< Terug

Een eindeloze zondag

De stilstaande zon in Jozua 10

Het is een stoere afbeelding. Ik zie een krijgsheer, zeker twee keer zo groot als de soldaten waar hij voor staat. Hij heeft een prachtig harnas aan. Zijn hand wijst naar een enorme zon. De maan staat achter hem. En voor hem liggen kleine vijandjes, verslagen op het veld.

In de Nieuwe Amstelstraat in tref je een gevelsteen met deze afbeelding aan. Het is een verbeelding van Jozua 10:13:

En de zon stond stil
en de maan bleef staan,
tot zijn vijanden had afgestraft.
Dit staat opgetekend in het Boek van de Oprechte.
De zon bleef een volle dag boven aan de hemel staan
voordat ze onderging.

Het vers verhaalt van een eindeloze zondag bij Gibeon, waar Jozua als bondgenoot van strijd levert met hun vijanden. Wijsheid van Jezus Sirach 46:4 en Josephus Antiquitates Judaicae V, 16 benadrukken de lengte van de strijd, die door deze stilstaande zon twee daglengtes duurde op een dag. Wetenschappelijk stuit je bij Jozua 10:13 wel op een probleem: een zon die blijft stilstaan past alleen in een ptolemeïsch wereldbeeld waarin de aarde het middelpunt van het heelal is. Copernicus heeft definitief ons wereldbeeld veranderd. Het afdoen als ‘zo machtig is God nu eenmaal dat hij de zon, de maan en de wereld stilzetten, dat zullen we toch niet snappen’, is mij te simpel. Ook Amerikaanse astronomen die menen te kunnen aantonen dat er in Jozua’s tijd ooit een dag zo lang als twee dagen heeft bestaan, volg ik niet. Zij rekenen ermee dat dit verslag een letterlijke weergave is van een gebeurtenis uit het tweede millennium voor Christus en baseren daarop hun berekeningen, waar ik denk dat het een literaire weergave is uit de tijd van de ballingschap. In dit artikel wil ik de stilstaande zon bij eens goed bekijken en zoek ik naar een lezing die ook voor ons post-Copernicaanse wereldbeeld iets te zeggen heeft.

Gehoorzaam

De maker van die mooie gevelsteen in heeft onder de afbeelding geschreven: Die Gode gehoorsaamt, gehoorsaemen d’elementen. Zijn uitleg van Jozua 10:13 is helder: Jozua gehoorzaamt God, en daarom gehoorzamen de zon, de maan en niet te vergeten de hagel (10:11) Jozua. Gehoorzaamheid aan God en zijn voorschriften is volgens mij het centrale thema van Jozua, en dan met name in Jozua 1-12. De besnijdenis van de mannen in Jozua 5 is een fysieke uiting van die gehoorzaamheid. In Jozua 6 is gehoorzaamheid het instrument om in te nemen. Het contrast tussen Rachab en Achan zet de rol van gehoorzaamheid nog eens op scherp: Rachab hoort naar de daden van God (Jozua 2) en krijgt daarom een plek in het volk (Jozua 6:25). Achan daarentegen is, wanneer hij neemt van het bangoed van , ongehoorzaam aan Gods voorschriften en verliest daardoor zijn plek te midden van (Jozua 7:25). Als het volk door de steniging van Achan het ongehoorzame element verwijderd heeft uit zijn midden, resulteert dat onmiddellijk in een succesvolle overwinning van Ai. De centrale rol van gehoorzaamheid zet zich voort in Jozua 9, waar de Gibeonieten slim gebruikmaken van hun kennis van verdragen. Omdat hun woonplaats maar een paar kilometer van het kamp van af ligt, weten ze dat ze het gevaar lopen veroverd te worden. Daarom doen ze zich met versleten kleren en oud brood voor als een volk dat ver weg woont. Met zo’n volk mocht immers vrede sluiten. sluit inderdaad een verbond met de Gibeonieten, maar komt er ook al snel achter dat ze bedrogen zijn. Gehoorzaam aan hun eigen woord houden ze echter het verbond met de Gibeonieten in stand.

Bondgenoot

Dan volgt Jozua 10. De Gibeonieten hebben door een verbond te sluiten met zich de vijandschap van hun eigen buurtvolkeren op de hals gehaald. Voor hen was Gibeon een potentiele bondgenoot, en is een vijand. Gibeon heeft die kaders nu doorbroken en daarom een aanval tegemoetzien. Koning Adonisedek van Jeruzalem verzamelt daartoe nog vier Amoritische koningen om zich heen. In voelen ze de dreiging en roepen ze Jozua te hulp. En hij komt, als een echte bondgenoot, met zijn manschappen vanuit Gilgal naar toe. In 10:8 staat dat God aangeeft dat Jozua niets te vrezen heeft, en dat de overwinning zeker is. God is dus op de hoogte van Jozua’s beslissingen, en stuurt hem in zekere zin zelfs op pad. Jozua verrast de vijanden van , en God zaait paniek onder hen (10:10). Jozua achtervolgt ze van via Bet-Choron naar Azeka en Makkeda. Hagel doodt de vijanden die proberen te vluchten. In vers 12 blijkt dat dit geweld niet zomaar is gebeurd, maar een verhoring is van een gebed dat Jozua heeft gebeden: ‘Zon, sta stil boven , maan, blijf staan boven de vlakte van Ajjalon.’ Het wordt gevolgd door het hierboven geciteerde vers 13 over de daadwerkelijke stilstand van deze hemellichamen. De schrijver van Jozua benadrukt het bijzondere karakter van dit gebeuren als hij in 10:14 schrijft dat het ‘voor noch na die dag’ is voorgekomen en dat het de enige keer was dat God op deze wijze een gebed verhoorde, ‘maar de Heer streed dan ook voor Israël’ (10:14). Jozua keert hierna terug naar het kamp Gilgal. In het vervolg van het verhaal, dat ik hier niet zal bespreken, wordt verteld over het lot van de vijf gevluchte koningen. De zon komt nog eenmaal ter sprake als in 10:27 de inmiddels gedode Amoritische koningen in de grot worden geworpen waar ze zich hadden verscholen, ‘bij zonsondergang’. Het werk is gedaan, de zon dus ondergaan.

Standplaats

Voor de lezer van Jozua die de gebeurtenissen nauwkeurig wil intekenen op de landkaart en wil plaatsen in de tijd, biedt de tekst nogal wat uitdagingen. Een ervan is de locatie van de verteller van de strijd rond . Deze moet zich ergens tussen , waar de zon stilstaat, en Ajjalon, waar de maan stilstaat, bevinden. Hij moet immers beide kunnen zien. Het lijkt waarschijnlijk om te veronderstellen dat hij dus in Beth-Horon staat, zoals ook in 10:10-11 wordt gesuggereerd. Dan nog is het duidelijk een literair standpunt, doordat staand op de grond de verteller onmogelijk alles gezien hebben wat hij beschrijft. Omdat zon en maan nog te zien zijn in 10:12, lijkt het tijdstip van de strijd in de morgen te liggen. Dat is niet helemaal gelijk aan wat in het laatste deel van 10:13 gesuggereerd wordt: ‘de zon bleef een volle dag boven aan de hemel staan’; dit duidt namelijk echt op het middaguur. De maan is hier uit beeld verdwenen. Maar hoe het ook zij, het lijkt erop dat voor de verteller de zon ergens voor de middag aan de hemel is blijven staan, nadat Jozua in de nacht de vijanden van de Gibeonieten had aangevallen. Als de zon daadwerkelijk pas in 10:27 ondergaat, hebben Jozua en zijn mannen binnen een etmaal enkele tientallen kilometers afgelegd en bovendien ook nog hevige strijd geleverd. Voor wie de kaart van Israël ernaast legt, zal duidelijk worden dat deze dagmars via een hoogst inefficiënte route gelopen is. Het lijkt dus zeer terecht om de vraag te stellen: wat gebeurt er eigenlijk in dit verhaal? En, meer nog: wat wil het eigenlijk zeggen dat die zon stilstaat?

Meteorieten

Het stilstaan van de zon wordt verteld met gebruik van het werkwoord dmm. Dit kun je op verschillende manieren vertalen. Ik begin met in mijn ogen de meest onlogische die ik tegenkwam: ‘donker worden’. De mogelijke lezing van 10:12-13 wordt dan dat de zon ‘donker werd’ en de maan dus nog het enige licht was. deze vertaling te kunnen rechtvaardigen, moet je dan suggereren dat het in het betrekkelijke duister van een maanverlichte nacht makkelijker was om aan te vallen. Deze vertaling ondersteund worden door het idee dat de hagelstenen (10:11) misschien wel meteorieten waren die het licht verduisterd hebben. De volgers van deze redenatie gaan echter voorbij aan de samenhang tussen het woord dmm, ‘staan’ voor de zon, en ‘md, ‘staan’ voor de maan, wat een vertaling met ‘stilstaan’ veel logischer maakt dan ‘donker worden’. De volgende drie opties besteden iets meer aandacht aan de combinatie dmm en ‘md.

De tweede mogelijkheid is dmm vertalen met ‘stil zijn’. Deze vertaling veronderstelt dat de zon een god was van wie een van de partijen een teken wilde krijgen. De zon ‘zweeg’ echter, en het teken bleef dus uit. Deze uitleg gaat alleen op als je veronderstelt dat de tegenpartij om een teken vroeg, en dat door het uitblijven ervan Israël kon winnen. Er is geen aanwijzing dat dit het geval is. Jozua 10:14 vertelt dat JHWH Jozua’s gebed verhoorde en dus zegt dit vers tevens dat het gedrag van de zon het door Jozua gewenste gedrag was. Dat betekent dus dat een interpretatie waarbij de Amorieten of Jozua een teken van de zon vroegen, en dat deze zweeg, niet mogelijk is.

De derde uitleg ligt enigszins in het verlengde hiervan en ziet de zon als beschermgod: hier wordt het werkwoord dmm wel als ‘stilstaan’ vertaald, maar met het idee dat de zon bleef ‘waken’ over Gibeon en Israël. Een uitleg die opnieuw contrasteert met de eigenlijke God in het verhaal, die volgens de auteur van Jozua de overwinning geeft, JHWH (10:14). De laatste mogelijkheid die ik vond, is de vertaling van dmm met ‘zwijgen vanwege angst’ zoals het ook in 2 Samuël 20:12 en Exodus 15:16 gebruikt wordt. Hier is het dan niet uit angst, maar uit respect voor de overwinning die JHWH zijn volk gaf dat de zon en maan zwegen als getuigen van God. Geen van de vier gepresenteerde alternatieven voor ‘stilstaan’ vind ik overtuigend. De eerste optie forceert een letterlijke lezing door een combinatie van natuurverschijnselen voor te stellen. De andere lezingen gaan uit van een goddelijke of aanzienlijke status van de zon en de maan, die in het verhaal ook nog een rol van betekenis speelt. De vierde optie, waar de zon en maan Gods getuigen zijn, komt nog het meest in de richting van de lezing die ik verkies. Het gaat in het boek Jozua namelijk juist steeds om de centrale rol van JHWH, zoals ook blijkt uit 10:14:

Het is voor noch na die dag voorgekomen dat de HEER op die manier gehoor gaf aan de bede van een mens, maar de HEER streed dan ook voor Israël.

Een blik in de Umwelt van Israël levert een andere mogelijkheid op hoe het verhaal te lezen. Ook in deze lezing speelt de goddelijke status van de zon en de maan een rol, maar is het juist de ontkenning van deze status door het verhaal zelf, die het zijn betekenis geeft.

De zon en de maan en andere hemellichamen waren voor de Israël omringende culturen goden. Onder anderen Hildo van Es gaat hier uitgebreid op in in zijn artikel in dit nummer van Interpretatie. Het verhaal van de stilstaande zon in Gibeon gelezen worden als een kritiek op dat wereldbeeld. Niet de zon en de maan met hun geprezen wetmatigheid van opgang en ondergang beslissen wat er gebeurt, maar JHWH. Als zon en maan, dmm en ‘md, stilstaan en staan, valt de wereld niet stil. De zon en de maan worden in Jozua 10 van hun zogenaamde goddelijke meerwaarde ontdaan, en zijn weer gewoon instrumenten in de hand van JHWH, kandelaars aan zijn hemel (Gen. 1:14-15). Als de zon en de maan in één adem worden genoemd, worden ze beschouwd als goden. Dat in de uitvoering van het verhaal de zon alleen nog genoemd wordt, is meteen een illustratie van hun gereduceerde positie tot enkel lichtdragers. Daar is de zon alleen genoeg voor; als die schijnt, dan is de maan niet meer nodig. Dit komt overeen met Psalm 104, waar wordt gezegd dat de zon ‘de tijd van haar ondergang’ kent (Ps. 104:19) en ook Job spreekt over JHWH’s macht om de zon niet te laten opgaan in Job 9:7. Voor de schrijver van Jozua is het geen wonderlijk gegeven dat de zon stilstaat, daartoe was God immers in staat. Het lijkt erop dat hij meer verwonderd is dat het gebeurt door de opdracht van een mens, Jozua. Dit geeft aan dat Jozua niet zomaar een mens is, maar iemand die bij machte is om deze uitspraak te doen, en dan ook uitvoering ervan te ervaren. Binnen deze exegese past de Amsterdamse gevelsteen uit het begin van het artikel heel goed. De bede om de stilstaande zon (10:12) komt uit de mond van Jozua, maar de uitvoering komt van de hand van JHWH (10:14). Hiermee zijn alle verhoudingen ook weer duidelijk neergezet: de zon en de maan zijn ondergeschikt aan JHWH. Jozua bidden, maar JHWH voert uit en stuurt uiteindelijk zowel de hemellichamen als het volk Israël aan. Zoals zon en maan gehoorzamen, zo zal ook het volk moeten gehoorzamen wil het de belofte van het land blijven ontvangen. Die eindeloze zondag is geen beschrijving van een kosmisch wonder, maar een illustratie van wat er mogelijk is als JHWH aan het roer is: dan hebben andere zogenaamde goden niets meer te zeggen en wordt vijanden hun plaats gewezen. Deze lezing van het verhaal geeft betekenis aan het verhaal zonder zich in allerlei astronomische bochten te hoeven wringen, of een goddelijke status van de hemellichamen te hoeven erkennen. De lezing doet mijns inziens recht aan de context van het boek Jozua en het Oude Testament, maar geeft mij als christelijk lezer ook de mogelijkheid om het verhaal te lezen als een prelude op die eindeloze zondag, met de Sol Invictus die ooit mag aanbreken.

Literatuur

T. Baarda, ‘De zon, die stil stond…’ Regelrecht 5/2 (1968), 33-49.

David M. Howard Jr., Joshua (NAC 5), : Broadmann & Holman 1998.

K. Lawson Younger Jr. ‘The Rhetorical Structuring of the Joshua Conquest Narratives’ in: Richard S. Hess, Gerald A. Klingbeil, Paul J. Ray Jr. (red.), Critical Issues in Early Israelite History (BBRS 3), Winona Lake: Eisenbrauns 2008, 3-32.

< Terug