< Terug

En de hemel is de aarde, ze vallen samen zonder grens

De Zeeuwse band Bløf zingt in een van zijn nummers: ‘En de hemel is de aarde, ze vallen samen zonder grens (…) En de hemel is de aarde, je kunt er lopen, je kunt er staan.’ Een lied over het gemis van iemand, die toch dichtbij blijkt te zijn. Maar in de Bijbel bestaat er een heel ander beeld over de hemel, de aarde en de plek van de mens.

Als er gesproken wordt over ‘afdalen’ of ‘neerdalen’ in vertalingen, staat er in het Oude Testament vaak het werkwoord jarad en in het Nieuwe Testament katabainein. Maar hoe worden deze werkwoorden gebruikt als het gaat om afdalen uit de hemel naar de aarde? En onder de aarde lag, in het bijbelse wereldbeeld, de onderwereld. Hoe zit het met afdalen daarheen? Dit artikel wil proberen om op deze vragen een antwoord te geven.

Oude Testament

In wereld van het Oude Testament bestaat een strikt wereldbeeld. Op de aarde wonen en leven de mensen, boven de aarde is de hemel(koepel) waar God woont met de engelen, en onder de aarde is de onderwereld (sjeol) waar de doden zijn. Deze drie ‘gebieden’ liggen boven elkaar, en dus kun je vanuit de hemel naar de aarde afdalen en van de aarde naar de onderwereld.

De hemel is dus de plaats waar God is, maar af en toe komt hij naar de aarde. In het Oude Testament vinden we een paar beangstigende voorstellingen van God die neerdaalt. Dat gaat gepaard met vuur, rook, aardbevingen, donder en bliksem:

De Sinai was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider.1

(Ex. 19:18-19)

Als er over verschijningen van God op de Sinai gesproken wordt, wordt zijn vertrekpunt (hemel) echter nooit genoemd. Daar gaat het de bijbelschrijvers dus niet om: Gods verschijnen moet de mensen eerbied inboezemen. Waar hij vandaan komt, is bijzaak.

Soms wordt Gods afdalen beschreven met een rustiger beeld, zoals de wolkkolom die altijd boven de ontmoetingstent hangt als God met Mozes spreekt. Ook dan wordt het werkwoord jarad gebruikt. En ook in Genesis 11 is sprake van een rustig beeld. God ziet dat de mensen een toren bouwen en lijkt, zonder dat iemand het doorheeft, af te dalen uit de hemel om een blik op de aarde werpen.

Voor mensen is het onmogelijk om in de hemel te komen. Er zijn dus ook geen tekstplaatsen te vinden in het Oude Testament waar mensen in de hemel zijn. Drie keer lijkt het er op het eerste gezicht op dat er toch mensen naar de hemel gaan: Henoch, Mozes en Elia worden immers door God op een bijzondere manier weggehaald van deze aarde. Henoch wordt ‘weggenomen’ door God en gebracht naar een plaats waar mensen zelf niet kunnen komen. Waar dat is, de hemel of een andere plaats, doet er niet toe. Alleen God die kloof tussen de aarde en plaatsen van gelukzaligheid overbruggen. Precies hetzelfde geldt voor Elia: hij wordt opgehaald met een hemelse wagen en naar een hemelse plaats gebracht. Een plek waar een mens zelf niet komen. De kloof is onoverbrugbaar, alleen God deze overbruggen. Mozes wordt door God begraven. Waar hij is of naartoe gaat, wordt niet gezegd. Het beeld van de hemel als plek voor de rechtvaardige mensen komt pas voor in pseudepigrafische teksten. Mensen kunnen wel afdalen naar de onderwereld. Dit is geen plaats van straf, zoals de vertaling ‘hel’ in de Statenvertaling doet vermoeden. Het is een plek waar mensen na hun dood terechtkomen, en waar niets meer is. Zowel de goeden als de slechten komen hier na hun dood terecht en keren er nooit meer vandaan:2

Gelijk een wolk verdwijnt en wegdrijft,
zo stijgt wie in het dodenrijk nederdaalt, niet weer op.
Nimmer keert hij terug naar zijn huis,
nooit ziet zijn woonplaats hem weer.
(Job 7:9-10)

Nieuwe Testament

Er zijn weinig verschillen tussen het gebruik van katabainein in het Nieuwe Testament en jarad in het Oude Testament. Katabainein is dan ook de vertaling die vrijwel altijd gebruikt wordt in de Septuaginta voor jarad.

Binnen de synoptische evangeliën heeft het werkwoord vaak een betekenis met een geografische connotatie. Daarbuiten is er vaak sprake van een andere connotatie. Deze betekenis heeft, net als in het Oude Testament, te maken met het wereldbeeld. Vooral in het evangelie van Johannes wordt dit woord vaak gebruikt als Jezus zegt dat hij uit de hemel komt. Zo vergelijkt Jezus zichzelf met het manna dat uit de hemel neergedaald is (Joh. 6). In het Johannesevangelie moeten mensen weten dat Jezus niet een op aarde aangewezen messias was. Jezus was de vanuit de hemel afkomstige Zoon, de Mensenzoon. Jezus wordt fundamenteel aan de kant van de hemelse, goddelijke werkelijkheid geschaard. Maar er zijn ook interessante tekstplaatsen die te maken hebben met eschatologische momenten.

Bijvoorbeeld in Openbaring, waar onder andere het Nieuwe Jeruzalem en engelen neerdalen uit de hemel. En ook dan het gepaard gaan met donder, bliksem en hoorngeschal, zoals in Openbaring 10. En ook de bekende tekst uit 1 Tessalonicenzen 4:16-17 spreekt over het klinken van de bazuin van God als Jezus zelf uit de hemel zal neerdalen. En pas dan zullen de mensen die nog in leven zijn met hem op de wolken meegevoerd worden.

Literatuur

Hemel, in: C.J. den Heyer, P. Schelling (ed.), Symbolen in de Bijbel, Woorden en hun betekenis, Zoetermeer: Meinema 20013, 181-184.

M.J. Paul, Hel, dodenrijk, afgrond, dodenrijk, in: A. Noordegraaf, G. Kwakkel e.a. (ed.), Woordenboek voor bijbellezers, Zoetermeer: Boekencentrum 2005, 264-268.

A.W. Zwiep, Hemel, in: A. Noordegraaf, G. Kwakkel e.a. (ed.), Woordenboek voor bijbellezers, Zoetermeer: Boekencentrum 2005, 268-272.

< Terug