< Terug

‘En het geschiedde’

Bij Lucas 5,1-11

Ja, ik weet het: er is discussie over de vraag hoe je het Griekse Egeneto de (of: Kai egeneto) moet vertalen (5,1). De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt: ‘Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond (…).’ Ik houd het toch liever op het wat archaïsche ‘En het geschiedde (…)’. Zo wijst Lucas erop dat er iets bijzonders van Godswege staat te gebeuren.

Het is geen sprookje met ‘Er was eens (…)’ dat ons hier verteld wordt, nee, het gaat over de roeping van de eerste discipelen, het begin van de vorming van een gemeente.
Ook het woord ‘schare’ behoud ik liever. ‘Schare’ heeft de klank van massa damnata en dat is precies wat er aan de orde is. De verdoemde massa drong op Jezus aan: allen die ziek waren of zieken meebrachten, lijdende aan allerlei kwalen (Lucas 4,40). Hij legde hun zijn handen op en genas hen. Steeds kwamen die scharen achter Hem aan, de losers, verliezers, mensen die in de hoek zitten waar de klappen vallen. Wie zijn dat?

De scharen

Ik schrijf dit een paar dagen nadat Trump de presidentsverkiezingen heeft gewonnen. Zijn die scharen de mensen die aan de schaduwzijde zitten van het neoliberalisme, van de bankencrisis, de mondialisering, de verslonsde infrastructuur, de slechte sociale voorzieningen, enzovoort? Zijn het de wanhopigen, de scharen die langs allerlei vluchtwegen hun heil in Europa zoeken of ergens anders, als het maar niet in Afrika is? Wanhopig zijn die scharen bij Lucas, ten einde raad! Maar Jezus poogt zich aan hun greep te onttrekken, want: ‘Ook aan de andere steden moet Ik het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen’ (4,43). Scharen genoeg kennelijk, overal wel, nergens niet.

Verkondiging van Gods Koninkrijk

Jezus verkondigt het Koninkrijk van God en de schare hoort. Wat houdt dat verkondigen eigenlijk in? Zomaar proclameren kan het niet zijn. Het moet een éénheid van woord en daad zijn (Hebr.: dabar), een uitroepen van Gods liefde voor verloren mensen en meteen, daarmee samenvallend, daden stellen van sootèria (redding, bevrijding, genezing). ‘U is heden de Heiland (Gr.: sootèr) geboren’ (2,11). Dát zien we hier. Het is de urgentie van deze bevrijdende en in concreto reddende verkondiging waarvan de perikoop van deze zondag doortrokken is. Dáárom, omdat er zo veel mensen verloren gaan en met het oog op hen, roept Jezus Simon en Jakobus en Johannes. Hij kan het niet alleen af.
Nog afgezien van het feit dat water vaak symbool is van de chaosmacht die mensen kapotmaakt, is het Meer van Gennesaret hier de plek waar Jezus wat afstand kan nemen van de scharen, én de plek waar vissers zijn en vissen worden gevangen. En er wordt wat afgevangen! Jezus vangt zijn eerste discipelen, de vissers vangen een menigte vissen en zij worden, als volgelingen van Jezus, geroepen om zelf vissers van mensen te worden.

Onderwijs vanaf de boot

Wat zou dit onderwijs vanaf de boot van Simon behelsd hebben? Anders dan in Lucas 4,43-44, waar de Griekse werkwoorden euangelizoo en kèrussoo worden gebruikt, staat hier didaskoo (Lucas 5,3). Het betreft hier dus geen proclamatie in de eenheid van woord en daad, van verkondigen en genezen. Dat gaat wellicht ook niet zo makkelijk vanaf een boot die een eindje weg is van het land. Wat zal het geweest zijn? Wat kan het anders geweest zijn dan wat wij lezen in Lucas 4,18-19? De boodschap van Gods liefde en partijdige keuze voor armen, gebrokenen en gevangenen? De Heer is met u! Dat is zijn boodschap vanaf dat bootje. Dat alleen al richt mensen op: ze worden gezien en gekend. Ze zijn geen nobody’s meer, maar Gods geliefden, elk van hen geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, zijn volk.

Mensen vangen ten leven

Zo veel mensen op de oever, zo veel vissen in het water. Vissen, hier in dit verhaal, als beeld van verloren, verdronken mensen. Mensen bij wie het water aan de lippen staat, die leven in de schaduw van de dood. Een volk dat in duisternis wandelt en dat nu wordt overstraald door een groot licht (Jesaja 9,1). Maar ze moeten nog wel gevangen worden! Gods partijdige liefde moet wel concreet handen en voeten krijgen.
De massa damnata wordt opgevist uit de doodszee. Simon roept zijn makkers Jakobus en Johannes erbij om te komen helpen. Gedrieën brengen zij de vis aan boord. De boot zinkt bijkans. Zo werkt de ontferming Gods in de praktijk. God heeft geen andere handen dan mensenhanden en Jezus kwam handen tekort. Inmiddels zijn er vier paar handen. ‘Waar twee of drie bijeen zijn in mijn naam ben Ik in hun midden,’ zegt Jezus (Matteüs 18,20). Hier is dus sprake van kerk, van gemeente. Hier zien we wat het volgen van Jezus inhoudt, wat kerk-zijn is: mensen vangen voor het leven.

‘Vrees niet!’

Simon Petrus en de zonen van Zebedeüs zijn bevreesd. Simon valt op zijn knieën, de andere twee wellicht ook. Dit is te veel van het goede: ga weg, ik ben een zondig mens. Ik deug niet en zeker niet voor een dergelijke ‘visvangst’ (Lucas 5,9-10). Het onderscheid tussen de vissers en de scharen is niet groot, wellicht zelfs afwezig. Vissers en herders waren onrein, ‘zondig’, tuig van de richel. Juist die mensen worden door Jezus tot zijn gemeente geroepen en juist die mensen vissen weer anderen op. Zo werkt gemeentegroei bij Lucas, want dat is het en niets anders.

Dat merkwaardige Griekse werkwoord zoogreoo betekent niet ‘mensen vangen’, maar: ‘mensen vangen voor het leven’ (Lucas 5,10). Zo krijgt de verkondiging van Gods liefde handen en voeten. Verloren mensen worden opgevist en samengebracht in nieuwe, bezielde verbanden. Verbanden waar niet de dood regeert, maar het leven. Verbanden waar brood en wijn gedeeld worden tot zijn gedachtenis. Totdat Hij komt.

< Terug