< Terug

Dit staat te geschieden – en is gekomen

Tiende zondag van de herfst (Maleachi 3:19-24, Openbaring 3:7b-12 en Lucas 21:5-19)

De laatste zondag van het liturgisch jaar is er een in een reeks. Herfst en winter gaan in elkaar over, Voleinding en Toekomst (Advent) kussen elkaar. De Komende die verwacht wordt, is de Gekomene die gevierd wordt. De toekomst is al gaande, het einde voltooid onder ons. Waar de eeuwigheid wordt gevierd, is de eeuwigheid nu. Koning Christus is de Voleinder als wel de reeds lang op ons Toegekomene.

Hoe de liefde kan verkeren! Het profetenboekje begint met de verklaring van de Eeuwige: ‘Ik heb jullie lief’ (Maleachi 1:2). Maar nu, bijna aan het eind van dit korte geschrift dat zich als een heftige woordenwisseling tussen geliefden laat lezen, wordt de liefdesverklaring (hoewel nog eens bevestigd met ‘Ik, de Heer, ben niet veranderd’ – 3:6) bijgesteld. Het moet wel van twee kanten komen. En dat ontbreekt eraan. De partner, de bruid, Israël (zie het opschrift 1:1) handelt alsof haar bruidegom niet zo zijn normen en waarden heeft en niet het verschil kent tussen rechtvaardigen en wettelozen (3:18). Daarin moet helderheid komen. Dus heeft de Heer een dag in gedachten. Die is Hij aan het voorbereiden.

‘Mijn bode’ is de boodschap

En reeds is ‘zijn bode’ onderweg (3:1) – een zinspeling op de naam van de profeet, Maleachi (zie ook Exodus 23:20; Jesaja 40:1; Marcus 1:2a). De profeet valt samen met zijn boodschap: ‘de bode’ die de Heer zendt. Hij zal de weg voor de Heer effenen. Want de dag komt dat de Heer zal komen ‘naar zijn tempel’ (3:2). Er is een dag van verzoening, van herstel, van bevestigde liefdesverklaring. Het is een vurige dag, zoals de liefde. Die dag brandt en verbrandt hen die de liefde – wederzijds verbond – niet meer beantwoorden (3:19). Voor wie zich daar wel voor inzetten, zal die dag stralen als de opgaande zon (3:20; vgl. de lofzang van Zacharias, Lucas 1:76-79), ‘de zon die gerechtigheid brengt’, de sol iustitiae, ‘ga ons op in deze tijd!’ (Liedboek – zingen en bidden in huis en kerk (2013), 967). ‘Mijn bode’ is natuurlijk meer dan ‘Maleachi’: het is de vaststaande uitdrukking voor heel de profetie. Dan moet ook de naam van Elia genoemd worden. Maar zeg je Elia, dan zeg je Mozes. En zo eindigen de boeken van het Eerste Testament met de twee pilaren van Israëls Schriften (3:22-23). Al wat de Heer door hun monden spreekt, is erop gericht dat de harten van de zonen en de vaders weer op elkaar gericht zullen zijn (aansluitend bij de zonen en vaders o.a. in 1:2, 1,6, 2:10; ‘ouders’ – vgl. Nieuwe Bijbelvertaling – is een beetje al te inclusief). Door hun werk wordt voorkomen ‘dat het land volledig vernietigd wordt’ (3:24).

De deur staat open

Filadelfia – wat een gemeente! Moet Johannes in zijn zes andere brieven ook kritiekpunten aan de betreffende gemeenten schrijven, over Filadelfia, de zesde gemeente, niets dan goeds. Ze hebben de naam van de Heilige, de Betrouwbare (3:7b) niet verloochend. Oké, ze hebben weinig invloed (3:8), maar toch zal Jezus (want Hij is de eigenlijke auteur van de brief, zie 3:12) de satanisten en wie ‘zich Joden noemen en het niet zijn’ naar deze gemeente leiden en hen door de knieën laten gaan, of met een proskunèsis ter aarde laten neerwerpen, als teken van eerbied. En zij zullen daarmee – het belangrijkste – erkennen: ‘dat Ik u heb liefgehad’. Voor deze gemeente staat de deur altijd open, ze zijn welkom in de aanwezigheid van de Heilige en betrouwbare, die de sleutel van David heeft (zie Jesaja 22:22), ja, is. Maar ook deze gemeente kan er niet onderuit te horen dat ‘binnenkort de tijd van beproeving aanbreekt’ (3:10). Heel de aarde en alle mensen die leven worden op de proef gesteld. Daartegenover wordt de nabijheid van ‘die heilig en betrouwbaar is’ nogmaals toegezegd in de belofte: ‘Ik kom spoedig.’ En ook hier zal wie overwint een blijvend teken ontvangen: ‘een zuil in de tempel van mijn God’, hoewel die tempel er in werkelijkheid niet meer is. De hoorders en lezers van de Apocalyps wisten dat heel goed. Maar met behulp van de taal van de Schriften wordt hun vertrouwen in Christus versterkt in het stormen van de tijden. Het beeld van de zuil verwijst naar de Romeinse keizercultus waar de opperpriester aan het eind van zijn werkzame leven zijn naam in de keizerlijke zuil mocht laten beitelen. Ook hier toont de Apocalyps zich een opponent tegen de gangbare cultuur.

De dag des Heren

Waar Johannes op Patmos (eind eerste eeuw) aan de gemeenschap te Filadelfia moest schrijven over de ‘tijd van beproeving’, zit ook de gemeenschap rond de evangelist Lucas daar middenin. Dit Evangelie kwam tot een eindredactie in de jaren tachtig van de eerste eeuw, dus weet deze gemeenschap en zeker de adressant Theofilus (1:3) van de verwoesting van Jeruzalem en haar tempel. Tijdens en na zo’n catastrofe verliest men alle oriëntatie en houvast. Hier is dus sprake van een heroriëntatie, een poging om met behulp van overgeleverde uitspraken van Jezus en het paasgeloof van de gemeente te zoeken naar een constante. Het godsgeloof zit hem niet in de tempel, de mooie stenen en wijgeschenken, maar in waarmee Jezus hier eindigt: ‘Red je leven door standvastigheid’ (21:19). Dat is meer dan ‘Red je leven van de dood door standvastigheid’. Het is: red je leven van wanhoop en vertwijfeling, van je ziel verkopen aan de duivel, want dan verlies je je leven. Red het door je vast te houden aan de belofte en het onderricht van de Tora. En aan de woorden van wijsheid die Jezus je zal schenken (21:15). Wanneer zal dat allemaal gebeuren? Op de dag van de Heer, de Paasdag, die de gemeente viert als haar opstandingsdag. Uit de beproeving van de doden.

Deze exegese is opgesteld door Nico Vlaming.

< Terug