< Terug

God is betrouwbaar en vergeet uw weldaden niet

Bij Hebreeën 6,13-20 (en Lucas 6,27-35)

Zondag Reminiscere (= zich herinneren, gedenken) verwijst naar het introïtusgebed van deze tweede zondag van de Veertigdagentijd, Psalm 24,6: ‘Gedenk uw barmhartigheid, Heer, en uw gunstbewijzen, want die zijn van eeuwigheid’ (NBG ’51). Deze bede sluit goed aan bij de onwrikbaar vaste betrouwbaarheid van Gods beloften en de hoop die wij daaraan kunnen ontlenen, waar het in de perikoop uit de Hebreeënbrief van vandaag over gaat.

Hebreeën 6,13-20 vormt een scharnier tussen een eerste begin met de voor deze brief zo kenmerkende ‘hogepriester-¬christologie’ (Hebreeën. 4,14-5,10) en een meer uitvoerige uiteenzetting daarvan in hoofdstuk 7. Hoofdstuk 5,11 begint met een onderrichting die de adressanten van deze ‘leerbrief’ eerst duidelijk moet maken dat ze, hoewel er over het hogepriesterschap van Christus veel te vertellen zou zijn, er eigenlijk nog niet aan toe zijn: ‘Over dit onderwerp hebben wij veel te zeggen dat moeilijk uit te leggen is, nu u zo traag van begrip bent geworden’ (5,11 – KBS ’95)

De auteur wil echter ook niet alle ‘basisonderwijs’ herhalen en vindt een tussenweg door tamelijk uitvoerig uit de doeken te doen wat hij dan niet zou gaan uiteenzetten (6,1-10), eindigend met een reflectie op de gevolgen van geloofsafval. De perikoop voor deze zondag slaat dan een brug tussen deze verwijten en deze verkapte herhaling van de geloofsbeginselen en de meer uitvoerige uiteenzetting van de hogepriester-christologie in hoofdstuk 7, zoals aangekondigd in 5,11.

Heb geloof en geduld als Abraham

In hoofdstuk 6,13-20 wordt een element uit het slot van de recapitulatie van de geloofsleer uitgewerkt op een manier die weer terugleidt naar het thema van Jezus Christus als hogepriester. Dit thema is ‘belofte’ en de aansluiting werkt als volgt. In vers 12 besluit de herhaling van de geloofsleer en de waarschuwing voor geloofsafval met: ‘U mag niet lui worden, maar u moet een voorbeeld nemen aan hen die door geloof en geduld deel krijgen aan de beloften.’ Het woord ‘belofte’ (Gr.: epangelia) geeft de schrijver aanleiding om terug te grijpen op Genesis 22,16-17. God zegt hier tegen Abraham: ‘Bij Mijzelf heb Ik gezworen, godsspraak van de HEER, omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden’ (Gen. 22,16). Dit citaat bevat weliswaar niet het trefwoord ‘belofte’, maar de auteur verbindt dat ermee op grond van het tweede deel van het Genesiscitaat dat hij in 6,14 gebruikt (zie ook 6,17): ‘Ik zal u rijkelijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken’ (Gen. 22,17).

‘Bij Mijzelf heb ik gezworen’

Ook het eerste gedeelte van het citaat (Gen. 22,16) is echter van belang voor de auteur, omdat dit hem gelegenheid biedt om de zekerheid van de beloften van God, die teruggaat op een eed die God bij zichzelf gezworen heeft, te onderstrepen. Hij doet dat in Hebreeën 6,13: ‘zwoer Hij bij zichzelf, aangezien Hij niemand boven zich had om bij te zweren’, alsook in 6,16-17: ‘Mensen zweren bij een hogere macht, en de eed is voor hen de hoogste vorm van bevestiging, die alle tegenspraak moet uitsluiten. En zo heeft God met een eed willen instaan voor zijn belofte, om de erfgenamen van de belofte nog duidelijker te tonen hoe onwrikbaar vast zijn besluit stond.’ De Genesistekst biedt dus niet alleen inhoudelijk gezien een belofte (namelijk wat er nu in Hebreeën 6,14 staat en uit Genesis 22,17 komt), maar ook een kwalificering van deze belofte als uitermate betrouwbaar. Deze betrouwbaarheid blijkt eruit dat voor Abraham deze belofte in vervulling is gegaan, wat voor de ‘erfgenamen van de belofte’ een teken kan zijn dat de beloften van God, zowel vanwege zijn eed als vanwege de vervulling van de belofte aan Abraham (namelijk in en door Christus), betrouwbaar zijn (zie de ‘twee onherroepelijke daden’, Heb. 6,18a).

Aansporing tot hoop

Het resultaat van deze reflectie op Gods beloften en de betrouwbaarheid daarvan is de bemoediging die expliciet in 6,18b volgt: ‘voor ons, die bij Hem onze toevlucht zoeken, zijn ze dan ook een krachtige aansporing om ons vast te klampen aan de hoop op wat voor ons ligt.’ Hier verschijnt een nieuw trefwoord: ‘hoop’ (Gr.: elpis). Deze hoop wordt in de laatste verzen uitgewerkt, eerst met een nautisch beeld: ‘De hoop is het veilige en vaste anker voor onze ziel’ (6,19a). ‘Ziel’ (Gr.: psuchè) verwijst hier waarschijnlijk naar de persoon als geheel, zoals ook in de Septuagint gebruikelijk is, als vertaling van het Hebreeuwse woord nèfèsj. De bijzondere verankering van deze hoop verbindt de schrijver met het Allerheiligste: ‘Zij reikt tot achter het voorhangsel in het heiligdom’ (6,19b). Dat vormt voor hem de aanleiding om vervolgens nader in te gaan op degene die deze verankering achter het gordijn in de tempel veroorzaakt heeft, Jezus Christus de hogepriester: ‘waarin Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan, nu Hij voor eeuwig hogepriester is geworden op de wijze van Melchisedek’ (6,20).

Deze manier van denken biedt een aantal mogelijke aanknopingspunten voor verkondiging. Zo mag bijvoorbeeld de gedachte dat God zelf voor Zijn beloften garant staat metafysische speculatie lijken, deze zet tegelijkertijd ook het spreken in Gods naam op scherp. Dat soort spreken claimt vrijwel altijd in God zelf gefundeerd te zijn, en zet daarmee de geloofwaardigheid van God op het spel wanneer in Zijn naam gedane uitspraken of beloften onwaar blijken te zijn. Je kunt ook – ondanks alle zekerheid die uit de redeneringen van deze perikoop omtrent beloftes, de betrouwbaarheid daarvan en hun vervulling spreekt – inzetten bij het begrip ‘hoop’. Dat zou kunnen uitnodigen tot een theologisch spreken dat niet alleen terughoudend en realistisch, maar tegelijkertijd ook vol verwachting is.

Bij Hebreeën 6:13-20 (en Lucas 6:27-38)

< Terug