< Terug

En wij, wat moeten wij doen?

Derde zondag van Advent (Sefanja 3:14-20, Filippenzen 4:4-9 en Lucas 3:7-18)

Alle drie de teksten van de huidige Derde Advent koppelen de vormgeving van het leven aan de toekomstverwachting. De redactor van de profetieën van Sefanja kijkt in de diaspora uit naar de vreugde over het einde van de straf en over Gods onbetwist koningschap in Jeruzalem. Voor Paulus is de nabijheid van de Heer de motivatie voor goed handelen in het dagelijkse leven. En reeds voor de Doper ging, aldus Lucas, een bekering die het gedrag van mensen zichtbaar veranderde samen met de verwachting niet alleen van de dag des oordeels, maar ook van de sterkere die met de heilige Geest ging dopen.

De tijd van de koningen van Juda is voorbij, het volk verstrooid. Ergens worden de profetieën van Sefanja samengesteld tot een boek, Sefanja. Dat is lang geleden. Toen was koning Josia nog een kind, het Assyrische Rijk bestond nog en de opkomst van het Nieuw-Babylonische Rijk was nog niet voelbaar. Niemand had nog van Nebukadnessar gehoord en een Babylonische ballingschap was ronduit onvoorstelbaar. Sefanja verkondigde toen de dag des oordeels. Juda en Jeruzalem zouden gestraft worden voor hun ongeloof (Sefanja 1:12), voor de verering van andere goden (1:5), maar ook voor ‘geweld en bedrog’ (1:9). Ook de omringende volken zouden niet gespaard worden. Sefanja verkondigde tevens het oordeel tegen de Moabieten, de Ammonieten, de Ethiopiërs, Assyrië en diens hoofdstad Nineve. Maar, aldus Sefanja, in alle verwoesting en ellende, alle angst en verdriet zou een rest overblijven, een paar trouwe Judeeërs.

Naar voren kijken

Hoe actueel Gods woord toch kan zijn! Heeft de geschiedenis niet laten zien dat Sefanja’s profetie klopte? De gedachten van onze redactor gaan heen en weer tussen de tijd van Sefanja, zijn eigen tijd en het boek dat hij samenstelt. Hoe moet hij het laten eindigen? Niet met de tijd van Sefanja en zijn duistere profetieën. Noch met de situatie van zijn tijd. De lezers of luisteraars moeten omhoogkijken, naar voren, niet terug of om zich heen. Ze moeten zien waar ze naartoe leven. En hij kiest voor een reeks liederen. Twee verzen vol jubel over het tenietgedane vonnis, over een Jeruzalem vol vreugdekreten waarin de Eeuwige koning is (Sefanja 3:14-15). Twee verzen over een God die zich verheugt over zijn volk, die houdt van zijn volk, die over zijn volk, dat nu zonder angst kan leven, aan het juichen slaat (3:16-17). Geen woord meer van toorn, straf en ellende. Helemaal lukt het niet om het heden, de diaspora, te vergeten. Maar dan, in die heilstijd, zal ook aan de verstrooiing een einde komen en zal Hij zijn volk bijeenbrengen (3:18-20).

Goed handelen

Naar voren kijken en vanuit wat er gaat komen het heden vormgeven: deze insteek kiest ook Paulus. Zijn verwijzing naar de nabijheid van de Heer moet de gemeenteleden motiveren om in de dagelijkse omgang met anderen blijk te geven van hun vriendelijke, welwillende houding (Filippenzen 4:5). Deze nabijheid van de Heer leidt in het vervolg niet tot de aanbeveling van specifiek (joods-)christelijke categorieën van ethisch handelen. Paulus accepteert gangbare normen van zijn tijd: het ware, het edele, het rechtvaardige, het zuivere, het beminnelijke en het eervolle, al wat deugd heet en lof verdient (4:8). Je moet de richtlijnen voor goed handelen niet zo ver zoeken, lijkt Paulus te suggereren, de principes zijn eigenlijk wel bekend. Wie kiest er voor iets wat in strijd is met eer, voor iets wat niet zuiver is of onrechtvaardig, als hij goed wil handelen?

Punten waar een specifiek christelijke ethiek zou kunnen botsen met de normen van de omgeving zijn niet Paulus’ thema in deze tekst. Maar dit betekent niet dat het niet zoveel uitmaakt dat je christen bent. Integendeel, je moet goed in de christelijke traditie geworteld zijn. En nu hanteert Paulus wel typisch vroegchristelijke terminologie: je moet dat toepassen wat je geleerd hebt, wat je in de verkondiging van de christelijke boodschap gehoord hebt en wat je aan Paulus’ voorbeeld hebt gezien (4:9).

Vrede ontvangen

Twee gedachten in onze passage rondt Paulus af met de belofte van vrede. Aan degene die, zoals net beschreven, zijn handelen afstemt op de inhoud van de christelijke verkondiging, wordt toegezegd dat de God ‘van de vrede’ met hem zal zijn (Filippenzen 4:9). En vrede zal harten en gedachten in Jezus bewaren, als de gemeenteleden, in plaats van zich zorgen te maken, bidden om de dingen die ze nodig hebben en danken voor wat ze hebben (4:6-7). Misschien denkt Paulus nog steeds aan de ruzie tussen Euodia en Syntyche (4:2) en wil hij zeggen dat een houding die consequent alles tot gebed maakt en een handelen in de lijn van de christelijke verkondiging ook in lastige tussenmenselijke relaties binnen de gemeente vrede kan brengen.

En wij dan?

Soms zijn algemene categorieën niet genoeg. Soms wil je concreet horen wat rechtvaardig handelen in jóuw situatie betekent. Omdat jij door wie je bent en wat voor werk je doet misschien in situaties terechtkomt waar je even moet nadenken over de toepassing. Alle antwoorden die de Doper aan bepaalde groepen geeft, komen op hetzelfde neer, maar worden telkens concreet gemaakt voor één groep van de samenleving. Voor de menigte geldt: jij moet niet meer hebben dan nodig, terwijl naast jou iemand duidelijk minder heeft dan nodig (vgl. Lucas 3:11). Ook voor de tollenaars en soldaten gaat het erom genoegen te nemen met het toebedeelde, op eerlijke wijze aan hun geld te komen en zich niet door de macht die hun gegeven is te verrijken: de tollenaar moet niet overdreven hoge bedragen vragen en de soldaat moet niet van zijn wapens gebruikmaken om geld van de bevolking af te persen (3:13.14).

Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.

< Terug