< Terug

Eén grote samenspraak

De grondmelodie in het ‘Werk’ van Etty Hillesum

Wat is de grondmelodie in het werk van Etty Hillesum? Tom Jorna ervaart haar oeuvre als een mystieke symfonie, waarin uiteindelijk de vele thema’s en melodieën uitmonden in één grondmelodie: God die liefde is en liefde doet uitdelen. ‘Laten we luisteren hoe uit al haar thema’s, diepe tonen, dissonanten en harmonie, gaandeweg die grondmelodie steeds helderder gaat klinken.‘

Etty Hillesum is een Joodse vrouw van 26 jaar als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Haar nagelaten geschriften bestaan uit dagboekaantekeningen en brieven, samen zo’n 700 bladzijden. Het begint in Amsterdam met de brief van 8 maart 1941 aan Julius Spier, geschreven uit nood en verlangen. Die wordt gevolgd door bijna dagelijkse dagboekaantekeningen van 9 maart 1941 tot 13 oktober 1942 en vervolgens door 77 brieven die ze in de jaren 1942-1943 verstuurt vanuit vooral kamp Westerbork. Ze eindigt met de briefkaart die ze uit de trein werpt als ze op 7 september 1943 op transport is gesteld naar Auschwitz, haar laatste levensteken. Wie deze nagelaten geschriften leest, is getuige van de bijzondere innerlijke ontwikkelingsweg die zij aflegt in tweeënhalf jaar tijd.

De eerste tonen

Al in de eerste bladzijden weet Etty waar het heen moet met haar leven en werk. Ze wil ‘hundertprozentiger Mensch werden’, daarvoor moet ‘de eerlijkheid onbarmhartig bij haar tot de bodem der dingen doordringen’, waarvoor (eerst) een innerlijke strijd geleverd moet worden met ‘de innerlijke chaos’ en de ‘innerlijke tegenstrijdige krachten’, om ‘melodisch uit Gods hand’ te rollen, in het besef dat ‘alles nog vanzelfsprekender en eenvoudiger [moet] worden, ik moet zelf nog helemaal verdwijnen’. Dat is allemaal nodig ‘om weer andere stervelingen op deze aarde wat bij te staan in hun moeilijkheden’. Maar zolang er innerlijke onrust en opgejaagdheid heersen in haar, komt zij niet toe aan haar ‘Werk’, wat zij aanduidt als ‘een zeer mystiek begrip’.

Ze beseft dat dit een lijdensweg is en daarom heeft ze Spier nodig als ‘een oase in een woestijn’ die haar voorhoudt Was man leidet, soll man akzeptieren, man soll es gutwillig leiden und daraus Leben schöpfen’. En al snel legt ze ook een verband tussen God en Liefde: ‘Dat er dus iets van “God” in je komt (…) Dat er ook iets van “Liefde” in je komt, niet zo een luxe-liefde van een half uurtje, waar je heerlijk in zwelgt, trots op je eigen verheven gevoelens, maar liefde, waar je iets mee kunt doen in de kleine dagelijkse practijk.’

Om zo’n ontwikkeling mogelijk te maken moet Etty de dingen niet ‘willen bezitten’ maar ‘de dingen ondergaan’, ‘niet weglopen voor zichzelf’, maar ‘er doorheen’.

Grondtonen

Treffend zijn haar metaforen die verwijzen naar de zware geestelijke arbeid die ze moet verrichten: ‘Het is of ik zware granietblokken van me moet afwentelen’. Ze heeft nog ‘geen instrument om het graniet te houwen’ en zou het liefst ‘me een instrument bouwen uit de taal’. Meermalen heeft ze het ook over haar innerlijk landschap, bijvoorbeeld: ‘de wijde en onbelemmerde landschappen van het eigen hart’. Het woord grondmelodie gebruikt ze eenmaal in het enkelvoud en eenmaal in het meervoud. Op 4 augustus 1941 schrijft ze: ‘Ik heb nog geen grondmelodie. Er is nog niet één vaste onderstroom, de innerlijke bron waaruit ik gevoed word, slibt altijd weer dicht en bovendien denk ik te veel. (…) Ik moet maar blijven luisteren naar mezelf, “hineinhorchen” in mezelf en goed eten en slapen voor het evenwicht.’ Enige maanden later, op 21 oktober 1941, is het goed mis met haar stemming: ‘Vanochtend weer zoek geraakt tussen de boeken. En nu zoek ik de stukken weer bij elkaar. Je mag nooit zelfmoord plegen, dat wilde ik je al de hele week nadrukkelijk zeggen (…) Soms zou ik zomaar weg willen glijden uit dit leven (…) Wat een vermoeide geluiden op de vroege ochtend. Het is toch maar een stemming. Of liever gezegd één van de grondmelodieën, die steeds weer opklinken. Maar er zijn ook andere melodieën.’

‘God, ik dank je dat ik zo vol wijdheid mag zijn’

Beide citaten horen bij elkaar. In het eerste citaat verwoordt ze waar het heen moet, naar ‘de innerlijke bron waaruit ik gevoed word’, in het tweede geeft ze aan dat ze ‘nu’ op een dood punt staat als ze schrijft ‘soms te willen wegglijden uit dit leven’. Weliswaar is ze al aan het sterven aan haar ‘kleine ik’, maar nog bezet met dat ‘ik’, waardoor ze nog niet de ruimte heeft gevonden om in samenspraak met God te zijn. Dan ligt de liever-dood-gedachte even op de loer want de ‘grondpijn’ is moeilijk te (ver)dragen.

Dat begrip ‘grondmelodie’ omschrijft ze dus verder niet, evenmin vermeldt ze wat die andere melodieën zijn. Wel spreekt ze, als haar proces in volle gang is, van grondgevoelens en grondtonen. In haar ‘vergeestelijkings-proces’ zijn in ‘oervorm’ de menselijke gevoelens van ‘een soort oerliefde en oermedelijden sterk aanwezig, voor alle mensen’. Deze diepere oergevoelens in zichzelf zijn ‘de twee grote grondgevoelens in me: liefde, een onverklaarbare, misschien niet nader te analyseren, omdat het een oergevoel is, liefde voor de creatuur en tot God, wat ik dan God noem en medelijden, een grenzeloos medelijden, waardoor soms plotseling de tranen uit m’n hoofd kunnen storten.’

Liefde en medelijden gaan in de diepte van de beleving samen met de intensiteit van haar lijden. Vijf maanden later verwoordt Etty het lijden en de liefde als ‘de grote gevoelens, die elementaire grondtonen die steeds brandend worden gehouden.’

Harmonie en dissonanten

Aanvankelijk is Etty sterk op zichzelf betrokken en lijdt ze onder haar eigen problemen, maar ziet ze ook de krachten die haar werkelijk verder kunnen brengen. Zo schrijft ze op 4 augustus 1941: ‘Ik voel me soms net een vuilnisbak, er zit zoveel vertroebeldheid en ijdelheid en halfheid en minderwaardigheid in me! Maar er zit toch ook zo een echte eerlijkheid en een bijna elementaire hartstocht om wat zuiverheid te brengen en om de harmonie te vinden tussen het buiten en het binnen.’ Geleidelijk doen zich verschuivingen voor in de goede richting: ‘Mijn God (…) ik dank je er voor dat ik zo vol wijdheid mag zijn soms, die wijdheid is toch niets anders dan een vervuld zijn van jou. Ik beloof je dat m’n hele leven een streven zal zijn om tot die schone harmonie te komen en ook tot die deemoed en werkelijke liefde waartoe ik de mogelijkheid in m’n beste momenten in me voel.’ Later wordt ze daarin uitgesprokener: ‘Aan deze wereld, die zo vol dissonanten is, zou men niet de kleinste dissonant mogen toevoegen.’ Dat impliceert dan wel het nodige huiswerk: ‘Dat begrensde ik, met z’n wensen, die alleen op bevrediging van dat hoogst beperkte ik uit zijn, uitroeien en uitdoven.’ Op 4 juli 1942 blijkt dat ze dichterbij die harmonie komt: ‘Vanavond dacht ik ook opeens: alle tegenstrijdigheden in mij breng ik steeds meer tot harmonie, ik lééf mijn moeilijkheden en leef ze toe naar een oplossing en veel dingen worden steeds eenvoudiger en duidelijker voor me.’

Daarna rept ze niet meer over harmonie. Alsof dat werk al gedaan is en zij steeds meer in samenspraak is met God – in weerwil van de almaar dreigender situatie voor haarzelf en de andere joden.

Daar waar God me plaatst

Etty schrijft: ‘Ik ga als éénling door het leven.’ Dat betekent niet dat ze alleen gaat: ‘Het is een leven met God en in God en God in mij.’ Doordat ze haar eigen innerlijke weg aflegt, kan ze in de wereld zijn. Als ze eenmaal in Westerbork is, ziet ze het grote verschil met haar eerdere leven in Amsterdam. Dat was meer een leven in afzondering, terwijl het met dat zijn in kamp Westerbork is ‘alsof m’n hele leven één grote voorbereiding is geweest op het leven in die gemeenschap.’ Dankzij een diep intens leven is zij haar ‘gang gegaan’ en is zij in een overgave aan God voorbij het kleine ik gekomen: ‘En voor mij houdt die overgave niet in een resignatie, een afsterven, maar dáár, waar God me toevallig plaatst, nog te steunen wat ik kan en niet alleen maar vervuld te zijn van eigen verdriet en gemis.’

‘Alles gaat volgens een eigen dieperliggend rhythme’

Uitdelen en innerlijk ritme

De plek waar God haar plaatst blijkt kamp Westerbork te zijn, de plek om uit te delen, waar lijden, God en liefde ineenvloeien. Dat werkwoord ‘uitdelen’ komt viermaal voor. Om te beginnen schrijft Etty op 18 september 1942: ‘Ik voel me een van de vele erfgenamen van een grote geestelijke erfenis. Ik zal daarvan de trouwe behoedster zijn. Ik zal er van uitdelen, zoveel als ik bij machte zal zijn.’ Enige dagen later, op 27 september 1942 haalt ze 1 Korintiërs 13 aan: ‘En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde (…) en had ik de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.’ Op 13 oktober 1942 schrijft zij in haar dagboek: ‘Ik heb mijn lichaam gebroken als brood en het uitgedeeld onder de mannen. Waarom ook niet, ze waren immers zo hongerig en hadden al zo lang ontbeerd?’ En, tenslotte, in een brief aan haar vriendin Henny Tideman, schrijft zij uit Westerbork op 18 augustus 1943: ‘Je hebt me zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handen uit mogen delen. Mijn leven is geworden tot één ononderbroken samenspraak met jou, mijn God, één grote samenspraak. Wanneer ik sta, in een hoekje van het kamp, mijn voeten geplant op jouw aarde, het gezicht verheven naar jouw hemel, dan lopen me soms de tranen over het gezicht, geboren uit een innerlijke bewogenheid en dankbaarheid, die zich een uitweg zoekt.’ Treffender dan ik kan, verwoordt zij zelf de gevonden grondmelodie: ‘Eén ononderbroken samenspraak met jou, mijn God.’

Met haar grondmelodie is ook het eigen ritme verbonden, dat is ‘beluisteren wat er opstijgt uit je zelf’. In een van de laatste brieven die ze schreef in Westerbork, op 18 augustus 1943, vlak voor haar deportatie naar Auschwitz brengt ze nog eens het belang van een eigen innerlijk ritme ter sprake: ‘Ik ben heel erg moe, al enige dagen, maar dat zal ook wel weer voorbijgaan, alles gaat volgens een eigen dieperliggend rhythme en men moest mensen leren dit rhythme te beluisteren, het is het gewichtigste, wat een mens te leren heeft in dit leven.’

Slotakkoord: haar bestemming

Zo heeft Etty in relatief korte tijd, terwijl een oorlog gaande is, de grondmelodie gevonden. In die grondmelodie zijn de harmonie en haar ritme gebaseerd op de grondtonen van lijden en liefde en de samenspraak met God. Ook in de ‘kleine dagelijkse practijk’ is de aanvankelijk op het ik betrokken liefde veranderd in ‘een liefde voor de medemens als een elementair gloed, waaruit men leeft’. En deze ‘voorkeurloze liefde’ kan niet anders dan uitmonden in daden, daar waar God haar heeft geplaatst, in kamp Westerbork, ‘brandpunt van menselijk lijden’, om daar uit te delen. Het is haar bestemming: ‘Ik kan niets doen, ik heb nooit iets kunnen doen, ik kan alleen maar de dingen op me nemen en lijden. Daarin ligt m’n kracht en het is een grote kracht. Maar voor mezelf, niet voor anderen.’ Dit uitdelen staat in nauw verband met het verlangen het lot van haar volk te delen en ook dat correspondeert met de gang die zij heeft doorgemaakt en de opruiming waartoe zij is gekomen. Behalve door de dood van Spier die de dood in haar leven heeft gebracht, is dat ook de ernstiger wordende oorlogssituatie. Daarover schrijft ze op 22 juli 1942: ‘Mijn hart is vandaag al weer enige keren gestorven, het is ook al weer opgestaan. Ik neem van minuut tot minuut afscheid en ruk me los van al het uiterlijke.’

Dat klinkt mystiek en dat is het ook. Maar het is geen mystiek die de werkelijkheid ontvlucht, integendeel. Zelf schrijft ze daarover: ‘Mystiek moet rusten op een kristalheldere eerlijkheid. Na de dingen eerst doorvorst te hebben tot op hun laatste realiteit.’ Haar mystiek betekent niet dat ze de wereld loslaat, maar zichzelf. Het is haar ‘Ichhaftigkeit’ die ze heeft losgelaten, de materiële dingen, de uiterlijkheden. Het verlangen waarmee ze haar dagboeken begon, is tot vervulling gekomen: middenin het leven in kamp Westerbork kan ze klaarstaan voor anderen.

Ton Jorna is supervisor en geestelijk begeleider (aan huis) en was universitair hoofddocent Geestelijke begeleiding aan de Universiteit voor Humanistiek.

< Terug