< Terug

‘Doe alle moeite’

Tiende zondag van de zomer (Jesaja 30:15-21 en Lucas 13:22-30)

De tijd dat we ons zorgen maakten over ons behoud, of we wel of niet gered zouden worden in gelovig/godsdienstig opzicht, lijkt voorbij. We zijn ons nauwelijks meer bewust van de situatie waaruit of waarvan we dan gered zouden moeten worden. Een eeuwige verdoemenis? Intussen is het wel een evangelische vraag, een vraag die in het evangelie gesteld wordt. Zijn het er veel, of zijn er maar weinigen die gered worden? Wat is daarop uw antwoord?

De woorden van de profeet Jesaja – hij spreekt namens de Heer – hebben een helder adres: ‘jullie koppige kinderen’. De gemeenschap rond Sion wordt aangesproken (30:1.19 – Nieuwe Bijbelvertaling). Ze verkeren in een benarde politieke en economische situatie waarin ze hulp zoeken bij het land dat ze ooit in grote benauwdheid ontvlucht zijn, Egypte. Ze sluiten verdragen, voeren plannen uit. Dat is tegen de zin en tegen de wil van de Heer. Zo spreekt Hij. De grootste pijn: ze raadplegen Hem niet. ‘Val ons niet lastig met de heilige van Israël’ (30:11). Gevolg: hun schuilen in de vesting van Farao brengt hun geen hulp en levert gaan voordeel op, maar schande, spot en hoon (30:5). Het gaat er fel aan toe. Het dispuut (maatschappelijk debat?) tussen de Heer en zijn ‘onhandelbaar volk, kinderen vol bedrog’ (30:9) staat op scherp.

De Heer doet alle moeite

En toch, de harde woorden van oordeel van de kant van God, de Heer, verzachten in zijn eigen gemoed, in zijn met ontferming bewogen innerlijk. Ze komen uit dezelfde mond: woorden van verwijt, vertroosting en hoop. In 30:15-17 is de clash nog hevig: het kijvende heen en weer, de woede-uitvallen van weerskanten, worden prachtig beschreven. Het toekomstbeeld voor dit volk wordt uitgetekend in een verlaten vaandel op een heuvel, een paal op een bergtop, het symbool van eenheid en macht smadelijk in de steek gelaten, opgegeven. En toch, de liefde van de Heer, zijn ijver is niet over. Hij kan niet wachten om genadig te zijn (30:18). Opnieuw wordt het karakter van deze God getekend: zijn oordeel is genade, je hoeft maar te roepen en Hij antwoordt zodra Hij je hoort (30:19). Zijn eens gegeven woord doet wat het zegt, keert niet ledig, zonder vervulling, tot Hem terug. Het is het woord van de wijze schoolmeester die jou goed heeft onderwezen. Als op een reünie ‘zul je met eigen ogen je leermeester zien’. En nog eens geeft Hij aanwijzingen hoe te gaan, hoe te leven. ‘De Heer is een God van recht. Gelukkig de mens die op Hem wacht’ (30:18).

Waar ken Ik jullie van?

‘Zijn er maar weinigen die worden gered?’ (Lucas 13:23). Jezus geeft geen direct antwoord. Hij ontwijkt de vraag, lijkt het. Hij – ingefluisterd door een goede spindoctor of woordvoerder? – begint over iets anders. Maar dat andere bevat indirect wel een antwoord op de vraag. Intussen is het misschien goed om even naar Jeruzalem te kijken (13:22). Het lijkt erop dat Lucas twee Jeruzalems kent. Niet het hemelse en het aardse, maar het geografische (Gr.: Ierousalèm, bijv. in 13:4) en, laten we zeggen, het mystieke, de stad die met het oog op het Pesachfeest zo genoemd wordt (Gr.: Hierosoluma, zoals in onze lezing, 13:22). Sommigen vragen zich af of dat ‘tweede’ Jeruzalem zo heet in de dagen van Pasen, als een verbijzondering, een religieuze of liturgische benaming. Het kan aanduiden dat het verhaal vanaf nu – sinds de aankondiging in 9:51: ‘Toen de dagen vervuld werden, richtte Hij zijn aangezicht naar Jeruzalem’ (Vertaling NBG 1951) – duidelijk op Pasen afgaat. In de kleine ‘gelijkenis’ over de huisheer (vanaf 13:25) komt dan ook het woord ‘opstaan’ voor, het paaswoord dat veel meer inhoudt dan uit je bed stappen. Pasen kan een scheiding veroorzaken tussen hen die binnen en die buiten staan. De Messias volgen, behouden worden – de vraag was of er weinigen gered worden: Pesach duidt op een uittocht (van Israël). Maar ook op een afgang (van Egypte). En ‘wanneer de heer des huizes eenmaal is opgestaan’, dan is het oordeel al geveld, dan is de mogelijkheid om te kiezen voorbij. Daarom: ‘Doe alle moeite (…)’ (13:24).

De smalle deur naar het Koninkrijk

De korte gelijkenis heeft veel weg van het grotere verhaal van Matteüs, van de bruidegom in de nacht, met de vijf wijze en de vijf dwaze maagden, van wie de helft de deur gesloten vindt. Ook daar zegt de heer (de Heer): ‘Ik ken u niet’ (Matteüs 25:1-13). ‘Maar we hebben toch met U gegeten en gedronken, de maaltijd gebruikt!’ Hier wordt als het ware een beroep gedaan op het visioen van de maaltijd van alle volkeren in het Koninkrijk der hemelen. Kun je daar buiten komen te staan? Het sluit natuurlijk ook aan bij de vraag die Jezus zelf stelt: ‘Waarop lijkt het Koninkrijk van God?’ (Lucas 13:18). ‘Ook het onderricht dat men van Jezus ontvangen heeft, wordt als argument gebruikt om erbij te mogen horen: ‘U hebt in onze straten onderricht gegeven!’ (13:26). Maar het helpt allemaal niets. Het hellevuur wordt dan nog wel niet genoemd, maar wel het daarbij horende jammeren en knarsetanden. Zelfs de nabijheid van de aartsvaders, van Abraham, Isaak en Jakob en al de profeten: zij wel in het Koninkrijk van God, maar wie niet door de enge poort wil binnengaan, dat wil zeggen de weg van het lijden en de zelfverloochening wil gaan, die gedraagt zich niet als geroepene en wordt beschouwd als rechtsverkrachter. Allemaal beeldende uitleg en aankondiging vanwege de vraag: ‘Worden er dan maar weinigen gered?’ Jezus zet zijn en onze roeping op scherp. De tweede etappe op de weg naar Jeruzalem is begonnen (9:51; 13:22; 17:11). Een pittig begin na een mooie zomervakantie. Voor ons dan.

Deze exegese is opgesteld door Nico Vlaming.

< Terug