< Terug

God komt!

3e zondag van Advent (Jesaja 35:1-10 en Matteüs 11:2-11)

Alles komt tot bloei en vreugde als God eindelijk tussenkomt voor het volk dat bevrijding nodig heeft. Deze profetische overtuiging leeft onder het volk dat lijdt onder de Romeinse bezetter. Zij zien uit naar de Messias, de door God gezalfde die tot bevrijding geroepen is. Erkent men dan in Jezus die bevrijder?

Het profetische visioen van Jesaja 35 inspireert tot vreugdevol gezang: de steppe zal bloeien! Beeldrijk geeft de auteur aan hoe doodsheid plaatsmaakt voor leven. Als weerspiegeling van Gods glorie zal het dorre land overvloedig bloeien en welt er water op in de woestijn. Het visioen versterkt wie met knikkende knieën en trillende handen door het leven gaat. Ook wie ‘gehaast van hart’ is (Hebr.: nimharej-lebh, van mahar = haasten – Jesaja 35:4) krijgt de bemoediging dat God komende is. Ogen en oren gaan open, wie verlamd was springt op en stommen dragen bij tot het gejubel om God. Er ontstaat een weg waarlangs het volk in vrede en vrijheid kan terugkeren uit de ballingschap.

Johannes als ‘gehaaste van hart’

De verwachting dat God zal ingrijpen, op komst is, zijn Messias zal sturen, is sterk aanwezig ten tijde van Jezus. Matteüs kadert heel Johannes’ optreden vanuit die verwachting. Johannes bereidt Gods weg voor door op te roepen tot inkeer en de nabijheid van Gods Rijk te verkondigen (Jesaja 40:3; Matteüs 3:2-3). Jezus erkent hem nu in deze rol als wegbereider en als Elia die aan Gods komst voorafgaat (Matteüs 11:10.14). Johannes kondigde ook iemand aan die méér is dan hijzelf, die niet met water, maar met Geest en vuur zal dopen (Matteüs 3:11). Als Jezus komt om zich te laten dopen, herkent en erkent Johannes Hem. Niet hij zou Jezus, maar Jezus zou hem moeten dopen. We zouden Johannes in Jesaja’s beeldtaal een ‘gehaaste van hart’ kunnen noemen. Maar eerst moet Gods gerechtigheid vervuld worden (Matteüs 3:15). Johannes’ vraag vanuit de gevangenis is niet zozeer de houding van een twijfelende (is Hij het nu of is Hij het nu niet), maar dringt opnieuw aan om kleur te bekennen (Matteüs 11:3).

Visioenen vervuld

Johannes stuurt zijn leerlingen als hij gehoord heeft ‘van de daden van de Messias’ (Matteüs 11:2). Jezus’ optreden wordt herkend als dat van iemand met een goddelijke roeping. Aan Johannes’ leerlingen geeft Jezus de opdracht om te getuigen van wat rond Jezus aan het gebeuren is. Het zijn beelden die profetische visioenen oproepen waarmee het goddelijke optreden bevestigd wordt: de blinden en doven die zien en horen (Jesaja 29:18; 35:5), de verlamde die in beweging komt en de stomme die spreekt (Jesaja 35:5-6), de doden die worden opgewekt (Ezechiël 37:11-14). Ook het beeld van de mens met huidziektes die gereinigd wordt, draagt hiertoe bij. Waar zo iemand als onrein wordt beschouwd (Leviticus 13) en dus ook afgezonderd wordt uit het volk, kan deze nu weer volop deelnemen aan het gemeenschapsleven. Maar het beeld gaat, met Jesaja 35 op de achtergrond, nog verder: enkel wie rein is, gaat over Gods weg de bevrijding tegemoet (Jesaja 35:8). Dat aan de armen het goede nieuws verkondigd wordt, bevestigt dat hier Gods Messias aan het werk is. Het verkondigen van goed nieuws aan de armen is immers de taak van Gods gezalfde: Jesaja 61:1 gebruikt hier de identieke terminologie als Matteüs 11:5.

Jezus als mogelijke struikelsteen

Van al deze gebeurtenissen die zij ‘horen en zien’ (Matteüs 11:4) moeten de leerlingen aan Johannes verkondigen, waardoor zij deel kunnen gaan uitmaken van mensen die tot zien en luisteren zijn gebracht. Maar het kan ook anders. Jezus’ boodschap sluit af met een verrassende zaligspreking: ‘Gelukkig wie niet struikelt/geen aanstoot neemt (Gr.: skandalisthèi)!’ (Matteüs 11:6). Het beeld is dat van een strik die in de weg wordt gelegd, of een uitstekende steen waarover mensen kunnen struikelen, of (symbolisch) tot zonde kunnen komen. Het Griekse en emoi kan hierbij uiteenlopend geïnterpreteerd worden. Meestal ziet men met het voorzetsel de oorzaak van het struikelen aangegeven (aanstoot neemt ‘aan Mij’, struikelt ‘door Mij’). Wie Matteüs in het Grieks leest, heeft hierbij nog Matteüs 5:29-30 in het achterhoofd. Wat doet struikelen (Gr.: skandalidzei, ‘aanstoot geeft’, NBV: ‘op de verkeerde weg brengt’) moet radicaal afgesneden worden. Als men in Jezus het aanstootgevende ziet, riskeert men precies datgene af te snijden wat bevrijding brengt, terwijl juist wie mee met Jezus wegen van bevrijding gaat, niet struikelt. Een andere vertaalmogelijkheid is het ‘in Mij’ van de Naardense Bijbel: wie in Jezus is, struikelt niet. Hoe dan ook is er de mogelijkheid dat de toehoorder ten val komt door de houding die men tegenover Jezus aanneemt, en de gelukwens geldt hun die hierdoor niet ten val komen.

Erkenning van Johannes

Johannes’ vraag roept op wie Jezus nu is en wat zijn optreden betekent. Als Johannes’ leerlingen terugkeren, vraagt Jezus naar wie Johannes nu juist is en wat diens optreden betekent (Matteüs 11:7-10). Waar gingen zijn toehoorders naar kijken, wat hebben ze gezien toen Johannes optrad? De formulering lijkt op een getalspreuk uit de wijsheidsliteratuur, waarbij eerst verschillende mogelijkheden worden opgesomd en verworpen om dan het uiteindelijke juiste antwoord te geven. Een profeet, dat is waar ze naartoe trokken, en niet zomaar een profeet: de grootste, de weergekeerde Elia die Gods komst inluidt.

Zoals later christenen over Jezus zeggen dat Jezus’ kruisdood niet de uiteindelijke mislukking was, laat Matteüs Jezus hier duidelijk aangeven dat Johannes’ ogenschijnlijke tenondergang niet het laatste woord krijgt. Johannes’ optreden bouwt mee aan het Rijk Gods, dat nu met geweld onder druk staat.

Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.

< Terug