijks gegevens hebben. Er zijn een paar geboorteverhalen, waarbij iedere historicus meteen tegen het miraculeuze karakter daarvan op botst. Er is een verhaal over Hem als jongen, wat ook niet veel helpt om Hem te plaatsen in de sociale omgeving waarin Hij leefde en verder zijn er verhalen die niet chronologisch geordend zijn maar in een theologische structuur zijn gebracht. Alleen de laatste week van zijn leven krijgt meer profiel en dat is dan ook het enige waar historisch redelijk zekere informatie te vinden is. De opstanding valt als zodanig buiten de grenzen van de aardse historie. Er zijn alleen getuigen door wie Hij gezien is, zonder dat ze Hem konden vasthouden in hun midden.

De teksten over Jezus zijn getuigenissen over wie Hij is als Gods presentie en wat God in Hem heeft gedaan voor mensen. Daarvoor is blijkbaar weinig biografie nodig. Enkele essentiële momenten karakteriseren Hem en deze gaan meteen het historische te boven. Hij is verschijning van God die mensen te boven gaat en waar de gebeurtenissen historisch voet aan de grond krijgen daar gaan ze het denken van mensen over God evenzeer te boven. God zoekt men immers niet in een man die in shocktoestand over de grond kruipt of die wordt doodgemarteld als een terrorist.

Dat het in Jezus over God gaat weten we alleen door wat de mensen door wie Hij gezien is na zijn opstanding gezegd hebben. Daar staat of valt alles mee. Als die opstanding niet waar is dan is het hopeloos met de mensen gesteld, en het meest ellendig zijn dan de mensen eraan toe die wel de ontluistering van het mens-zijn hebben gezien toen Hij werd gekruisigd, de ontluistering van slachtoffers en de ontluistering van de daders. Zij hebben gezien wat Johannes zegt: ‘Zie de mens.’ Als Jezus niet is opgestaan moet het daar maar bij blijven. Maar, nu, Christus is opgestaan, zegt Paulus (1 Korintiërs 15:20). Paulus is met overweldiging toegevoegd aan het rijtje van de getuigen die de opgestane hebben gezien (1 Korintiërs 15:8).

We hebben dus alleen de getuigen en hun getuigenissen. Dat wil zeggen: we hebben alleen de getuigenissen van de eerste generatie christenen om te weten wie Christus Jezus is. En we hebben hun interpretatie van de dingen die in Jeruzalem ergens rond het jaar 30 hebben plaatsgevonden. Dat is het Nieuwe Testament, als boek van de kerk die niet een uitvinding van mensen is maar door de HEER zelf bijeengeroepen en door zijn Geest in gang gezet.

10. Schrift en Traditie

Nu bieden het Nieuwe Testament en het Oude geen systematische theologie. Het zijn verhalen, profetieën in een concrete situatie uitgesproken, liederen, brieven. De betekenis voor het heden is ook niet dat men daaruit een theologie kan ontwikkelen als theorie over God. Ze zijn basis en inspiratiebron van de Heilige Geest voor het leven van de kerk, dat bestaat uit vieren, preken, leven, in eenzelfde dynamiek die de bijbelse teksten eigen is, steeds in een concrete situatie van mensen die leven door, met en voor God in Christus door de Geest.

De kerkvader Hilarius heeft gezegd dat theologie alleen maar nodig is om ketters te weerspreken. Men zou het geloof alleen moeten leven en vieren, maar er zijn mensen die zulke verkeerde dingen over God zeggen dat je hen bestrijden moet en met argumenten weerleggen. Dat is volgens Hilarius de belangrijkste reden voor de beoefening van de theologie. Ze dient om vieren, preken en leven te beschermen tegen beunhazen. Negatief is haar taak het weerleggen van verkeerde ideeën over God. Zij heeft echter ook een positief doel: het ontwikkelen van een leidraad waarlangs het leven van de kerk zich kan bewegen en inzicht te geven in en verwondering te wekken over de grootheid van Gods heil.

Daarbij kan men niet volstaan met een beroep op de Bijbel, want dat doen de ketters ook. Zij halen ook bijbelteksten aan om hun gelijk te bewijzen. Hippolytus wijst er al op dat dat steeds een eenzijdige selectie is en dat ze teksten die hun ideeën weerspreken laten liggen. Dat is ongetwijfeld waar, maar wie kan alles overzien en alle teksten in de juiste balans tot een systematisch geheel maken? Daartoe lenen de teksten van meer dan duizend jaren, in heel verschillende situaties ontstaan, met heel verschillende genres zich niet. De kerk heeft nooit onbevooroordeeld alle teksten van de Bijbel een gelijke status gegeven, zelfs niet alle boeken en genres, evenmin als Israël dat heeft gedaan met het Oude Testament. Zij heeft steeds zowel het Oude als het Nieuwe Testament gelezen vanuit Christus. Wie dat niet doet beweegt zich buiten de kerk. Ze heeft van Israël overgenomen dat God één is en de almachtige Schepper. Zo zijn er meer dingen die voor de kerk wezenlijk zijn en een paradigma geven voor het lezen van de Schrift. Dat is precies wat de belijdenis bedoelt. De artikelen van het Symbool zijn als piketpaaltjes die je in het oog moet houden bij het lezen van de Bijbel. Je mag niet negeren dat God de Schepper van de wereld is. Evenmin mag je negeren dat Jezus God is, dezelfde Jezus die is gekruisigd en opgestaan. Je mag ook niet vergeten dat je levend wordt gemaakt door de Geest die God is en die in de kerk woont, zodat je redding van die gemeenschap afhangt, evenmin als je mag vergeten dat we gericht zijn op het leven in de eeuw die komt waardoor we ons nooit helemaal aan het aardse leven kunnen uitleveren. Er zijn dingen die je niet zeggen mag in de kerk. Dat vindt men al in het Nieuwe Testament. ‘Er zijn veel dwaalleraren in de wereld verschenen die de komst van Jezus Christus als mens niet belijden. Dat nu is de verleider, de antichrist!’ (2 Johannes 1:7) Zulke mensen moet je niet toelaten in de huissamenkomsten van de kerk (2 Johannes 1:10). Naarmate mensen steeds weer andere ideeën hadden die niet deugden en die moesten worden weerlegd groeide het Symbool.

Het is niet zo dat deze uitlegwijzer aan de teksten wordt opgelegd. Het is veeleer een aanwijzing voor het goed verstaan van de teksten zoals de apostelen dat aan hun leerlingen hebben doorgegeven. Daarmee komen we bij het begrip traditie: er is een traditie voor het verstaan van de Schrift om niet te verdrinken in een brij van teksten of uit de veelkleurigheid van alles wat over God gesproken is in de Bijbel een palet samen te stellen dat tegen de intentie van Jezus en de apostelen ingaat. Er is een uitlegtraditie die lezers helpt om te verstaan en die hen behoedt voor een verkeerd gebruik van teksten – misschien met de beste intenties gedaan.

Traditie in de kerk is uitlegtraditie van de Schrift. Beide behoren onlosmakelijk bijeen. De Schrift kan zonder de Traditie naar believen worden gebruikt en een traditie die los staat van de Schrift geeft menselijke willekeur de vrije hand.

Er is tussen Rome en de reformatie een verschil van benadering in de verhouding van de Schrift en de Traditie. De reformatie legt de nadruk op de Schrift, claimt zelfs sola Scriptura, alleen de Schrift, terwijl Rome veel meer aandacht heeft voor de Traditie. Beide staan open voor risico’s als dit te ver wordt gevoerd. Het protestantisme loopt het risico dat men de Bijbel gaat gebruiken zonder enige voorkennis en zonder leidraad bij het lezen. Dan kan men de wildste ideeën denken te legitimeren en vooral eenzijdig allerlei teksten gebruiken voor wat men wil. Het protestantisme heeft de neiging tot sektarisme en dat neemt eerder toe dan af nu gezagsinstanties aan betekenis inboeten. Omgekeerd heeft Rome het risico dat de Traditie als een dekzeil over de Schrift gaat liggen en het leven van de teksten dempt evenals het risico dat er een traditie wordt ontwikkeld die buiten de Schrift een eigen leven gaat leiden en zo een opening wordt voor machtsmisbruik of onkritisch volgen van het volksgeloof.

In de hoofdstroom van zowel de rooms-katholieke als de protestantse theologie ligt het veel genuanceerder. De reformatie heeft zich niet willen losmaken van de Traditie. Zij heeft de vroeg-kerkelijke conciliebesluiten volmondig aanvaard en de vroeg-kerkelijke belijdenissen van harte toegestemd. De reformatoren waren zich zeer wel bewust dat er een kerkelijke traditie is die men niet kan negeren. Ze waren alleen tegen allerlei aspecten in de traditie die erbij gekomen waren en die juist onrecht deden aan waar de Traditie voor behoort te staan. Daarom pleitten zij voor herbronning naar het begin van de traditie. Dat is niet alleen een herbronning naar de Schrift maar ook naar de vroege kerk. Zij maken daarvan dan ook breed gebruik. In hun argumentatie grijpen ze terug op Augustinus, Athanasius, Chrysostomos en al de andere patres die gezag hadden in de vroeg-kerkelijke orthodoxie. De hoofdstukken over de kerk in de Institutie van Calvijn kunnen worden gelezen als een parafrase van het werk van Cyprianus over de kerk. Hij grijpt allerminst alleen maar terug op de Schrift.

De reformatie is zich dus wel terdege bewust van de relatie van Schrift en Traditie, maar is zich ook bewust van een onkritisch volgen van de traditie, met name in de praktische uitwerking daarvan in het kerkelijke leven. Het latere protestantisme heeft vervolgens haar eigen traditie verder ontwikkeld – met evenveel eigen toevoegingen of accenten die onkritisch als norm worden opgelegd aan christenen of als expressie worden gezien van de hoogste vroomheid of dienen van de HEER. Het zijn alleen andere traditie-elementen dan die waaraan men zich ergert bij Rome.

Evenmin als de reformatie zich heeft willen losmaken van de traditie heeft Rome zich willen losmaken van de Schrift. Zij heeft ook de traditie nooit boven de Schrift gesteld en ook nooit bedoeld om de traditie een eigen leven te laten leiden. Ook binnen de rooms-katholieke theologie heeft de Schrift het hoogste gezag. Zij volgt daarin Thomas van Aquino die het doorslaggevende argument bij de beantwoording van elke vraag in de theologie altijd ontleent aan de Schrift. De zich ontwikkelende traditie moet steeds de hermeneutische spanning die eigen is aan de relatie Schrift en traditie bewaren.

Daarbij brengt Rome steeds weer het belang van de traditie naar voren. Dat is niet alleen in het gesprek met de protestanten. Het is veel meer gericht op ontwikkelingen in het rooms-katholicisme zelf. Vooral sinds de negentiende eeuw zijn er tendensen om andere benaderingen van het lezen van de Schrift ruimte te geven en vooral het gezag van de kerk te verminderen. Dat heeft bij de kerk een reactie opgeroepen om het gezag van de traditie te versterken. Daarvan is de paus het Symbool en zo kwam men tot het dogma van de onfeilbaarheid van de paus (Eerste Vaticaans Concilie, 1870). Daarover zijn veel misverstanden. Het is zeker niet zo dat het dogma wil zeggen dat elke uitspraak van de paus onfeilbaar zou zijn. Het gaat alleen om die uitspraken die expliciet als zodanig zijn aangegeven over de leer van de kerk. Bovendien kan hij die niet zomaar zelf bedenken. Ook de paus is gebonden aan de traditie van de kerk van alle eeuwen en moet zich daarbinnen bewegen. Elke nieuwe uitspraak kan dus slechts dienen als verduidelijking van de bestaande traditie en niet een willekeurige toevoeging of verandering. Juist de stelling van de onveranderlijkheid van het dogma dient ertoe om willekeur in het spreken van de paus tegen te gaan: hij is gebonden aan alle eerdere uitspraken van de kerk.

Men kan zich afvragen of de term ‘onfeilbaar’ het meest gelukkige begrip was om het gezag van de traditie aan te geven. Men kan zich ook afvragen of de strikte binding aan één persoon de beste benadering was. Het is inderdaad zo dat traditie vraagt om een laatste gezagsinstantie en waarheid hangt niet af van de mening van de meerderheid in een stemming. Meer aandacht voor de gemeenschap die de kerk is, niet alleen die van alle eeuwen maar ook die van alle plaatsen had ongetwijfeld veel misverstanden kunnen voorkomen en de kerk voor angstig conservatisme kunnen behoeden. Door de keuzes van 1870 die bedoeld waren om het gezag van de kerk te bewaken heeft de kerk juist veel aan gezag ingeboet.

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft in de Constitutie over de Openbaring duidelijk andere accenten gezet dan het Eerste Vaticaans Concilie. Voorop staat de openbaring Gods ‘waardoor de mensen door Christus, het vlees geworden Woord, in de Heilige Geest toegang hebben tot de Vader en deelgenoten worden van de goddelijke natuur’. Deze openbaring moet worden doorgegeven en verkondigd. Maar omdat ‘God in de Heilige Schrift door mensen op menselijke wijze heeft gesproken’ is dat doorgeven en verkondigen geen automatisme, maar een zorgvuldig proces van lezen en interpreteren van de Schrift. Het beeld dat het Concilie gebruikt voor de verhouding van Schrift en traditie is dat van twee stromen die voortkomen uit ‘dezelfde goddelijke oorsprong, vloeien als het ware ineen en zijn op hetzelfde doel gericht’.

Ook bij de kerk geldt dat vertrouwen te voet komt en te paard vertrekt. Er zal veel voetwerk nodig zijn om het vertrouwen in gezag en traditie te herstellen. Dat geldt voor Rome, maar dat geldt nog veel meer voor het protestantisme dat vooral sinds de negentiende eeuw zozeer is gegaan voor het sola Scriptura dat traditie daarin nauwelijks meer een rol speelt en zelf uitgevonden minitradities met een looptijd van een eeuw of zelfs van een paar jaar alles kunnen domineren. De kerk kan niet zonder een gezagvolle traditie en dat betekent niet zonder eenheid die de traditie bewaart. Als deze ontbreekt kan men de Schrift niet meer betrouwbaar lezen. Het is dan alleen doordat de Bijbel een eigen gezag heeft dat deze door alle menselijke voorkeuren kan heen breken dat deze opnieuw waardevol wordt. Maar dan leidt dit naar niets anders dan wat het Symbool uitspreekt – en dus naar de traditie van de kerk.

Wij geloven. Rooms-katholiek en protestant: één geloof.

De geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel uitgelegd door

Bram van de Beek en Herwi Rikhof (KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht, 2019).

< Terug