< Terug

Ergernis aan de genade

Bij Amos 8:4-7 en Lucas 16:1-9

De evangelist Lucas richt zich nogal eens tot de rijken. Hij wil hen wijzen op hun verantwoordelijkheid. Zij hebben rijke mogelijkheden om Gods vrijgevigheid te weerspiegelen. De Eeuwige is rijk aan goedertierenheid, gerechtigheid en genade. De kern van het Eerste Testament is de gerechtigheid, die blijkt uit: hart hebben voor de armen, de verdrukten en de kwetsbaren. Vanaf het geboorte-uur van dat vreemde volkje Israël is dit al aan de orde. Mozes’ eerste opdracht was: de potentaat farao het ontslag van zijn goedkope arbeidskrachten aanzeggen. Met Mozes en de profeten (Amos) staat Jezus op één lijn.

Aan onze evangelielezing gaat de gelijkenis van de verloren zoon vooraf, die door zijn vader weer in de familiegemeenschap wordt binnengehaald – ondanks de ergernis van zijn oudste broer, wiens moraal, spelregels en indelingsprincipes niet deugen. Het is Jezus die zich encanailleert met niet-deugers, wetsovertreders en gepeupel. Het is goed dit in het achterhoofd te houden bij het horen van de gelijkenis van de aangeklaagde rentmeester, van wie overigens nergens verteld wordt dat hij metterdáád sjoemelt. Wel dat hij ruimhartig omgaat met de goederen van de landeigenaar. Hij deelt die kwistig uit (‘verstrooit’ ze).

De aanklacht

Het werkwoord ‘aanklagen’ (Gr.: diabolein – Luc. 16,1) doet denken aan de diabolos, de duivel. Macht door geld wordt in vers 9 gepersonifieerd tot een antigoddelijke macht: de geldduivel mammon, ‘de god van de heb’.

De aanklacht luidt dat die econoom gemene zaak maakt met de mammon en ontrouw is aan zijn werkgever. Je treft bij de klagers, die er kennelijk op uit zijn de band tussen de eigenaar en zijn econoom te verbreken (diabolein = uit elkaar werpen, verstoren) dezelfde ergernis als die van de oudste broer van de verloren zoon. Kan deze gelijkenis verwijzen naar de felle discussies tussen Jezus en de farizeeën en Schriftgeleerden? Die verwijten Jezus juist datgene waar deze gelijkenis mee inzet: het kostbare erfgoed van de Tora en de traditie te veronachtzamen. Om daarmee het volk ‘dat de wet niet kent’ voor zich te winnen: de tollenaars en de zondaars, en zo veel te ruim met Gods geboden om te gaan. De parels zijn niet voor de zwijnen! Wie dát in praktijk brengt in de omgang met het volk, maakt de genade en de vergeving spotgoedkoop! Wie deze gelijkenis zó duidt, vermoedt dat hier de Tora in het geding is: de wet van Gods huis. Daar mag tittel noch jota van af. Als er echter één is, die de reikwijdte en kracht van Gods barmhartigheid in heel zijn leven gestalte heeft gegeven, is het Jezus. Want Gods goedheid en ruime genade voor wie zichzelf niet redden kan, spoort dikwijls niet met onze kleinburgerlijke moraal. Dat blijkt uit alle gelijkenissen van Jezus over het koningschap van God, die soms een oordeel vellen over onze normen en waarden. Die gelijkenissen líjken ‘uit het leven gegrepen’, totdat je ontdekt dat er iets schuurt tegen ónze visie op de dingen. Zij dagen ons uit en roepen op tot een beslissende attitudewijziging, omdat zij aanduidenderwijs vertellen hoe Gód onder ons gestalte geeft aan zijn Koning-zijn.

De Tora (Deut. 23,20) verbiedt woekerrente te vragen aan volksgenoten, die noodgedwongen geld of goederen moeten lenen. In het door hen getekende contract mag niet méér vermeld staan dan het verschuldigde. In het land van belofte zal geen honger zijn. Gerechtigheid is gerelateerd aan de concrete naaste; het gaat niet om een ideaal, maar om het zelf doen van gerechtigheid. De rentmeester doet, volgens zijn aanklagers, de eigenaar tekort; hij is te ruimhartig met andermans geld. Nu hij verantwoording moet afleggen over zijn beheer, trekt hij op het laatste ogenblik zijn handelwijze weer recht. De gelijkenis zegt niet dat hij zelf beter werd van zijn kwistigheid. Maar door de manier waarop hij – vóórdat hij zijn baas onder ogen komt – handelt, speelt hij wel zelf voor eigenaar. Toch prijst deze zijn beheerder, omdat hij wijs (chokma) had gedáán door, ten bate van de pachter die klem zit, de wet van de economie niet te laten gelden, met loslating van de mammon. De eigenaar geeft zijn rentmeester opnieuw het volle vertrouwen, omdat hij in deze situatie barmhartigheid boven de wet stelt. Wie legt hier niet even een link naar opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers? Deze gelijkenis stelt ook voor óns actuele vragen aan de orde. Gaan de ijzeren wetten van de economie in bepaalde omstandigheden boven de rechtvaardigheid en medemenselijkheid? Vraagt schuld altijd om rücksichtslose vereffening? De opbrengst van de aarde (graan en olijfolie) kan niet allereerst naar de machtigen gaan. Hier geldt niet het recht van de sterkste!

Jezus stelt twee werelden tegenover elkaar: de kinderen van deze wereld kunnen soms meer betrokkenheid tonen met de komende wereld (het Rijk Gods) dan de kinderen van het licht. Die rentmeester hoort hier bij de eerste categorie, en zijn aanklagers bij de wereld van de duisternis, al menen zij met hun aanklacht ‘zonen van het licht’ te zijn.

De eeuwige tenten

De eeuwige tenten (1,16) zijn beeld voor het komende Koninkrijk van God, waarin de mammon geen plek meer heeft. Onze samenleving is er een waarin de hebzucht huist. In die wereld kan die rentmeester voor ons een voorbeeld zijn, omdat hij zich ontworstelt aan de greep van de mammon. Hij geeft zich rekenschap van Gods ontferming door zijn risicovolle ingreep te doen, al dekt hij zich tegelijk wel in voor het geval hij op staande voet ontslagen zou worden. Niemand houdt in onze samenleving schone handen, veel blijkt dubbelzinnig te zijn of een verborgen agenda te hebben. Een materialistische exegese leest in deze gelijkenis ten onrechte dat christenen in onze kapitalistische wereld het economische systeem van binnenuit moeten opblazen1.

< Terug