De weg van een frater

Leven: een lange transitie zonder einde

Bewuste keuzes zijn soms het gevolg, maar vaak het begin van transities in het leven. Wie kiest voor een leven als religieus ontkomt niet aan vorming en omvorming. Ook de gemeenschap zelf verandert en wordt voortdurend gevormd. Terugkijkend op vele momenten van kleine en grote transities ontdek je misschien dat leven uiteindelijk een grote lange transitie zonder einde is.

Het was kerstnacht 1987. Ik was 15 jaar en zat met mijn ouders in de kerk van ons dorp voor de nachtmis. Het was niet een plek waar we vaak kwamen. Nadat ik op 12-jarige leeftijd mijn vormsel ontving, was het voor mij en mijn ouders wel gedaan met kerkelijk zijn.

Van de mis heb ik niet veel meegekregen. Er bekroop mij een sterk gevoel van oneerlijkheid. Wat deed ik hier?

Niet dat ik twijfels had over God en geloof, toch voelde ik me hier nu niet thuis. Ik voelde sterk dat van mij een keuze gevraagd werd: of je komt hier nooit meer, of je neemt het katholiek-zijn serieus en gaat elke week.

Het werd het laatste. Vanaf 1 januari 1988 zou ik elk weekend in de kerk te vinden zijn, nam ik me voor. Ik hield het vol. Ook al was er niet veel te beleven in die kerk. Ook al gingen mijn ouders niet naar de kerk. Ook al vonden mijn klasgenoten het raar.

Achteraf zie ik dit als een eerste omvormingsmoment op weg naar religieus leven.

Nieuw vormsel

In de jaren negentig studeerde ik in Tilburg voor leraar wiskunde. Ik woonde met drie andere studenten in een pastorie in Goirle. Daar vroeg de pastoor mij om met een pastoraal werker mee te denken over een revival van het jongerenpastoraat.

Ik ontdekte er een bruisend parochieleven met vele tientallen vrijwilligers. Er was veel ruimte voor ontdekking en experiment en ik merkte dat ik me daardoor kon verdiepen in mijn geloof. Seneca schreef al: “Homines dum docent discunt”. De mens leert terwijl hij onderwijst. Ik gaf kindercatechese, vormselvoorbereiding en af en toe een overweging in de vieringen van het jongerenkoor.

Tijdens een week in Taizé als begeleider van een jongerengroep heb ik Frère Rogier mogen spreken en van hem een zegen ontvangen. Het was voor mij een nieuw vormsel, een nieuwe bevestiging aan God en aan de kerk.

Verlangen

In die tijd leerde ik ook de fraters van Tilburg kennen. Ik kwam graag naar hun wekelijks meditatie-uur en was verrast te ontdekken dat de fraters een leven van gebed en toewijding combineerden met een actieve aanwezigheid in de maatschappij.

Er was toen nog één redelijk jonge frater die in de zorg werkte, maar ik begreep dat de fraters vooral onderwijzers waren. Wat zou ik graag op die manier willen leven! Na de afronding van mijn studie ben ik met mijn vraag op ze afgestapt: kan ik ook nog frater worden? Inderdaad ‘nog’, want het leek mij helemaal niet vanzelfsprekend dat deze groep van toch vooral oudere mannen nog nieuwe mensen zou ontvangen.

Het kon, maar het zou ook goed zijn om eerst meer levenservaring op te doen. Ik kreeg een baan in het onderwijs en ging op mezelf wonen. Frater worden stond op een laag pitje, het verlangen bleef.

Mijn weg

Tot in de jaren vijftig was het vrij normaal dat in katholieke gezinnen een of meer kinderen priester, zuster of broeder werden. Sinds de jaren zeventig is dat verre van gewoon. Ik heb het dan ook moeilijk gevonden om met anderen te praten over mijn verlangen om frater te worden.

Alleen een goede vriendin, die ik kende via de kerk, wist ervan voordat ik me bij de fraters meldde. Zij kende mijn geloofsleven en begreep wat ik zocht. Van anderen was ik daar zeer onzeker over. Ik herinner me nog goed dat ik na dat eerste gesprek met frater Wim Verschuren mijn ouders het nieuws wilde vertellen.

Jij gaat zeker het licht uit doen

Het was opnieuw Kerst. Zoekend naar woorden begon ik te vertellen wat me bezig hield en wat ik van plan was.

Van tevoren had ik erover nagedacht wat ik zou doen als ze er niet achter zouden staan. Ik zou tóch deze weg kiezen. Het voelde eigenlijk niet eens als een keuze, het was mijn weg.

Ik zag de teleurstelling, vooral bij mijn moeder. Ik heb geen broers of zussen, mijn keuze betekende voor hen geen kleinkinderen. Nadat het vervolgens toch niet doorging, werd er nooit meer over gesproken. Wel stuurden mijn ouders me een krantenartikel over slachtoffers van een of andere sekte. Zo dachten ze er dus over.

Coming out

Toen ik vijf jaar later alsnog besloot om in te treden moest ik ze dat opnieuw vertellen. Mijn moeder reageerde geschrokken: ‘Dat zou je toch niet meer doen?’ Mijn vader bleef rustiger: ‘Nee, hij zou het toen nog niet doen, maar misschien later wel.’

Het bleef voorlopig bij dat gesprek.

Ook op de school waar ik werkte en ontslag nam om aan mijn noviciaat te beginnen waren de reacties soms ronduit vervelend. ‘Je gaat daar zeker het licht uitdoen.’ Een oudere dame uit de parochie flapte eruit: ‘Dat is toch zonde van zo’n mooie jongen als jij.’ De meer positieve reacties kreeg ik van mijn leerlingen. Die hadden waarschijnlijk geen enkel vooroordeel bij kerk en kloosters meer.

Wanneer ik de verhalen van homo’s, lesbiennes of transgenders hoor, herken ik me daarin. Om te kiezen voor religieus leven in deze tijd moet je ook sterk in je schoenen staan.

Het is alles behalve vanzelfsprekend. Misschien is die keuze momenteel wel radicaler dan ooit, zelfs wanneer het religieuze leven zelf misschien minder radicaal is dan vroeger.

Ingroei

Zo begon mijn leven in 2000 opnieuw. Van vrijwel al het eerdere nam ik afscheid om helemaal vrij te zijn voor het noviciaat en een leven als frater. Van een leven waarin ook plaats was voor God, ging ik naar een leven waarin God centraal staat. In plaats van naast mijn werk ook nog wat te bidden en wat voor de kerk te doen, zou ik voortaan vanuit het gebed en vanuit de gemeenschap aan het werk gaan.

Het noviciaatsjaar was een geschenk. Vrij zijn om te leren over Bijbel, kerk en congregatie, over bidden en spiritualiteit. Er was ruim tijd voor gebed, stilte en meditatie. We waren in Vught met een nieuw huis begonnen en alles moest nog vorm krijgen. Het huis en de grote tuin moesten ingericht worden. Ook ons gemeenschapsgebed moest vorm krijgen.

Een van mijn bijdragen hierin is dat we als enige fraterhuis een afzonderlijke dagsluiting bidden. Pas achteraf heb ik me gerealiseerd hoe bijzonder het is dat ook de oudere medebroeders open stonden om alles opnieuw te bekijken en eventueel anders te doen dan zij gewend waren.

Hun open houding heeft mij veel geleerd over gemeenschapsvorming. Het gaat om openheid. De apostel Paulus schrijft het zo helder in de brief aan de Thessalonicenzen: onderzoek alles, behoud het goede en vermijd alle kwaad.

Vooral frater Wim Verschuren en frater Ad Mommers lieten mij zien hoe je elkaar ruimte geeft en toch verbonden kunt blijven. Later zou Wim het formuleren als ‘niet loslaten, maar anders vasthouden’.

Teleurstelling

Vaak krijg ik de vraag of ik nooit spijt heb gehad van mijn keuze. En eigenlijk heb ik dat inderdaad niet. Wel was ik na een paar jaar wat teleurgesteld. Ik had verwacht dat de keuze voor een celibatair en onthecht leven me meer beschikbaar zou maken voor mijn medemensen. Zo staat het ook in onze leefregel.

Mijn ervaring was echter anders. Ik was juist minder beschikbaar dan in de tijd dat ik alleen woonde. De gemeenschap vraagt aandacht. Je moet er op vaste tijden zijn en dat beperkt je aanwezigheid in de wereld behoorlijk. De gemeenschap was de basis, ik had een baan als leraar en was vrijwilliger voor het Rode Kruis, maar in de kerk bijvoorbeeld droeg ik nauwelijks meer iets bij.

Het duurde enkele jaren voordat ik begon in te zien dat ik door de gemeenschap, het gebed en de relatie met God, ánders aanwezig was. Ik had inderdaad minder tijd voor activiteiten, maar was bij minder activiteiten wel meer betrokken, met heel mijn mens-zijn, bewuster, aandachtiger.

Eindfase en opbouw

In 2014 heb ik het onderwijs moeten verlaten omdat ik door de gemeenschap gekozen werd als lid van het internationaal bestuur. Vanuit deze rol zie ik nu ook de veranderende gemeenschap. In Nederland en België is de congregatie in een soort eindfase. Het aantal fraters is sterk afgenomen en daarmee ook het aantal huizen en de betrokkenheid bij het apostolaat.

Een echt einde is het echter niet. Er is de afgelopen jaren hard gewerkt om onze spiritualiteit door te geven. In 1998 is de Beweging van Barmhartigheid van start gegaan. Deze beweging heeft een kleine 1.000 participanten die daarmee uitdrukking geven aan hun verlangen naar een meer barmhartige samenleving.

In ons voormalig klooster in Vught is het Kloosterhotel ZIN gevestigd. Daar is aandacht voor bezieling en bezinning in het werk, geheel in de geest van onze actief religieuze levenswijze. Naast het hotel staat nog een kleine communiteit van fraters die ook betrokken zijn bij ZIN.

Bij de dreigende sluiting van een van onze huizen in Tilburg is ervoor gekozen dat één frater op die plek een nieuwe leefgemeenschap kon beginnen. Sinds begin dit jaar wonen daar zes jongvolwassenen, studenten en pas afgestudeerden. Zij zoeken naar een manier om voor kortere of langere tijd vanuit een gelovige, biddende gemeenschap te leven. Het zijn allemaal nieuwe vormen om de waarden van ons fraterleven voort te laten bestaan.

Buitenland

De grote en tegelijk zeer langdurige transitie in onze congregatie, en waarschijnlijk in de hele kerk, is de secularisatie. In Nederland lijkt een nieuwe balans in zicht waarbij geloof, of in elk geval godsdienst, niet langer de norm, maar uitzondering is geworden.

Gevestigde structuren zijn opgehouden te bestaan of zijn zo vergrijsd dat het einde in zicht is. Tegelijk groeien nieuwe eigentijdse initiatieven rond geloof en gemeenschap. Die zullen waarschijnlijk nooit meer de omvang en de macht krijgen die de oude instituties ooit hadden. Volgens mij is dat niet erg.

De geschiedenis heeft ons keer op keer laten zien dat religie en macht niet goed samen gaan. Deze nieuwe vormen worden gekenmerkt door een persoonlijke beleving in verbondenheid met anderen.

In de landen in het zuiden speelt geloof nog een belangrijke rol, maar ook daar zie ik tekenen van een naderende omslag. Er zijn wat minder roepingen. De jonge fraters zijn kritischer en zelfstandiger en dat botst met de klassieke geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid. Lokale bestuurders moeten een nieuwe stijl van leiding geven en communiceren leren en dat is niet vanzelfsprekend. Het is boeiend en soms ook ingewikkeld om als bestuurder, op afstand, vanuit een andere cultuur, in die processen ondersteuning te geven.

En nu?

De congregatie van de fraters is in Nederland sneller klein geworden dan ik had gedacht. Ik had het graag anders gezien, het is nu eenmaal zo. Het licht laten we aan. Het mag aanblijven voor al die mensen die graag in ons spirituele huis blijven komen, zelfs als er straks misschien geen fraters meer zijn. Ik richt me op de toekomst en op alle veranderingen die er wereldwijd nog aan staan te komen.

En mijn ouders? Op de dag dat ik aan mijn noviciaat begon waren ze er natuurlijk bij. Ze hadden een stapel felicitaties bij zich van mensen uit ons dorp. Eromheen zat het dorpskrantje met daarin een artikeltje van hun hand waarin ze vertelden hoe trots ze waren dat ik deze weg gekozen had. Ze zien de fraters nu als hun familie. Ook dat is transitie.

Niek Hanckmann is frater in de congregatie Fraters CMM, beter bekend als de Fraters van Tilburg. Hij is lid van hun algemeen bestuur. Daarvoor werkte hij 17 jaar als leerkracht in het voorgezet speciaal onderwijs.

Meer Geloofsverdieping