< Terug

Existentiële duisternis of incident in het heelal

De zonsverduistering tijdens de kruisiging

Volgens de synoptische evangeliën viel er, toen Jezus aan het kruis hing, midden op de dag duisternis over het land. De bestudering van oude bronnen en bijbelse teksten werpt een nieuw licht op de duisternis.

Het Marcusevangelie houdt bij de beschrijving van de kruisiging een drie-urenschema aan. ‘Het was het derde uur toen ze hem kruisigden.’ (Mar. 15:25) Vervolgens werd Jezus gedurende drie uur bespot door voorbijgangers, de hogepriesters en schriftgeleerden en de met hem gekruisigde misdadigers. ‘En toen het zesde uur gekomen was, kwam er duisternis over de hele aarde (of: het hele land) tot het negende uur.’ (Mar. 15:33) Dit vers wordt door Matteüs 27:45 met kleine wijzigingen overgenomen. Onduidelijk en al bij de kerkvaders omstreden is de vraag of de duisternis over het hele land (= ) viel, zoals de meeste moderne bijbelvertalingen lezen, of over de hele aarde (Statenvertaling). De gebruikte Griekse formulering doet eerder aan een wereldwijde duisternis denken, maar laat een regionale interpretatie desnoods ook toe.

Wat de duisternis betekent wordt door Marcus/Matteüs niet vermeld. Het beeld van een allesomvattende kosmische duisternis en een stilte van drie uur vraagt natuurlijk om een theologische duiding. Maar het heeft eerst en vooral een narratieve functie: het verhaal wordt letterlijk stilgezet voordat het gebeuren verdergaat.

Ook de schrijver van het Lucasevangelie heeft het vers van Marcus overgenomen. Maar hij voegde er iets aan toe: ‘… er kwam duisternis over de hele aarde tot het negende uur, want de zon werd verduisterd’ (23:44-45a). Lucas gebruikt hier de standaardbeschrijving van zonsverduisteringen door antieke historici (tou hêliou eklipontos). Is dit een poging om zijn meer onderlegde lezers een natuurlijke verklaring te bieden? Indien dat zijn intentie was, heeft Lucas de plank goed misgeslagen. Zonsverduisteringen vinden niet plaats bij volle maan, wanneer het Pesachfeest wordt gevierd, maar bij nieuwe maan. Bovendien ze nooit langer dan een paar minuten. Enkele minder goede handschriften van het Lucasevangelie bieden dan ook op deze plek een formulering voor het duister worden van de zon die niet per se aan een astronomische zonsverduistering doet denken (eskotisthê ho hêlios, de zon werd donker). Maar de voor de hand liggende gedachte aan een zonsverduistering was de wereld al in en zou de interpretatie van de duisternis rond het kruis blijven volgen.

Historisch feit of literair motief?

Er is hoe dan ook een overeenkomst tussen de verhalen van de synoptici: voorafgaand aan de dood van Jezus viel een drie uur durende duisternis over de wereld, die door Lucas als zonsverduistering geïnterpreteerd wordt. Het Johannesevangelie kent deze kosmische duisternis bij de kruisiging niet en biedt in plaats daarvan een troost biedende scène van afscheid (Joh. 19:25-27). Andere christelijke bronnen uit de eerste eeuw maken er evenmin melding van. Dit wijst erop dat aan het begin van de christelijke traditie de duisternis niet een van de feiten was die onlosmakelijk verbonden waren met de herinnering van de kruisiging. Dit valt moeilijk te rijmen met een feitelijk gebeuren van de beschreven intensiteit en langdurigheid. Een nuchter redenerende historicus zal dan ook concluderen dat de duisternis in de synoptische traditie als literair motief is te beschouwen. Dit motief moet geïnterpreteerd worden in de context van andere verwijzingen naar zonsverduisteringen in de literatuur van de oudheid, waaronder de Joodse geschriften, en in het theologische referentiekader van de synoptische evangeliën. Dat zal verderop gebeuren. Maar eerst richten wij ons op de vanaf de tweede eeuw losbrandende apologetische discussies die de kwestie van de historiciteit van het gebeuren centraal stellen.

Apologetische controversen

Toen het christendom in de tweede en derde eeuw als nieuwe religieuze beweging werd opgemerkt en zichzelf tegenover overheid en publieke opinie begon te presenteren en te verdedigen, werd ook de duisternis bij de kruisiging een veel behandelde kwestie. Een probleem dat steeds weer naar voren kwam, was het feit dat een zo universeel en opvallend gebeuren niet zou zijn opgemerkt door (niet-christelijke) historici. Daarop reageerden de christenen op verschillende manieren, soms door het te aanvaarden, meestal door het te bevechten. In zijn commentaar op het Matteüsevangelie verklaart de kerkvader Origenes dit opvallende zwijgen van de historici door het lokale karakter van de duisternis, die hij uitdrukkelijk niet aan een zonsverduistering toeschrijft maar aan extreem donkere wolken die de zon hadden bedekt. Hij verbindt daaraan de theologische interpretatie dat de Joden, die Jezus hadden afgewezen, in het donker van het goddelijke oordeel terechtkwamen, terwijl de rest van de wereld al in het licht stond, dat de kerk van Christus kenmerkt.1 In feite opent Origenes hier onbedoeld de deur voor een natuurlijke verklaring van de duisternis. De meerderheid van de theologen volgt een andere weg, die Origenes zelf ook in zijn strijdschrift tegen Celsus bewandelt. Men probeert wél getuigen voor de duisternis aan te voeren, ook al zijn ze extreem moeilijk te vinden. Tertullianus beweert in het 21e hoofdstuk van zijn Apologeticum dat er bewijzen voor het irreguliere kosmische incident (causa mundi) te vinden zouden zijn ‘in jullie geheime archieven’ (in archivis [of: arcanis] vestris). Hij insinueert daarmee dat de overheid kennis van de feiten heeft, maar deze achterhoudt. Origenes noemt in Contra Celsum twee keer een vrij summier bericht van Phlegon van Tralles, een vrijgelatene van keizer Hadrianus, dat ook door andere kerkvaders aangehaald wordt, over een zonsverduistering en aardbevingen onder keizer Tiberius (14-37). Zijn geleerde tijdgenoot Julius Africanus noemt daarnaast ook nog het bericht van een zekere Thallos (alleen toegankelijk via de achtste-eeuwse Kroniek van Georgius Syncellus, p. 391), die hij verwijt het fenomeen ten onrechte een zonsverduistering te noemen, omdat het Pesachfeest veertien dagen na de nieuwe maan, het tijdstip van zonsverduisteringen, gevierd werd.

Problematisch bij al deze vermeldingen is dat er behalve de referaten van de kerkvaders – die mogelijk geen letterlijke weergave bieden – geen afschriften van Phlegons Kronieken en Thallos’ Historiën meer beschikbaar zijn. De theologen vermelden niet met nauwkeurigheid in welke chronologische context de opmerking oorspronkelijk geplaatst was. Zo lijkt het erop dat pas door Origenes een zonsverduistering ‘onder keizer Tiberius’ (zo nog in Contra Celsum 2:33) tot zonsverduistering ‘tijdens het lijden van de redder’ (zo in 2:59) werd verklaard. Het enige dat wij met zekerheid kunnen vaststellen is dat Phlegon en Thallos een zonsverduistering onder keizer Tiberius hebben genoemd. Astronomische berekeningen wijzen op 21 november 29 als datum voor deze zonsverduistering, wat op geen enkele manier een overeenkomst met een mogelijke datum van de kruisiging oplevert. Of door Phlegon of Thallos zelf een verbinding werd gelegd met het christelijke bericht van de kruisiging, is niet zeker te achterhalen. Mocht dat het geval geweest zijn, dan was het waarschijnlijk een poging om tegenover het christelijke wonder een natuurlijke verklaring te bieden. Een vergelijkbare redenering vinden we in het apocriefe Nicodemusevangelie. Nadat hij berichten over de kruisiging had gehoord, laat Pilatus de Joden komen en vraagt: ‘Hebben jullie gezien wat er is gebeurd?’ Zij antwoordden: ‘Er vond een zonsverduistering plaats op de gewone manier.’ (11:2) De bijna seculier te noemen houding van de Joden hier geeft één mogelijkheid aan, namelijk hoe men in de oudheid op kosmische fenomenen kon reageren. Vaker vinden wij echter een andere benadering.

Zonsverduisteringen als voortekens

Veel antieke schrijvers scharen zonsverduisteringen onder de voortekenen (prodigia) die de dood van een heerser aankondigen. Sowieso worden verduisteringen van zon of maan en andere kosmische gebeurtenissen overal in de oudheid in verband gebracht met belangrijke historische gebeurtenissen. Dit gebeurt in vorm van losse inbedding, expliciete parallellie of directe religieuze causale verbinding. Instructief met het oog op de in de vorige alinea besproken problematiek, is dat de geboden dateringen onnauwkeuriger lijken te worden naarmate de door de schrijver aangenomen causale verbinding toeneemt (Demandt). Onder de evangelisten is vooral Lucas met zijn benoeming van de duisternis als zonsverduistering in verband te brengen met zulke historiografische gewoontes. Voor de pre-synoptische traditie die Marcus en Matteüs weergeven ligt het meer voor de hand de specifiek Joodse variant van het geloof in kosmologische tekens te onderzoeken.

Voorspellingen in de Tenach

In de passieverhalen van de evangeliën zijn expliciete en impliciete verwijzingen naar de geschriften van Israël extreem talrijk. Dat hangt waarschijnlijk samen met de grote behoefte om de gruwelijke dood van Jezus in alle details als ‘door God gewild en in de schriften voorspeld’ te begrijpen. De evangelisten zijn daarbij verrassend origineel in het verwerken van schriftpassages. Het begrijpen van de passie in het licht van de geschriften was kennelijk een veel geoefende en weinig aan normen gebonden activiteit. Herinnering en hervertelling in het licht van de geschriften gingen hand in hand in een wederzijds stimulerend proces. Dat leidde er in sommige gevallen toe dat de herinnerde feiten aangepast werden aan het geschrift dat de betekenis van het gebeurde openbaarde. Wat de donkerheid bij de kruisiging betreft zijn de kerkvaders het er al over eens dat deze duisternis verwijst naar Amos 8:910, een profetie over de dag van het laatste oordeel, de dag des Heren:

Op die dag – spreekt God, de HEER – zal ik op het middaguur de zon doen ondergaan, en het land verduisteren op klaarlichte dag. Ik zal jullie feesten veranderen in rouw, jullie liederen in klaagzangen; om jullie heupen gord ik een rouwkleed, en jullie hoofden scheer ik kaal. Jullie zullen treuren als om de dood van een enig kind (Septuagint: agapêtos/geliefde), en die dag zal eindigen in bitterheid.

Drie punten van overeenkomst met de synoptische evangeliën vallen op. Er valt in beide teksten op het middaguur duisternis over het land, volgens Amos een teken van Gods eschatologische toorn, wat men dan ook voor de synoptici veronderstellen kan. Ten tweede verandert het feest (Pesach!) in rouw. Ten derde wordt gerouwd (als) om een enig kind, volgens de Septuagint om de geliefde. Dit kon men opvatten als verwijzing naar Gods geliefde zoon, wiens openbaring in het Marcusevangelie niet toevallig aan het kruis culmineert (Mar. 1:11, 9:7, 15:39). Oude en moderne uitleggers hebben daarnaast voorgesteld dat Matteüs associaties heeft willen toevoegen die verwijzen naar de duisternis die Mozes over Egypte bracht (Exodus 10:22). Het is vooral de kleine, in het Nederlands niet goed weer te geven verandering van ef holên tên gên (Mar. 15:33) naar epi pasan tên gên (Mat. 27:45) (allebei te vertalen met ‘over de hele aarde’), die in verband met het ook bij Marcus al letterlijk met Exodus 10:22 overeenstemmende egeneto skotos (er ontstond duisternis) aan de negende plaag laat denken. Dit was de plaag verbonden aan de instelling van het eerste Pesachfeest, dat gepaard ging met de rouw om de dood van iedere eerstgeboren zoon van de Egyptenaren. De vraag is of volgens Matteüs – wiens evangelie zoals bekend vol staat met verwijzingen naar de exodus – de drie uren duisternis tijdens de kruisiging een vervulling zijn van de drie dagen in Exodus 10:22, net zoals de veertig dagen van verzoeking van Jezus in de woestijn (Mat. 4) een typologische tegenhanger van de veertig jaren zijn die Israël door de woestijn moest wandelen.

Theologische interpretaties

De laatstgenoemde interpretaties horen natuurlijk al bij het veld van theologische duidingen van de duisternis. Allison noemt in zijn omvangrijke onderzoek naar Matteüs 27:45 vier hoofdinterpretaties.

(1)Dat God met de duisternis zijn oordeel over de niet-gelovige Joden uitspreekt is de – vaak in betreurenswaardig anti-judaïstische bewoordingen geklede – meest voorkomende interpretatie door de eeuwen heen. Zij stoelt op de al genoemde verwijzing naar Amos 8:9-10 en op een groot aantal andere teksten in de Hebreeuwse Bijbel, die donkerheid en vonnis verbinden (o.m. Jes. 13:9-16, Am. 5:18.20 en Jer. 13:16).

(2)In een lange lijst van parallellen toont Allison hoe de eschatologische voorspellingen die Jezus in Matteüs 24-25 doet al een eerste keer vervuld worden in Matteüs 26-28, waardoor het passieverhaal als begin van de eindtijd, als initiale of particuliere realisatie van de eschatologische verwachtingen gekenmerkt wordt. Zo men de duisternis van 27:45 opvatten als vervulling van de voorspelling van Matteüs 24:29.

(3)Bij sommige kerkvaders vindt men de gedachte dat de zon haar ogen sluit uit schaamte over wat er gebeurt, met name over de blootstelling van het naakte lichaam van Jezus.

(4)Als teken van rouw is de duisternis al opgevat in Amos 9:910, maar commentatoren stellen terecht de vraag wie in Matteüs 27:45 eigenlijk treurt. Zon en aarde rouwen over het oordeel dat zich voltrekt (zie Jer. 4:27-28; 2 Bar. 10:12).

Maar ook andere associaties zijn mogelijk: pagane en rabbijnse tradities ontmoeten elkaar in de interpretatie van kosmische verschijningen, waaronder zonsverduisteringen, als tekens van rouw over de dood van grote personen (bijv. b. Sukk. 29a over Ab Beth din; Plutarch Caesar 69 over Caesar). De daarin aanwezige gedachte dat mensen niet genoeg (kunnen) treuren over het onvatbaar grote verlies, ligt zeker bij Matteüs 27:45 ook voor de hand. Er is zelfs een rabbijnse tekst die in een interpretatie van Klaagliederen 3:28 en Joël 3:15 God die in zijn rouw zon, maan en sterren verduistert, vergelijkt met een koning in rouw, die zijn lampen dooft (Lam. Rab. 3:9). Is het misschien het rouwen van God zelf dat door de duisternis ter uitdrukking wordt gebracht?

Ik wil aan dit rijtje van interpretaties nog een tweeledige gedachte toevoegen. Volgens de theoloog John A. Broadus is de externe donkerheid een afspiegeling van de duisternis in Jezus zelf, van de intensiteit en totaliteit van zijn lijden. Dit lijkt me een zeer aannemelijke interpretatie, die men nog een stap verder ontwikkelen. Jezus leed niet afgezonderd van het publiek, hij onderging een urenlange zichtbaar pijnvolle doodsstrijd, die alle machteloze maar niet gevoelloze toeschouwers zwaar getraumatiseerd achter moet hebben gelaten, zeker degenen die met hem in liefde verbonden waren. Hoe moesten zij achteraf beschrijven wat zij hebben meegemaakt in deze eindeloze uren? Er zijn ervaringen die te zwaar zijn om onder ogen te zien en om te bespreken. Dit was er zeker een en daarom is het theologisch gesproken waar dat er ondoordringbare duisternis viel over het hele land, die uren duurde en waarover niets te vertellen valt, totdat de doodskreet van Jezus er een eind aan maakte.

Literatuur

D.C. Allison, Studies in Matthew. Interpretation Past and Present, : Baker Academic 2005, 79-105.

A. Demandt, Verformungstendenzen in der Überlieferung antiker Sonnen- und Mondfinsternisse, Mainz: Akademie der Wissenschaften und der Literatur (AGSK 1970, Nr. 7), 467-527.

H. Detering, Falsche Zeugen. Außerchristliche Jesuszeugnisse auf dem Prüfstand, : Alibri 2011.

< Terug