< Terug

Gave van de Tora en van de Geest

Bij Ezechiël 11,17-20, Handelingen 2,1-24 en Johannes 14,23-29

Op Pinksteren brengt God zijn droom in vervulling: naar huis brengen wie van thuis verdreven zijn, samenbrengen wie gescheiden zijn, allen bezield zien door één Geest in wie Hijzelf naar de mensen toekomt. Dit gebeuren is voor herhaling vatbaar en trekt steeds grotere kringen.

Ezechiël hoort bij de ballingen die in 598 of 597 v.Chr. door Nebukadnessar naar Zuid-Babylonië zijn weggevoerd. Dit gebeurde ruim tien jaar voor wat vaak als begin van de Babylonische ballingschap wordt beschouwd: de tweede bezetting van Jeruzalem, de verwoesting van de tempel en het einde van het zelfstandige koninkrijk Juda. In het zesde jaar na de eerste wegvoering wordt Ezechiël in een visioen door een schitterende gedaante van vuur gegrepen en naar Jeruzalem gevoerd (Ezechiël 8,1-3). Wat hij daar ziet, duurt tot aan het einde van het elfde hoofdstuk, waar hij wordt teruggebracht naar ‘het land der Chaldeeën’ en aan de ballingen vertelt wat God hem heeft laten zien (Ezechiël 11,24-25).

Thuiskomen in een nieuwe geest

Hoofdstuk 11 vormt het tweede gedeelte van dit omvangrijke visioen. Ezechiël ziet bij de oostelijke poort van de tempel lokale beleidvoerders, die aan de macht gekomen waren toen de oude elite was weggevoerd. Het lijkt hun niet nodig om huizen te bouwen. Vermoedelijk moeten de eerste verzen zo worden gelezen, dat zij het eigendom van de ballingen in bezit hebben genomen en nu een opstand aan het voorbereiden zijn.1 Zij voelen zich als het vlees in de pot, maken aanspraak op het hele land (Ezechiël 11,15). Ontsteld vraagt Ezechiël of de Heer een einde wil maken aan de weggevoerden, ‘het overblijfsel van Israël’. Zijn antwoord hierop is de tekst van de profetenlezing: God wil de ballingen bijeenbrengen en hún het land Israël geven (Ezechiël 11,17). Wanneer zij terugkeren, zullen zij de cultische misstanden beëindigen die onder de nieuwe machthebbers in de tempel ruimte hebben gekregen (Ezechiël 11,18) en die de profeet in het eerste gedeelte van zijn visioen (Ezechiël 8) had gezien.

God ziet zowel het lot van de ballingen als de situatie in Jeruzalem. Hij wil dat het goedkomt. Hij zal onrecht niet voor altijd dulden. Maar zij die nu nog ballingen zijn en dan mogen terugkeren, moeten zelf ook veranderen. Noch hun benadeelde situatie tijdens de ballingschap, noch het ophouden met het vereren van verkeerde goden kunnen dat vervangen. God wil hun één hart geven. Geen halfhartigheid meer (Psalmen 86,11), noch dubbelhartigheid (Psalmen 12,3), maar één hart, gefocust alleen op God, kortom: een nieuwe geest (Ezechiël 11,19). Eindelijk zal het volk zijn volk zijn en Hij hun God.

Pinksteren en Sinaï

‘Zij mijn volk, Ik hun God’: dit is de taal van Gods verbond met Israël. En hier ligt een raakpunt met de tweede lezing. Volgens Handelingen 2,1 voltrok zich het Pinkstergebeuren op ‘de vijftigste dag’, op het Sjabhoe‘ot-feest. Dit oorspronkelijke oogstfeest werd in het begin van onze jaartelling steeds meer als feest van de gave van de Tora gevierd. Vanaf de tweede eeuw verschijnt Exodus 19 op Sjabhoe‘ot in de leesroosters van de synagogen. Liturgie en commentaren recipiëren met name de omstandigheden van de verschijning Gods onmiddellijk voorafgaand aan de gave van de Tien Woorden: vuur (Exodus 19,18), gedruis (Exodus 19,16), geluid/stem (Gr.: phoonè betekent beide – Exodus 18,16.19), de aanwezigheid van het hele volk (Exodus 19,17). Deze motieven komen terug in de eerste verzen van Lucas’ pinksterverhaal; kennelijk wil hij voor de lezer of toehoorder een verband leggen tussen de gave van de Tora en de gave van de Geest.2 Beide zijn constitutieve gebeurtenissen voor een geloofsgemeenschap, beide horen bij een verbond.

Pinksteren voortgezet

Pinksteren als startschot voor de kerk, vijftig dagen na Pasen – zo wordt het sinds het einde van de vierde eeuw als zelfstandig feest gevierd. Maar is dit helemaal in de lijn van Lucas? Enerzijds wel: Lucas is de enige nieuwtestamentische schrijver die het Pinkstergebeuren een eigen plek in het kader van een traditioneel feest geeft en de gave van de Geest – als begin van kerk en zending – niet integreert in de gebeurtenissen omtrent de opstanding, zoals bijvoorbeeld Johannes (20,21-22). Anderzijds is het strikt genomen voor Lucas pas het begin van de eerste fase van de kerk. Hoezeer de wereldwijde betekenis van Pinksteren door Lucas ook wordt onderstreept door de lijst van in Jeruzalem wonende diaspora-joden, tot nu toe betreft het alleen joden en proselieten. De Samaritanen hebben nog geen aandeel aan de Geest, laat staan mensen buiten de joodse gemeenschap. Hiervoor zijn nog andere kleine Pinksterfeesten nodig, die duidelijk maken dat zij evengoed bij de kerk horen: de Samaritanen (Handelingen 8,14-17), het niet-joodse huis van Cornelius te Caesarea (Handelingen10,44-48) en de Johannesgedoopten zonder Geest in Efeze (Handelingen 19,1-7). Wat daar bij de ontvangst van de Geest met de gelovigen gebeurt, herinnert door het hergebruik van woorden uit Handelingen 2 aan dit eerste Pinksterverhaal. Pinksteren is niet alleen een beginpunt dat je als oorsprong van de kerk kunt vieren, maar Pinksteren voltrekt zich volgens Lucas telkens weer bij de uitbreiding van de christelijke gemeenschap.

De Geest als herinnering aan Jezus’ woorden

De – op een rare manier afgebakende – tekst van de evangelielezing gaat in op de situatie van de gemeente na het einde van Jezus’ tijd op aarde: de gemeente is niet zonder Jezus, noch zonder zijn woord. Door de Geest, die net als Jezus zelf door de Vader is gezonden, komt Jezus terug bij de zijnen. Terwijl Jezus op aarde was, kon Hij zelf zijn woorden aan de leerlingen doorgeven. Nu neemt de Geest deze functie over, door aan Jezus’ woorden te herinneren. Er ontbreekt niets aan de gemeente na Pinksteren; zij is niet benadeeld ten opzichte van de leerlingen die Jezus persoonlijk kenden.

< Terug