< Terug

Epifanie: ouder dan Kerstmis

Epifanie: ouder dan Kerstmis

Bij Jesaja 60,1-6, Psalm 72, Efeziërs 3,1-12 en Matteüs 2,1-12

6 januari is hét feest van de komst van de Messias. De oosterse kerken hebben deze waardevolle traditie bewaard. Wij in het Westen hebben water bij de wijn gedaan. Het midwinterfeest werd in Rome zo uitbundig gevierd dat het niet genegeerd kon worden. Zo is rond 350 te Rome een aparte viering van de geboorte van Jezus te Betlehem op 25 december ontstaan. Jammer, want het oorspronkelijke feest, Epifanie of Openbaring genoemd, was rijker van inhoud.

Bij het feest van Epifanie horen meerdere verhalen, over de wijzen uit het Oosten, over de doop van Jezus in de Jordaan en over de bruiloft te Kana. Een prachtig drieluik waarin de betekenis van Jezus’ komst voor Israël en de volkeren duidelijk wordt.

De buitenstaanders

Matteüs heeft als trouwe jood op een bijzondere wijze geschreven over de doorbraak van het Rijk van de Messias, ook naar buiten toe. Dat er een conflict zou ontstaan tussen het officiële jodendom van zijn dagen en de messiaanse beweging rond Jezus heeft hem waarschijnlijk verbijsterd. Vandaar zijn bijzondere aandacht voor de buitenstaanders – de Wijzen als vertegenwoordigers van de volkeren buiten Israël – die Jeruzalem komen wekken. Lucas legt andere accenten. Hij schetst een contrast tussen de grote keizer van Rome en de kleine koning van Betlehem die arm met de armen is en door de armen van Israël, de herders, wordt herkend. Bij Matteüs zijn andere dingen aan de orde. In Matteüs 1 wordt Jezus als zoon van David en zoon van Abraham gepresenteerd; het kan niet mooier. Maar hoe zal Hij worden ontvangen door de Davidsstad Jeruzalem en door de schriftgeleerden, de echte zonen van Abraham? De schriftgeleerden spelen een goede rol. Ze weten in de boeken te vinden waar de Messias gezocht moet worden: niet in Jeruzalem, maar in de arme Davidsstad Betlehem (Mat. 2,5).

Jeruzalem en Betlehem

De schriftgeleerden citeren Micha 5,1 (Mat. 2,6), een van de zogenaamde kleine profeten, een tijdgenoot van de eerste Jesaja. Micha is de profeet die spreekt voor de eenvoudigen van het platteland rondom Jeruzalem. De rijken woonden in die dagen in de steden; op het platteland probeerde de kleine man met zijn familie zich staande te houden. Maar de handel ontwikkelde zich, het platteland werd uitgebuit. De profiteurs en kapitalisten woonden in de stad. Micha klaagde hen aan, in de hoofdstukken die aan het citaat in Matteüs voorafgaan: ‘Jullie oefenen een schrikbewind uit over de kleinen en buiten de armen uit, je legt beslag op de huizen van de gewone man en rooft er op los’ (Mi. 2,2). Een nog steeds actuele verkondiging! Die aanklacht danken wij aan Micha die droomde over een nieuw begin in Betlehem.

Een nieuw licht

In de eerste lezing (Jes. 60,1-6) staat tóch Jeruzalem in het middelpunt, in het visioen van de terugkeer van de verbannenen van Israël: ‘Als God ons thuisbrengt, dat zal een droom zijn’ (LB 126a). Jeruzalem mag aanzien dat haar kinderen weer terugkomen, dat de donkere tijden over zijn. Maar de profeet ziet meer: van alle kanten zullen ook vreemdelingen naar Jeruzalem komen om de beroofde stad eer te brengen. Vandaar dat goud en die wierook (60,3.6). Goud als genoegdoening voor de geleden smart, en wierook om weer te branden in de tempel van de God van Israël om te belijden dat Hij de ware God is. Tegen de achtergrond van deze profetische verkondiging horen we het verhaal van Matteüs. Hij ziet een nieuwe tijd aanbreken, niet in de grote stad Jeruzalem – niet in New York of Moskou, om het naar onze tijd te vertalen – maar beneden, bij gewone, onbelangrijke mensen. Als naam voor hen gebruikt hij de naam van het vergane-glorie-stadje Betlehem, en zegt: ‘Betlehem, land van Juda, u bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leider voortkomen, die herder zal zijn van mijn volk Israël’ (Mat. 2,6 – WV). En Micha droomt verder over dat nieuwe begin rond die herder: ‘Hij zal de vrede zijn in persoon’ (Mi. 5,3).

Bij de kleinen

Volgens ons christenen is die droom uitgekomen in de nacht waarin wij nu nog steeds samenkomen met velen, de nacht waarin Jezus van Nazaret geboren werd. Jezus, niet zomaar een mens om te bewonderen. Veel van de kerstliederen die wij zingen zijn matig van tekst en verdoezelen waar het om gaat. Jezus is niet gekomen om bezongen te worden, maar om door ons nagevolgd te worden in zijn solidariteit met de kleinen. Hij is gekomen opdat wij mensen zouden beseffen dat God altijd partij kiest voor beneden. Als wij machtig doen en autoritair zijn, zijn wij voor Hem onbereikbaar en nutteloos. Als wij kiezen voor zijn mensen en zelf weerloos durven zijn met de weerlozen, treurend met de treurenden en vredestichtend met de vredestichters is Hij ons nabij.

Paulus en Psalm 72

De Verschijning van de Heer zoals wij die vandaag vieren, gebeurde op een bijzondere wijze aan Paulus. Hij verdedigde de oude leer, trouw als hij was aan Wet en Profeten, maar op weg naar Damascus werd hij van zijn paard gegooid en daarna vielen hem de schellen van de ogen. Hij werd de getuige bij uitstek van het mysterie dat wij vandaag vieren, dat Jezus Gods openbaring openbrak naar alle volkeren toe (Ef. 3,6).

Ten slotte: de wijzen hebben hun koningspakje te danken aan de vrijmoedige toepassing van de tekst van Psalm 72 over de koningen van Tarsis en de eilanden die hun geschenken komen brengen (72,10). Dat er ook nog een koningin ter sprake komt (die van Seba) heeft helaas bij de viering van dit feest niet de aandacht gekregen die dat verdienen zou.

Hein Jan van Ogtrop

< Terug