< Terug

Eigen volk eerst, of heil voor alle volkeren?

Bij Jeremia 1,4-10 en Lucas 4,21-30(32)

De algemene bijval van Jezus’ toehoorders in Lucas 4,21-32 evolueert tot grote woede en een poging tot moord. Op kunstige wijze schetst de auteur zo in kort bestek de tegenstrijdige reacties die Jezus’ boodschap oproept. Jezus van Nazaret verkondigen als de bevrijder van Godswege is een grote uitdaging. Hoe kon zo iemand een bron van inspiratie en navolging worden, zelfs na de vernietiging van Jeruzalem, en een wereldwijde beweging op gang brengen tot in het hart van het Romeinse rijk?

Op de achtergrond speelt mee hoe de eerste volgelingen wel joden waren, maar vele andere joden Jezus als Messias afwezen, terwijl talrijke niet-joden zich wel bij deze beweging rond Jezus aansloten. Tegen deze achtergrond is de grote omslag in emoties in de passage uit Lucas te begrijpen.

Jezus als zoon van Jozef

Wie Lucas 4,21-30 leest, zal zich afvragen hoe Jezus tot de conclusie komt dat Hij niet welkom is in zijn eigen vaderstad. Vlak ervoor betuigen alle toehoorders immers hun instemming, want zijn woorden worden als genaderijk ervaren. De auteur speelt hier met de literaire techniek van de verschillen in kennis bij de personages in het verhaal en de lezer. De personages weten soms meer, en soms minder dan de lezer. Dit creëert spanning in het verhaal. Om de reactie van zowel Jezus’ toehoorders als van Jezus zelf te begrijpen, moeten we teruggaan naar wat eerder is aangegeven, met name over de identiteit van Jezus. Want tussen de bijval en Jezus’ opmerking over het niet welkom zijn in eigen stad, ligt de vraag ‘Is dit niet de zoon van Jozef?’ (4,22).

Deze vraag kan heel uiteenlopend geïnterpreteerd worden. Is deze neerbuigend bedoeld? Jezus is ‘maar’ de zoon van Jozef? Of drukt de vraag hooggespannen verwachtingen uit, juist omdat Jezus de zoon van Jozef is? Vanuit de eerste hoofdstukken van dit evangelie is deze laatste interpretatie te verkiezen. Opgroeiend in Nazaret neemt Jezus immers met de jaren toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en mensen (2,51-52). Lucas 3,23-38 laat zien hoe Jezus door de mensen gepercipieerd werd, met een lange geslachtslijst, als zoon van Jozef en bijgevolg ook als zoon van onder meer David, Jakob, Isaak, Abraham, Noach en Adam, met als uiteindelijke oorsprong en eindpunt ‘zoon van God’. De zoon van Jozef zijn betekent dan erfgenaam zijn van een lange traditie, waarbij God van generatie op generatie op weg is gegaan met deze familie. Aan deze namen zijn heel wat verwachtingen verbonden, omdat de traditie ook over Gods beloften verhaalt, aan Noach, Abraham en David. Van deze beloften is de zoon van Jozef de erfgenaam. Hij treedt op als leraar in de synagogen van heel de streek, en wordt alom geprezen (4,14-15). Als Jezus dan ook verklaart dat de woorden uit Jesaja nu vervuld zijn, dan creëert dit verwachtingen: dat Jezus, die opgegroeid is in hun midden, als zoon van Jozef, de door God gezalfde en gezonden bevrijder is.

Jezus als teken ook weersproken

Diverse keren heeft de auteur van het Lucasevangelie Jezus al neergezet als de bevrijder van Godswege: bij de aankondiging aan Maria (1,32-33), de lofzang van Zacharias (1,69-71) en de verkondiging aan de herders (2,11). In Jeruzalem spreekt profetes Hanna over dit kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachten (2,38). Bij het ontstaan van de christelijke gemeenschappen circuleerden er verschillende visies op bevrijding, waarvan de hoop op militaire bevrijding en nationale grootsheid van Israël door het Romeinse optreden grondig de kop werd ingedrukt. Als Jezus de bevrijder van Godswege is, dan moet dat wel op een totaal andere manier zijn. Via de uitspraken van Simeon geeft de auteur een alternatief aan: Jezus is het heil voor alle volken, licht voor de heidenen, glorie voor Israël (2,29-32). Maar als zodanig is Hij ook een teken dat weersproken wordt, bestemd tot val en opstanding van velen (2,34-35). Juist de idee van heil voor alle volkeren, en niet enkel de glorie van Israël zou voor velen weleens een struikelsteen kunnen zijn.

Gods heil voor vreemdelingen

In Nazaret leeft de verwachting dat Jezus zijn zending bij hen zal beginnen: ‘Geneesheer, genees uzelf’ (4,23). Blijkbaar is deze verwachting ook gebaseerd op geruchten van wat Jezus elders in de regio, met name in Kafarnaüm, deed. De lezer heeft er het raden naar, want over bijzondere gebeurtenissen te Kafarnaüm heeft Lucas het nog niet gehad. De auteur vult deze gebeurtenissen niet in, maar laat ze Jezus duiden vanuit bekende profetische verhalen. Hierdoor vergelijkt Jezus zijn eigen zending, die in de lijn ligt van de net voorgelezen profetie van Jesaja (61,1-2, vgl. Luc. 4,18-19), met die van Elia en Elisa. Uit hun leven haalt hij twee situaties waarbij deze profeten Gods heilvol handelen tegenover vreemdelingen waarmaakten, terwijl er toch ook velen uit hun eigen volk in vergelijkbare omstandigheden leefden. Dit is bepaald niet wat de toehoorders willen horen. Hiermee komt Jezus in de positie te staan die ook Jeremia innam: een profeet te zijn met een boodschap die door het eigen volk en de eigen leiders allesbehalve gewaardeerd werd.

Net zoals Elia en Elisa – en Jeremia (1,7) – zal Jezus gaan naar waar en tot wie God Hem zendt. In woede ontstoken wil men Hem in de afgrond gooien. Jezus gaat tussen hen door, en vertrekt naar Kafarnaüm. Jezus blijkt inderdaad een teken dat weersproken wordt. Jezus’ woorden dat een profeet niet welkom is in zijn eigen stad worden zo bewaarheid. Maar Jezus hoeft net als Jeremia niet te vrezen, omdat God met Hem is om Hem te bevrijden (Jer. 1,8).

Bij Jeremia 1:4-10 en Lucas 4:21-30(32)

< Terug