‘Ik ontvang en baar’

Het moederschap van de kerk

Hildegard van Bingen beschreef hoe de kerk een heilige ruimte is. Niet alleen is de kerk een ruimte voor Gods aanwezigheid onder ons. Zij belichaamt ook zelf deze heilige ruimte, waarin ze functioneert als een moeder. Hoe de kerk gestalte geeft aan haar moederschap, zag Hildegard in een visioen – dat zij optekende.

Dat de kerk meer dan een gebouw is, daarvan getuigt de Duitse mystica Hildegard van Bingen (1098-1179). Zij beschrijft de kerk als een heilige ruimte, waarin Gods Woord klinkt en de sacramenten worden gevierd. De kerk is een heilige ruimte dankzij haar verbondenheid met God, die erin aanwezig kan komen. De kerk is niet alleen ruimte voor Gods aanwezigheid onder ons. Zij belichaamt ook zelf deze heilige ruimte, waarin ze functioneert als een moeder. Hoe de kerk gestalte geeft aan haar moederschap, werd aan Hildegard getoond in een visioen. Dit visioen heeft ze opgetekend in haar boek Scivias: ken de wegen. Dit visioen bestaat uit vier beelden.

Op het eerste beeld zien we de kerk als een vrouwengestalte voor Gods aanschijn (rechts boven). Het tweede beeld toont de kerk als een zwangere vrouw die ontvangt en baart (links boven). Het derde beeld laat zwarte kinderen zien, die haar lichaam als vissen binnenstromen en via haar mond weer naar buitengaan nadat hun zwarte huid afgestroopt is (rechts onder). Het vierde beeld toont twee wegen: de ene weg leidt naar het oosten, waar de gelovigen opgenomen worden in het koninkrijk van God; de andere weg leidt naar het noorden, waar de duivel hen in het verderf stort. Ik geef weer wat Hildegard getoond werd in dit visioen, waarbij ik de uitleg gebruik die ze in het vervolg van dit visioen neergeschreven heeft.

Vrouw voor Gods aanschijn

Ik zag een vrouwengestalte van zo’n grote omvang als een grote stad. Haar hoofd was met een wonderlijke versiering omkranst. Van haar armen ging – zoals lange mouwen naar beneden hangen – een schittering uit, die van de hemel tot de aarde reikte. Haar buik was als een net met veel gaten doorboord, waardoor een grote menigte mensen in en uitging. Benen en voeten had zij niet. Zij stond voor Gods altaar – dat wil zeggen voor Gods aanschijn, terwijl alleen haar bovenlichaam zichtbaar was. Met uitgespreide handen omarmde zij God. Met haar doordringende ogen overzag ze de hele hemel.

Ik kon geen van haar gewaden waarnemen. Ik zag alleen dat ze geheel en al straalde in een allerhelderst licht en door veel schittering was omgeven. De kerk wordt gepresenteerd als een vrouw. Zij is de bruid van Christus. Op haar hoofd draagt ze een kroon, die haar waardigheid geeft. Volgens de uitleg verwijst deze kroon naar het bloed van het lam: de kruisdood van Jezus Christus (Openbaring 7:14). Hij is het fundament waarop de kerk is gebouwd. Zij zet het werk van God in Christus voort onder leiding van de Heilige Geest. De werking van de Geest is uitgedrukt als schitterend licht. Dit licht bemiddelt zij door met haar armen een verbinding te maken van de hemel naar de aarde. Zij is het instrument waardoor de goddelijke Geest kan werken.

Op de afbeelding zien we slechts het bovenlichaam van deze vrouw, en dat betekent dat de kerk haar bestemming nog niet bereikt heeft. Haar bouwwerk dat bestaat uit levende stenen, is nog niet voltooid. Levende stenen worden toegevoegd als het sacrament van de doop wordt toegediend en de dopelingen ‘witgewassen’ worden in de bron van het zuiverste water.

Zwangere vrouw

In haar borst lichtte een rode gloed op, zoals het morgenrood een rode glans. Ik hoorde daaruit veelstemmige muziek, waarin zij ‘als het fonkelende morgenrood’ werd bezongen. En deze gestalte verspreidde haar glans als een kleed, terwijl ze zei: ‘Ik moet ontvangen en baren.’ En direct daarna kwam als de weerlicht een menigte engelen aangesneld en zij maakten in haar trappen en zetels voor de mensen, door wie deze gestalte voltooid moest worden.

De focus ligt hier op de opdracht van deze vrouwengestalte. Bij het toedienen van het sacrament van de doop moet zij ontvangen en baren. Op deze wijze werkt de kerk samen met God, die heil schenkt. Wanneer zij iemand ontvangt en baart tot een kind van God is er vreugde in de hemel. Dan komen de engelen dichterbij om hen te verheffen in het goddelijke leven. Het volgende beeld laat het proces van wedergeboorte zien zowel in de vrouw als in de dopelingen. Daarbij zoomt Hildegard in op de moederschoot van de vrouw die vol met gaten zit en waardoor deze leerlingen als vissen bij haar naar binnen zwemmen.

Barende vrouw

Vervolgens zag ik dichtbij de aarde in de lucht zwarte kindjes als vissen in het water zwemmen. Ze zwommen via de gaten, waarmee de gestalte doorboord was, haar buik binnen. Maar de vrouw zuchtte en trok hen tot haar hoofd omhoog, waar zij bij haar mond naar buiten gingen, terwijl zijzelf ongeschonden bleef. En zie, dat heldere licht verscheen mij opnieuw, en daarin dezelfde mensengestalte, die geheel en al vlamde in het zacht roodgloeiend vuur. Bij ieder van hen stroopte zij de pikzwarte huid af. Die gooide zij ver langs de kant van de weg. Vervolgens kleedde zij ieder van hen met een allerstralendst wit kleed en opende zij voor hen een allerhelderst licht.

Opmerkelijk is dat de kerk haar kinderen via de mond baart, en niet via haar moederschoot. Het barensproces wordt in gang gezet als de drie-ene God wordt aangeroepen. Hildegard beschrijft de Vader als een helder licht, de mensengestalte wijst op Jezus Christus, en het rode vuur verwijst naar de Heilige Geest. Als deze drie-ene God in de doopformule wordt uitgesproken, wordt de dopeling via de mond van moeder de kerk tot verlossing wedergeboren en opgenomen in de kerk. De wedergeboorte door de kracht van de Geest van de verrezen Christus vernieuwt hen van binnenuit. Op de vierde afbeelding zien we deze twee wegen. De weg naar het oosten leidt naar het koninkrijk van God en de weg naar het noorden naar het hellevuur.

Twee wegen

Dan spreekt zij tot ieder van hen: ‘Leg de oude ongerechtigheid af en trek de nieuwe heiligheid aan. Want ontgrendeld is de deur naar jouw erfgoed. Neem dus in ogenschouw hoe je bent onderwezen, opdat jij je Vader leert kennen, tot wie jij je bekend hebt. Ik heb je opgenomen en jij hebt mij erkend. Kijk nu naar twee wegen, de ene leidt naar het oosten, de andere naar het noorden. Als je mij dus met je innerlijke ogen nauwlettend hebt aanschouwd, zoals je in het geloof is onderricht, zal ik je opnemen in mijn koninkrijk. En als je mij oprecht lief hebt, zal ik doen wat je maar wilt. Maar als je mij veracht en je van mij afwendt, zodat je achterom kijkt en mij niet wilt kennen of begrijpen, terwijl ik jou – vuil gemaakt in zonden – terugroep in een oprecht berouw en jij toch terugkeert naar de duivel alsof die je vader is, dan zal het verderf je verslinden. Want naar je werken zul je geoordeeld worden. Hoewel ik je het goede heb gegeven, heb je mij niet willen kennen.’

Literatuur

Nederlandse vertalingen van Scivias: Hildegard van Bingen, Scivias – Ken de wegen, Deel II. Vertaling en inleiding: Mieke Kock-Rademakers, Hilversum, 2015. – www.hildegardvanbingen.nl/nieuwe-vertalingen.

Tags:

Meer Geloofsverdieping & Spiritualiteit