< Terug

Een dialectiek die niet veiligstelt

‘Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het redden’ (Marcus 8, 35)

Ons verlangen naar veiligheid lijken we hoofdzakelijk te willen vervullen door op security gerichte maatregelen en systemen. Regelgeving van de over-heid, risicomanagement in bedrijven en organisaties, wetenschappelijke be-rekeningen en technische veiligheidssystemen moeten ons beschermen tegen allerlei mogelijk onheil. Met al die maatregelen proberen we de onveiligheid die we ervaren te bestrijden en zo mogelijk op te heffen.

Onderzoekers als Beatrice de Graaf wijzen erop dat de ervaren onveilig-heid in feite niet overeenkomt met de objectieve cijfers van een significante crime drop. De gevoelde onveiligheid is veel hoger dan wat mensen, zeker in een veilig en welvarend land als Nederland, daadwerkelijk meemaken aan criminaliteit en terreur. Bij de behoefte aan veiligheid lijkt het daarom om meer te gaan dan objectieve onveiligheid door de dreiging van virale besmettingen, nucleaire rampen, terroristische aanslagen of financiële crises. Veeleer lijken diffuse gevoelens van onmacht en weerloosheid achter de behoefte naar objectieve veiligheid schuil te gaan. Deze gevoelens worden geprojecteerd op zichtbare verschijnselen als criminaliteit en terrorisme en uiten zich in een sterke behoefte om ons te willen beschermen tegen externe risico’s.

Daarmee wordt de vraag naar veiligheid echter ten onrechte ingeperkt tot een kwestie van beheersing en security. Door veiligheid zoveel mogelijk systemisch te organiseren komen we nog niet tegemoet aan de onderlig-gende existentieel ervaren onveiligheid en onzekerheid. Om in termen van de tekst van Marcus 8:35 te spreken: we willen ons leven redden en deze redding vroegtijdig afdwingen. Dat is, zoals Kierkegaard in een van zijn opbouwende toespraken schrijft, een omkering van zaken, ‘die wil oogsten voor het zaaien, die zekerheid wil voordat hij begint’. Het leven is kwetsbaar en broos, maar daaruit kunnen we onszelf niet redden door onze zekerheid te vestigen op het ideaal van objectieve veiligheid. Het woord van het evangelie interrumpeert als het ware deze behoefte. ‘Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.’ De verborgen soteriologie die schuilgaat achter onze veiligheid-sutopieën wordt daarmee als inadequaat ontmaskerd.

Als positieve bijdrage hebben diverse theologen en christelijke weten-schappers erop gewezen dat we het niet alleen over securitas zouden moeten hebben, maar ook over zoiets als certitudo. We kunnen van religie, en het christelijk geloof in het bijzonder, iets leren dat in het gangbare veiligheids-denken niet wordt gehonoreerd: dat we veiligheid niet slechts met uitwendige middelen kunnen realiseren in systemen die gericht zijn op security, maar dat we ten diepste een innerlijke veiligheid en geborgenheid zoeken die religieus van aard is. De route van de securitas brengt het heil binnen het bereik van mensen, of het nu op religieus gebied is door rechtvaardig te leven of in het burgerlijk leven door gezondheidsrisico’s te vermijden (niet roken, wel sporten). Volgens Luther, die het begrippenpaar gebruikt, is deze weg een illusie: mensen hebben het heil niet in eigen hand. Volgens de heilsweg van de certitudo daarentegen ontvangt de mens heil en verlossing als een genadegave van God. Deze weg is niet illusoir, maar de enige werkelijke zekerheid. Tenminste, dat geldt voor wie bereid is om zijn verlossing en heil niet zelf te organiseren en het risico durft te nemen om te bouwen op een zekerheid die hij niet zelf in de hand heeft. ‘Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evan-gelie, zal het redden.’

Hier zou deze meditatie kunnen eindigen. Naast al onze gerichtheid op security, die overigens op allerlei manieren te legitimeren is (graag security checks voordat het vliegtuig wordt betreden!), zouden we moeten beseffen dat onze existentiële onzekerheid om een andere benadering vraagt, een benadering die tegemoetkomt aan een dieper verlangen naar heil en veiligheid. Amen.

Toch kan het hier niet bij blijven. Want op deze manier lijkt het alsof het evangelie een alternatieve oplossing biedt voor onze veiligheidsverlangens. De heilsweg van de certitudo gaat dan fungeren als oplossing en wel de ware oplossing die niet geboden kan worden in het op security gerichte streven. Certitudo biedt dan een zekerheid die de securitas niet kan bieden. Zo zou een nadruk op certitudo ten prooi vallen aan de verleiding geloof en God op te voeren als Lückenbüsser, die de zaak oplost daar waar we er als mens niet meer uitkomen.

De tekst uit Marcus kent echter een dynamiek die zich niet laat vangen in een dergelijke oplossingsgerichte benadering. De dynamiek bestaat in een dialectiek die niet oplost en niet veiligstelt. We miskennen deze dynamiek als we de tekst opvatten als een methodische weg die we stapsgewijs kunnen volgen: eerst leggen we onze illusoire drang naar zelf-georganiseerde zeker-heid af (want wie zijn leven wil redden, zal het juist verliezen), vervolgens zoeken we ons heil en onze verlossing waar deze werkelijk te vinden zijn (we verliezen ons leven omwille van Christus en het evangelie) en ten slotte vinden we dan de ware zekerheid en veiligheid (we redden ons leven). Hier-mee zou de weg van de certitudo een nieuwe waarschijnlijkheid krijgen, die qua structuur in wezen niet verschilt van die van de securitas.

Maar wat zou het een mens helpen, zo vervolgt Kierkegaard in dezelfde opbouwende toespraak, als hij God ‘in waarschijnlijkheid wil vangen, maar het onwaarschijnlijke niet wil begrijpen: dat je alles moet verliezen om alles te winnen en dat zo oprecht begrijpen dat hij niet op het beslissende ogen-blik, als de huiver van het waagstuk al door zijn ziel gaat, zichzelf weer gauw te hulp komt’. Dan zou je, aldus Kierkegaard, een ‘oneigenlijke overwinning’ afdwingen en de eigenlijke opgave omzetten in ‘wereldse berekening’. In onze termen: de opgave om de onzekere weg van de certitudo te gaan zou weer teruggebracht worden tot de berekening van de securitas. De dynamiek van het evangeliewoord wordt opgeheven als er een middel-doel-structuur van wordt gemaakt: ik verlies mijn leven om het te redden.

Het verrassende van de omkeringen in de bijbeltekst is dat de dynamiek gaande blijft. Op het moment dat ik denk mijn leven veilig te kunnen stellen door het evangeliewoord te volgen, slaat datzelfde evangeliewoord ironisch toe. Immers, dan wordt opnieuw van kracht: ‘wie zijn leven wil redden, zal het verliezen’! Daarmee bevat de tekst een dialectiek die niet wordt opge-heven. De weg van de certitudo blijft risicovol. Dreiging en onveiligheid in het leven worden niet opgeheven door de zekerheid van het geloof, maar juist onderkend. De kwetsbaarheid van het bestaan wordt niet opgelost. Wie zijn leven redt door het te verliezen omwille van Christus, moet het steeds weer durven verliezen. Het heil wordt blijvend van elders verwacht.

< Terug