< Terug

‘Geroepen tot verbondenheid’

Missiebrief van missionarissen in Nederland

Net als de protestantse en evangelische zending heeft ook de rooms-katholieke missie een ingrijpende verandering doorgemaakt in de laatste veertig jaar. Was missie voorheen een onderneming van Europeanen die naar Azië, Latijns-Amerika en Afrika trokken om daar het evangelie te verkondigen, tegenwoordig is er een wereldwijde uitwisseling van missionarissen tussen de continenten, waarbij Europa evenveel missionarissen ontvangt als het uitzendt. BEMIN (Beraad Missionarissen in Nederland), een groep Nederlandse en buitenlandse missionarissen die in Nederland leven en werken, heeft op Pinksteren van dit jaar een missiebrief uitgegeven, waarin de groep hun ervaringen, inzichten en overtuigingen verwoordt.

De missiebrief Geroepen tot verbondenheid verschijnt twintig jaar na een eerdere publicatie, Op zoek naar sporen van God, die nog helemaal door Nederlandse missionarissen was geschreven. Hoewel er sterke overeenkomsten zijn tussen de twee missiebrieven, legt die uit 2021 duidelijk enkele andere accenten. We vatten eerst de brief samen, om vervolgens iets te vertellen over hoe missionarissen uit andere continenten in discussie zijn met hun Nederlandse medebroeders en medezusters over wat missie in Nederland inhoudt.

Tekenen van de tijd

Christenen zijn geroepen om steeds opnieuw hun eigen tijd te verstaan, en om in woord en daad te getuigen van het evangelie op een manier die bij die tijd past. In de Rooms-Katholieke Kerk wordt dit aangeduid met de term ‘tekenen van de tijd’. De tekenen van deze tijd worden in de nieuwe missiebrief uitgewerkt in het eerste hoofdstuk. In de wereld zien we verdeeldheid tussen culturen en religies. We zien armoede en geweld, en, als gevolg daarvan, talloze mensen op de vlucht. De milieucrisis stelt ons voor een enorme opgave. Terwijl al deze problemen een gezamenlijke aanpak vragen, lijken vele volkeren vooral in zichzelf te keren. Anderzijds is het hoopvol dat veel mensen zich in protestbewegingen organiseren.

Binnen de christelijke wereld zien we dat de meeste christenen tegenwoordig in de zuidelijke continenten wonen, en dat Europa religieus en spiritueel vermoeid en gedesoriënteerd is. De reactie van veel christenen in het Noorden is een zekere verlegenheid geweest om over het geloof te praten. Ook zusters, paters en broeders zochten aansluiting bij de mensen in hun inzet voor een betere wereld, zonder dat ze anderen hun geloof wilden opleggen.

Zusters, broeders en paters

In de Rooms-Katholieke Kerk bestaat er, naast de structuur van bisdommen, een structuur van religieuze instituten en sociëteiten van apostolisch leven. Doorgaans worden deze als kloosters aangeduid.

Leden van religieuze instituten leven en werken volgens een bepaalde traditie, die voor ieder instituut een beetje anders is. Verder leggen ze de geloftes af van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid, en leven ze in gemeenschappen. Voorbeelden zijn Franciscanen en Franciscanessen, Jezuïeten, Dominicanen en Dominicanessen, Missionarissen van het Heilig Hart, Dienaressen van de Heilige Geest. Leden van zo’n instituut worden zuster of broeder genoemd. De mannen die de priesterwijding hebben ontvangen, worden aangesproken als pater; dit in tegenstelling tot de priesters die bij een bisdom horen.

Traditioneel zijn verreweg de meeste missionarissen lid van een instituut of sociëteit. Ze zijn daardoor niet aan één specifiek bisdom verbonden. Het Beraad Missionarissen in Nederland bestaat helemaal uit leden van missionaire instituten en sociëteiten.

Hoewel hier veel goeds uit is voortgekomen, kan de vraag worden gesteld of dit niet heeft bijgedragen aan het religieus analfabetisme bij jonge mensen. Christenen die vanuit andere continenten naar Nederland komen, hebben niet zo’n last van deze schroom om het geloof uit te dragen.

Deskundigen in ‘communio’

BEMIN haalt in de missiebrief veelvuldig paus Franciscus aan. Deze daagt de katholieken, en vooral ook de kloosterlingen, uit om met vreugde het evangelie te beleven en uit te dragen. Dat uitdragen houdt in dat we de wereld moeten beschouwen als ons gemeenschappelijke huis, en dat wij allemaal broeders en zusters van elkaar zijn. De wereld staat voor grote uitdagingen, alle mensen van goede wil moeten met elkaar samenwerken om ons huis leefbaar te maken voor iedereen. Er is samenwerking nodig met de wetenschap, met de kunsten, met sociale bewegingen en met andere denominaties en religies. Iedere gedoopte heeft een plaats in deze evangelisatie van de wereld.

In de klassieke discussie over missie wordt een onderscheid gemaakt tussen de directe en de indirecte verkondiging. Indirecte verkondiging is daarbij het verbeteren van de leefomstandigheden van de mensen vanuit christelijke inspiratie, directe verkondiging is het spreken over Jezus en zijn evangelie.

In de visie van paus Franciscus (en ook die van BEMIN) horen die twee onlosmakelijk bij elkaar.

Missiepaters, -zusters en -broeders zijn speciaal geroepen om gemeenschap te stichten. Ze zijn daar in hun eigen instituut al voortdurend mee bezig, en moeten hun ervaringen ook in de hele samenleving vrucht laten dragen. Die ervaringen zijn vaak niet gemakkelijk. Ook in hun eigen gemeenschappen hebben de missionarissen te maken met cultuurverschillen en met verschillen in visie op maatschappij en kerk.

Als het hun lukt om ondanks die verschillen goed met elkaar samen te leven, is dat een getuigenis voor anderen. Dan dragen ze eraan bij dat mensen die in de wereld ver van elkaar afstaan, elkaar als zusters en broeders gaan beschouwen. De mensen die het minst meetellen, moeten de plek krijgen die hun toekomt. De zorg voor de schepping en de zorg voor gerechtigheid zijn één.

Dragers van missie

Was het vroeger zo dat missie een zaak was van specialisten, tegenwoordig is elke gedoopte een missionaire leerling van Christus. In de negentiende en twintigste eeuw was er vooral sprake van beroepsmissionarissen: Europeanen die door hun religieus instituut werden uitgezonden naar een ander continent, om daar het evangelie te verkondigen en de leefomstandigheden van de mensen te verbeteren. Via deze missionarissen werden de kerkmensen in Europa betrokken bij de situatie in de missielanden. Sinds die tijd is er een belangrijke verandering opgetreden. Missie is gedemocratiseerd. Missionarissen komen niet meer alleen uit rijke landen, en ze gaan niet meer alleen naar arme delen van de wereld. Het is een kwestie van wederkerigheid geworden.

Daarmee verandert ook de verhouding tussen de kerkgemeenschappen in het Zuiden van de wereld en die in het Noorden.

Hier in Europa is de missionaire uitdaging niet gering. De kerk moet proberen op een nieuwe manier aansluiting te vinden bij wat er leeft onder de mensen, vooral ook onder jongeren. Er zijn genoeg jonge mensen die vol idealen proberen de wereld te bezielen.

De kritiek die paus Franciscus uit op de geseculariseerde en op consumptie gerichte samenleving, heeft zeker raakvlakken met de protestbewegingen die er overal ter wereld zijn.

Hier in Europa is de missionaire uitdaging niet gering

Buitenlandse missionarissen in Nederland kunnen hier een belangrijke rol spelen. Hun leven in internationale gemeenschappen is een voorbeeld van interculturaliteit. Hun missionaire werk speelt zich af in geloofsgemeenschappen van migranten, in jongerenpastoraat, in diaconale projecten en ook in Nederlandse parochies. Een wezenlijk verschil met de missie van vroeger is dat deze missionarissen geen kapitaal achter de hand hebben om grote projecten van de grond te tillen. Ze moeten het helemaal hebben van wie ze zelf zijn.

Niet alleen de buitenlandse missionarissen zijn dragers van missie. De gemeenschappen van christelijke migranten zijn dat ook. Deze gemeenschappen hebben het vaak niet gemakkelijk, omdat hun leden in de Nederlandse samenleving meestal niet tot de meest bevoorrechten horen. Toch leeft er hier een bepaald missionair bewustzijn. Ze zien zichzelf niet als gelukszoekers, maar als geluksbrengers. De Nederlandse parochies bieden soms onderdak aan migrantenparochies. Op die plaatsen vindt een interculturele dialoog plaats die uitdagend kan zijn.

Het document besluit met een optimistische visie op de toekomst. Een nieuwe generatie missionarissen zal, samen met veel geëngageerde gelovigen, missie op een nieuwe manier gestalte geven. Wereldwijd zullen mensen die door het evangelie zijn geïnspireerd een bijdrage proberen te leveren aan een wereld zoals God die bedoeld heeft. De Heilige Geest zal mensen blijven inspireren.

Wat staat er op het spel

De missiebrief Geroepen tot verbondenheid is het product van een gesprek tussen leden van religieuze instituten en missiesociëteiten die in Nederland actief zijn. Aan dit gesprek namen Nederlanders deel en medebroeders en medezusters van hen, die vanuit andere werelddelen naar Nederland zijn gekomen.

Getuigenis van intercultureel samenleven

De schrijvers van de missiebrief stellen dat de omgang van mensen uit verschillende culturen in de gemeenschappen van de religieuze instituten een getuigenis kan zijn voor de samenleving. Daarbij moeten we bedenken dat dit getuigenis niet gemakkelijk tot stand komt.

Ze zien zichzelf niet als gelukszoekers, maar als geluksbrengers

Ook binnen de religieuze gemeenschappen zijn er spanningen. Wie ooit langere tijd in één huis heeft gewoond met mensen uit drie, vier of vijf verschillende culturen, weet dat je de huiselijke vrede niet cadeau krijgt. Daar moet aan gewerkt worden. De Nederlandse leden van zo’n groep zullen snel geneigd zijn de eerste viool te gaan spelen. Zij immers weten hoe de samen-leving hier in elkaar zit, en wat er wel en niet mogelijk is.

Daar komt nog bij dat de Nederlanders over het algemeen oud zijn, wat hun een bepaald gezag oplevert bij hun medebroeders en -zusters. De buitenlandse leden van de gemeenschap verschillen niet alleen van de Nederlanders, maar ook van elkaar. Dit kan de dominantie van de Nederlanders nog versterken. Zo zijn de missionaire kloostergemeenschappen inderdaad een samenleving in het klein.

Is de arbeider zijn of haar loon waard?

Verder speelt er een probleem dat te maken heeft met het migrant-zijn. De wetgeving in Europa is nogal beperkend voor wat de missionarissen mogen doen aan betaald werk. Hoewel zij doorgaans de gelofte van armoede hebben afgelegd en sober leven, kunnen zij niet van de lucht alleen leven. Er zal geld moeten worden verdiend.

Missionaire kloostergemeenschappen zijn een samenleving in het klein

Dat geld verdienen is bovendien een erezaak: iemand die hard en goed werkt, mag daarvoor een beloning verwachten. In religieuze instituten gaat zo’n beloning naar de gemeenschap en niet naar het individu, maar voor het individu is het een kwestie van zelfrespect dat zij of hij iets inbrengt. De wetgeving maakt het moeilijk voor missionarissen om een baan te vinden.

Voor paters, die dus de priesterwijding hebben, is het nog mogelijk om pastor te worden in een parochie. Zusters hebben het veel lastiger. Bijna alle buitenlandse missiezusters in Nederland doen alleen vrijwilligerswerk.

Wie bepaalt wat missie is?

De missionarissen die naar Nederland worden gezonden, zijn vaak niet de eerste de beste. Het gaat meestal om goed opgeleide mensen, die nieuwsgierig zijn naar de Europese cultuur, en niet bang zijn om in een moeilijke situatie te werken. Diversen onder hen werken al lange tijd in ons land, sommige al dertig jaar. Het is dus geen wonder dat er weleens discussie ontstaat binnen de religieuze instituten over wat er moet gebeuren.

Wel of niet in de parochie

Een interessant discussiepunt deed zich ruim tien jaar geleden voor: wel of niet in parochies gaan werken. De Nederlandse missionarissen vonden over het algemeen van niet. De buitenlandse medebroeders moesten zich niet in traditionele kerkstructuren laten opsluiten, waar ze alleen zouden werken voor een krimpende groep trouwe kerkgangers. In plaats daarvan moesten ze de straat op, tussen vogels van allerlei pluimage, en met name in de arme wijken van de grote steden. Daar zouden ze moeten zoeken wat hun missie kon zijn.

Dit bleek voor zusters vaak een goed begaanbare weg. Zij gingen zich inzetten in allerlei sociale en diaconale projecten. De verkondiging van het evangelie gaat hier vooral via de helpende hand en een terloops gesprek. Voor de paters lag dit anders. Zij zijn opgeleid om kerkdiensten te leiden en de eucharistie te bedienen. Velen onder hen begrepen niet waarom hun Nederlandse medebroeders dat aspect van het missionaris-zijn relativeerden. Enkele onder hen besloten om met de bisschop te gaan overleggen over een functie als parochiepastor. Schoorvoetend gingen de Nederlanders daarmee akkoord.

Generatiekloof

Een ander spannend punt is de generatiekloof. Terwijl de Nederlandse leden van religieuze instituten en missiesociëteiten al lang AOW genieten, zijn de leden die naar Nederland worden uitgenodigd doorgaans rond de veertig jaar. Dat betekent dat ze in een volstrekt andere levensfase verkeren.

Een fase waarin ze dingen willen ondernemen, een verschil maken, iets nieuws opzetten. De Nederlanders doen hun best om het enthousiasme niet af te remmen. Toch lukt het lang niet altijd om hun jongere medebroeders en -zusters te volgen.

Een waagstuk

De religieuze instituten en missiesociëteiten hebben in de laatste dertig jaar een flinke ommezwaai gemaakt, door ook Europa als missiegebied te gaan beschouwen, en door leden uit alle continenten uit te zenden naar Europa. Dat is een waagstuk gebleken. Niet alleen is het lastig om te ontdekken wat missie in Europa kan inhouden; het geeft ook een nieuwe kijk op wat zij altijd in andere continenten hebben gedaan. Zullen de internationale gemeenschappen van missionarissen inderdaad een levend getuigenis zijn van de zorg voor de schepping en de broeder-en-zusterschap van alle mensen? Goddank zijn er mensen die het durven proberen.

Tom Boesten is stafmedewerker bij de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). Hij is lid van de redactie van TussenRuimte.

< Terug