< Terug

Er ligt nog meer in het verschiet

Bij 1 Korintiërs 15,20-28

Er stond niets meer te verwachten. Alles hadden zij ontvangen. Aangebroken was de tijd waarin alles, maar dan ook alles in vervulling was gegaan. De laatste dingen, zij waren er. Ze waren verlicht, hadden kennis, de Geest vervulde hen. Overal heerlijkheid, overal God aanwezig. Wat een rijkdom, wat een eer. Wat een vreugde en wat een jubel. God had hen tot koningen gemaakt.

Paulus ziet het anders. Dit was niet wat hij met zijn verkondiging had willen bereiken. Hij vond de houding van deze groep Christusgelovigen in Korinte aanmatigend. Ook in andere verbanden uit hij telkens weer het verwijt van zelfvoldaanheid en opgeblazenheid, een houding die vreemd is aan de liefde (4,6; 8,1; 13,4). Bitter merkt hij op: ‘U bent blijkbaar al verzadigd, u bent al rijk, u regeert al zonder ons! Ach, was het maar waar, dan mochten wij misschien wel delen in uw koningschap’ (4,8). Maar nog was God niet alles in alles en allen. Allerlei handelwijzen, gewoontes en verhoudingen in de gemeente moesten als tekortkomingen, als misstanden worden beschouwd. Volgens Paulus verkeek deze groep zich op de fase die de heilsgeschiedenis had bereikt.

Weet in welke tijd je leeft

Dat het Paulus er vooral om gaat vast te stellen wat er in de actuele fase wel of niet bereikt is, valt af te lezen aan de manier waarop hij de zinnen verbindt. Vanaf vers 23 structureren vooral bepalingen van tijd en van volgorde de tekst: Christus is de ‘eersteling’, ‘daarna’ zij die Hem toebehoren, ‘dan’ komt het ‘einde’. Te verwachten gebeurtenissen begeleiden (‘bij zijn komst’) of beperken (‘totdat Hij alle vijanden onder zijn voeten heeft gelegd’) de verschillende fases. Niet minder dan vier keer gebruikt Paulus een bijzin van tijd die wordt ingeleid door ‘wanneer’ (hotan) en daarbij maakt hij duidelijk onderscheid tussen in de toekomst voltooide gebeurtenissen (‘wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht buiten werking zal hebben gezet’) en handelingen die dan nog aan de gang zullen zijn (‘wanneer Hij de koningsheerschappij zal overdragen’). Al deze grotendeels in de toekomst gesitueerde bepalingen hebben slechts één functie: zij moeten de genoemde groep in de gemeente te Korinte laten zien dat zij de situatie verkeerd inschatten, dat de heilsgeschiedenis nog niet voltooid is, dat er nog veel te verwachten valt.

Het doel van de geschiedenis: één en al God

Vertrekpunt voor Paulus’ argumentatie is de opwekking van Christus. Deze hoort bij de basiselementen van de Christusverkondiging die hij aan de Korintiërs heeft doorgegeven (15,4). Vanaf vers 12 gebruikt hij de opwekking van Christus, waarover Paulus en de groep in Korinte het eens zijn, als argument tegen de stelling dat er geen opstanding van de doden zou zijn. In onze perikoop geeft Paulus een toelichting op de betekenis van Christus’ opwekking in het kader van de gebeurtenissen tot het einde van de geschiedenis: zij is de opmaat voor de algemene dodenopwekking. Net zoals Adam de dood heeft geïntroduceerd en deze is uitgegroeid tot het alles en allen beheersende beginsel, zo verspreidt zich vanuit Christus het leven over iedereen. Met het oog op de genoemde groep in Korinte reikt Paulus de volgende vuist regel inzake opstanding aan: eerst Christus als opmaat, dan zij die Hem toebehoren – jullie dus – en daarna het einde. Meer dan de helft van onze perikoop besteedt Paulus aan dit ‘einde’. Het einde is gekomen wanneer niets en niemand meer macht heeft dan God alleen. Alle andere aardse en hemelse machten moeten eerst worden onttroond, want aan het einde is er geen plek meer voor een andere heerser dan God. Dit geldt ook voor de machtigste vijand, de dood. Pas als er niemand meer sterft, zal God zijn koningschap onbeperkt uitoefenen. Het is duidelijk dat de dingen nog niet zo ver gevorderd zijn. Ten slotte zal zelfs de Zoon zich onderschikken aan de alomvattende heerschappij Gods. Hoeveel te meer zal dan het koningschap van de heiligen waarop men zich in Korinte beroemde (1 Kor. 4,8), elke betekenis verliezen. Ongetwijfeld is het deelhebben aan het koningschap een belofte aan de gelovigen in vroegchristelijke theologieën (bijvoorbeeld 2 Tim. 2,12; Op. 22,5). Maar uiteindelijk is het van geen enkel belang met welke eer, positie of vaardigheid de gelovigen gelauwerd worden: alles moet God toekomen.

Paulus als exegeet

‘Totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd’ (15,25) is een citaat van Psalm 110,1b, mogelijk met invloed van Psalm 8,7. Veel vroegchristelijke theologieën zagen in (een van) deze twee verzen een uitspraak over de verhoogde Christus (Marc. 12,36; Hand. 2,34.35; Hebr. 1,13 en 10,13; Ef. 1,20-22; Brief van Polycarpus 2,1). Paulus sluit zich hierbij aan. Zijn eigen exegetische bijdrage in onze tekst is een toelichting op Psalm 110,1a. Waar in de psalm God ‘mijn heer’ uitnodigt om aan zijn rechterhand te gaan zitten, formuleert Paulus: ‘Hij moet (volgens Gods wil) het koningschap uitoefenen’. Het zitten naast God, aldus Paulus, moet actief worden opgevat: Christus moet als koning heersen en alle vijanden onder Gods voeten leggen. Hij concludeert verder: het woord ‘vijanden’ sluit ook de dood in, de vijandige macht bij uitstek. Opnieuw onderbouwt Paulus zijn redenering met een psalmvers: in Psalm 8,7 wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat dit onderwerpen alles omvat (zie ook Fil. 3,21). De cirkel is pas rond als God weer alle macht heeft en de dood niet meer is.

Andere teksten die het ‘einde’ afschilderen focussen op de kosmologische gebeurtenissen (nieuwe hemel, nieuwe aarde) en zeggen daarmee dat onze wereld in haar huidige vorm niet deugt voor de eeuwigheid. Soms staat de situatie van de mens (geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn) centraal, waardoor leed en ellende op aarde gebrandmerkt worden als puur aardse verschijnselen die in Gods wereld de deur uit worden gedaan. Onze perikoop zoomt in op Gods machtspositie. In het hier en nu zijn er nog andere machten en structuren die Gods onbegrensde heerschappij dwarsbomen.

< Terug