< Terug

Een rol voor Douwe

Bij Johannes 3: 22-30

‘Laten we er maar op tijd mee beginnen’, roept de juf van groep 8 op maandagmorgen.
‘Zullen we dit jaar een toneelstuk doen in plaats van een kerstviering? Wie doet er mee?’

Alle vingers gaan de lucht in. Sofie wil Maria zijn. En Sjoerd is wel een goede herder. Tom is Jozef en Marieke heeft al een witte jurk, dus die kan engel zijn. Er zijn nog meer herders nodig, en engelen. En een herbergier natuurlijk. Alle kinderen krijgen een rol. Iedereen heeft er zin in.

Het zal dit jaar wel anders dan anders worden. Vaders en moeders, opa’s en oma’s mogen er niet bij zijn als het toneelstuk wordt opgevoerd. Dat komt door corona. Alleen de kinderen uit de andere groepen komen kijken.

Op dinsdagmiddag is de eerste repetitie. De juf loopt haar lijst langs: ‘Sofie is Maria, Peter is herbergier… Hé Douwe, waarom sta jij niet op de lijst? Heb ik jou geen rol gegeven?’
Douwe wordt zo rood als een biet. Nee, hij heeft geen rol en hij wil ook helemaal geen rol. Toneelstukjes vindt hij spannend. Hij wordt zeker weten rood, of hij vergeet zijn tekst.

‘Dat is nou ook wat’, moppert de juf. ‘Iedereen moet toch mee doen.’
‘Ik weet wel wat’, zegt Douwe. ‘Er mag dit jaar niemand komen. Als we voor de camera spelen, kan iedereen thuis op de computer meekijken.’
‘Ik weet het niet, hoor’, zegt de juf. ‘Dat vind ik veel te ingewikkeld en lastig.’
‘Maar ik kan het wel’, zegt Douwe. ‘Ik kan jullie filmen en ik weet ook wat ik verder moet doen.’
‘Vind je het dan niet vervelend dat jij niet in beeld bent?’
‘Nee hoor’, zegt Douwe. ‘Ik ben blij dat ik kan helpen.’

< Terug