< Terug

Een bescheiden overvloed

Bij 1 Koningen 17,1-16

In het eerste vers van 1 Koningen 17 wordt Elia voor het eerst genoemd, maar het zou beter zijn om al te gaan lezen waar koning Achab geïntroduceerd wordt, in vers 29 van het vorige hoofdstuk. Want het optreden van Elia reageert op het optreden van Achab. Het boeiende is dat beiden een vrouw uit Sidon en omstreken aan hun zijde krijgen.

De bewegingen en de milieus zijn wel tegengesteld. Achab haalt een prinses van het hof van de handelshaven Sidon naar zijn hoofdstad Samaria. Hij breidt zijn strategische, economische en culturele basis uit, er wordt verwoed gebouwd in Israël. Elia komt als hongervluchteling in het gebied van Sidon terecht en treft daar een arme weduwe en haar zoon aan, die door hun voedselreserves heen zijn.

Gespreid beleggen?

De beweging van Achab zouden we in onze dagen als verstandig omschrijven: streven naar groei, en daarbij ‘gespreid beleggen’. Niet alle kaarten zetten op de schepper- en herdergod van Israël, maar ook gepaste ruimte maken voor de cultus van Baäl en die van Asjera. Tenslotte is Asjera de moedergodin van Kanaän en is Baäl de god van vruchtbaarheid en strijd. In het verkeer met de buurvolkeren zijn dit symbolen die ertoe doen.

Maar door overal aan mee te doen verliest Achab, net als zijn voorgangers en de meeste van zijn opvolgers, het contact met de kern en de bron: de verbondenheid met de Eeuwige. Droogte en honger volgen, de goden van het land ten spijt. Elia is degene die hem daarbij moet bepalen. Het is indrukwekkend dat Elia zelf de prijs voor zijn boodschap meebetaalt. Hij blijft in leven, maar hij wordt niet beloond met luxe – hij deelt in de vloek die hij over zijn volk afroept. De korte passage over Elia in wadi Kerit blijft intrigerend: hij leeft er als een soort wildeman in de woestijn, misschien wel bijna op de plek waar volgens de overlevering later de Doper in eenzelfde mantel zal rondlopen en waar Jezus zijn veertigdaagse beproeving zal ondergaan. De raven waren voor Elia de engelen die hem dienden. Hij leeft op de grens van het land en van het mogelijke, buiten de cultuur. En om weer bij de mensen te komen moet hij niet terug, maar verder, Israël uit, naar het heidense eind van de aarde aan de Grote Zee, nota bene naar het moederland van Izebel. Ook daar zal Jezus ooit in zijn voetsporen gaan, naar Sarepta Sidonis, om er een opmerkelijke ontmoeting met een vrouw te hebben.

De ‘bruidstest’

Elia treft de weduwe aan voor de poort van de stad, en stelt haar een vraag die allerlei intertekstuele bellen doet rinkelen: ‘Haal voor mij toch een beetje water ergens in, om te drinken’ (1 Kon. 17,10). Met ‘ergens in’ vertaal ik het Hebreeuwse bakeli dat letterlijk ‘in gerei’ betekent. Het geeft eigenlijk alleen maar aan dat Elia niet met zijn eigen beker klaarstaat. Het doet me denken aan de knecht van Abraham, die voor de poort van Haran een meisje vraagt om hem te drinken te geven uit haar kruik (Gen. 24,17). Zij zal de ware zijn als ze niet alleen dat doet, maar ook voor alle kamelen van de knecht water put. In het Eliaverhaal zit ook zo’n dubbele test. Het is al niet niks dat de vrouw (met haar dood en die van haar zoon voor ogen) direct water gaat halen, maar Elia roept haar vanuit die beweging van bereidheid terug voor het onmogelijke tweede verzoek: neem ook wat brood mee (1 Kon. 17,11). Als de vrouw haar situatie onthuld heeft, houdt Elia zijn verzoek staande. Hij doet weliswaar een belofte van wonderbare redding, maar die zal pas blijken als de vrouw eerst haar laatste middelen aan brood voor de godsman heeft opgemaakt. Door dat risico te nemen, evenaart ze de ‘bruidstest’ van Rebekka in Genesis 24.

Natuurlijk komt ook Johannes 4 in gedachten, waar Jezus de Samaritaanse vrouw om iets te drinken vraagt. Daar zinspeelt de vrouw in haar eerste reactie op de regel dat Joden geen vaatwerk mogen aanpakken uit handen van een Samaritaanse, omdat over haar reinheid niets met zekerheid te zeggen valt. Mijn vraag bij het Eliaverhaal is dan: zou die vermelding van bakeli, ‘ergens in’, aangeven dat Elia zich onvoorwaardelijk aan de zorg van deze niet-Joodse vrouw toevertrouwt, waardoor er sprake is van een sterke wederkerigheid?

In Israël tevergeefs gezocht geloof

In dit Lucasjaar is de weduwe van Sarefat al eenmaal ter sprake geweest: in de woorden van Jezus bij zijn eerste optreden in de synagoge van Nazaret in Lucas 4(,26). Daar geldt zij als toonbeeld van een geloof waarnaar in Israël tevergeefs wordt gezocht. Het boeiende is dat Lucas als enige evangelist naar dit verhaal verwijst, terwijl Marcus en Matteüs vertellen over een ontmoeting van Jezus met een ‘Syro-Fenicische’ vrouw (Marc. 7, Mat. 15) terwijl Hij net als Elia is uitgeweken naar de omgeving van Tyrus. Ook daar gaat het om een vrouw die met haar geloof en vasthoudendheid aan de godsman gewaagd is.

De lezing uit 1 Koningen 17 eindigt met een bescheiden soort overvloed: geen wijn en wildbraad of goud en diamanten, maar een nimmer eindigende stroom van pannenkoekenbeslag. Er is leven en ademruimte. ‘Het kan niet op’: bij Achab en in ons hedendaagse marktdenken was dat het uitgangspunt, waarna het een onverteerbaar drama is als alles instort. Bij Elia en de weduwe is het wat volgt op de bereidheid om andere waarden voor te laten gaan: de verbondenheid met een God van gerechtigheid en vrijheid, de gastvrijheid en de zorg voor degene die op je weg komt.

< Terug