< Terug

Godin de poëzie van Ida Gerhardt

Poëzie én religie raken aan levensvragen. In het werk van de dichteres Ida Gerhardt laat zich dat ontroerend lezen. Van doop en avondmaal naar de opgestane Christus.

Introductie

Soms lijken poëzie en religie nog maar weinig met elkaar te maken te hebben. De secularisatie raakt ook de poëzie. Als het echter waar is dat goede poëzie vroeg of laat altijd levensvragen raakt en religie dat uiteraard ook doet, dan zullen ze elkaar ook wel weer ontmoeten. Misschien moeten de traditionele religieuze begrippen dan eerst wel ‘vertaald’ worden in een andere taal dan de gebruikelijke. Met dat ‘vertaalwerk’ begon de dichteres Ida Gerhardt (1905-1997) al.

Ze was vrijzinnig opgevoed, maar haar gedichten laten zien dat ze zich met name in de verwerking van haar complexe relatie met haar psychiatrische moeder de betekenis van een aantal centrale, christelijke symbolen, zoals die van doop en avondmaal, steeds nadrukkelijker ging realiseren.

Het levend monogram

In het eerste deel (In memoriam matris) van Het levend monogram uit 1955 komt die relatie onverbloemd ter sprake. Ze spreekt in het eerste gedicht (‘Aan allen’) van de ‘gruwelen van mijn kinderjaren’ waaraan ze ‘dit donkere boek’ wijdt. In het tweede gedicht, ‘De gestorvene’, spreekt ze over zij, die mij naar het leven stond / in al mijn levensdagen. In ‘Kinderherinnering’, dat lijkt te verhalen van een suïcidale impuls, waarin de moeder de dochter mee de rivier in wil trekken, bereiken haar traumatische jeugdherinneringen ongetwijfeld een climax.

‘Pasen’

De relatie met haar moeder kwam in 1990 ook in een gesprek tijdens een autorit met Hans Werkman ter sprake naar aanleiding van het gedicht ‘Pasen’:

Een diep verdriet dat ons is aangedaan / kan soms, na bittere tranen, onverwacht / gelenigd zijn. Ik kwam langs Zalk gegaan,/ op Paasmorgen, zéér vroeg nog op den dag./ Waar onderdijks een stukje moestuin lag / met boerse rijtjes primula verfraaid,/ zag ik, zondags getooid, een kindje staan./ Het wees en wees en keek me stralend aan./ De maartse regen had het ’s nachts gedaan:/ daar stond zijn doopnaam, in sterkers gezaaid.

Het ‘je had er niet moeten zijn’ kan overgaan in het ‘je mag er toch zijn’…

Over dit gedicht ontspon zich naar het getuigenis van Werkman de volgende dialoog:

‘Hoe stelt u zich dat kind voor?’ ‘Dat kind, dat ben ikzelf. (…) Dat was míjn naam daar in de sterkers. Mijn moeder had gezegd: Je had er niet moeten zijn.’ ‘Wát zei je moeder?’ Ze herhaalt het zinnetje, ze snauwt het bijna: ‘Je had er níet móeten zíjhíjn.’ Dan ziet dat kind zijn naam, dus die mag er tóch zijn…

Met die ‘zéér vroege’ paasmorgen, waarin naar vroegchristelijke traditie de nieuwe gelovigen gedoopt werden en hun doopnaam ontvingen, verbindt zij nu ook haar eigen doop(naam). Daaraan ontleent ze letterlijk opstandingskracht. De zijnsontkenning die haar moeder haar voorhield, kan ze met Pasen omzetten in zijnsbevestiging. Daardoor kan het ‘je had er niet moeten zijn’ overgaan in het ‘je mag er toch zijn’.

Gelijkenis

Ze realiseert zich tegelijkertijd ook hoezeer ze op haar moeder lijkt:

Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen,/ gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant. (…)// Ik heb uw gang: die driftige en toch trage / voetstap, die onverzettelijke trant. (…)// Machtig zijn wij, in liefde en in haat./ Gij hebt u dóódgehaat, hatend het meest / uzelve, om de liefde die gij schond.// Ik ben genezen van het bitter kwaad./ En eer in stugheid, wie gij zijt geweest:/ van mijn talent de donkere moedergrond. (‘Sonnet voor mijn moeder’)

In ‘De gestorvene’ zegt ze dan ook: En nu haar lichaam moet vergaan,/ nu is zij in mij opgestaan.// Ik kan haar niet verslaan.

De solidariteit met haar moeder wordt in geen van deze gedichten definitief opgezegd. In zoverre is Het levend monogram ook een poging tot verzoening met haar moeder. Ze bleef er op latere leeftijd ook van dromen ooit de moeder te mogen ontmoeten die haar als gewenst kind met blijdschap zou begroeten:

de eindelijke, de moeder mijn,/ lieflijk van ogen en van mond./ Hoe zacht en ernstig zag mij aan / wier kind, wier blijdschap ik mocht zijn,/ nieuw en van donkerte ontdaan. (‘In nevelen’)

Het gedicht ‘Pasen’ kan model staan voor de wijze waarop Gerhardt in toenemende mate met behulp van christelijke symbolen haar eigen transformatie verwoordt. Op het moment dat de ik-figuur haar (doop)naam in sterkers uitgezaaid ziet, weet ze dat ze er mag zijn, ondanks haar moeders betuiging van het tegendeel. Zo is het met recht een opstandingsgedicht.

‘De disgenoten’

In haar eigen geestelijk rijpingsproces spelen de sacramenten van doop en avondmaal een opvallend grote rol. Waar het gedicht ‘Pasen’ typisch een doopgedicht is, is het gedicht ‘De Disgenoten’ typisch een avondmaalsgedicht.

Het gedicht staat dan ook niet voor niets afgedrukt in het Nieuwe Liedboek (p. 758). Het gedicht heeft meerdere lagen. Het getuigt van de verbondenheid tussen twee mensen en de verbondenheid met God. De setting is die van een avondbroodmaaltijd. Het is stil. Er wordt gebeden:

Het simpele gerei,/ het brood, dat is gesneden,/ de stilte, de gebeden −/ Want de avond is nabij.// Uit tranen en uit pijn/ dit samenzijn verkregen:/ bij sober brood de zegen / twee in úw naam te zijn.// Waar aan de witte dis/ uw teken wordt beleden/ verschijnt Gij −: ‘u zij vrede.’/ gij Brood − gij Wijn − gij Vis.

De maartse regen had het ’s nachts gedaan: daar stond zijn doopnaam, in sterkers gezaaid

De regel ‘Want de avond is nabij’ roept een hele wereld aan associaties op: We kunnen er een verwijzing in lezen naar Jezus’ avondlijke avondmaalsviering met de Emmaüsgangers (‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Luc. 24:29). We kunnen er iets in beluisteren van het bekende avondlied uit de oude Hervormde Gezangbundel uit 1938 ‘Blijf bij mij, Heer, want d’ avond is gedaald’ (Gez. 282). In dat gezang wordt ook van tranen en leed gesproken. En we kunnen er ook een verwijzing in zien naar het bekende avondgebed uit de Lutherse traditie dat begint met de regels:

Heer, blijf bij ons,/ want het is avond en de nacht zal komen./ Blijf bij ons en bij uw ganse kerk/ aan de avond van de dag,/ aan de avond van het leven,/ aan de avond van de wereld./ Blijf bij ons met Uw genade en goedheid,/ met Uw troost en zegen,/ met Uw Woord en Sacrament.

Het tweede kwatrijn verstaat tegen de achtergrond van haar verdrietige jeugd het huidig samenzijn met haar levensgezellin als een weldadige zegen. De laatste regel vormt de overgang naar het avondmaal en herinnert aan het bekende woord van Jezus (Mat. 18:20): ‘Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden.’

De kern van haar dichterschap

De ervaring van de disgenoten blijkt in Het levend monogram een van de centrale ervaringen te zijn, die aan Gerhardts dichterschap ten grondslag ligt. Zowel als mens alsook als dichter heeft ze ervaren dat leven en dichten een sterven en opstaan met Christus zijn en dat de deelname aan die beweging haar (ziele) rust geeft. Dichten wordt voor haar een metafoor voor het werkelijke leven, dat bestaat uit loslaten en ontvangen. Je bent niet je lot, schijnt ze zich gaandeweg steeds scherper te realiseren. Je valt er niet mee samen. Ze durft af te dalen in de eigen duistere diepten om er gelouterd weer uit op te klimmen. ‘Moed komt uit een afgrond vandaan’ (‘Biografisch II’) kan ze dan ook schrijven.

Als dichter beseft zij op ontvankelijkheid te zijn aangewezen. Het proces van loslaten dat deze open houding veronderstelt, blijkt de onontbeerlijke voorwaarde te zijn voor het ontvangen van dichterlijke inspiratie. De vooronderstelling van haar dichterlijk werk maakt ze nu ook tot vooronderstelling van haar eigen levensinstelling. Het levend monogram kan dan gelezen worden als een proces van loutering, transformatie en volwassenwording. Natuurlijk is het ook haar afrekening met een donker verleden.

Maar primair is het toch vooral een indicatie van een genezingsproces, dat zich in het teken van Het levend monogram (de Ichthusvis) heeft voltrokken.

Als mens én als dichter heeft ze ervaren dat leven en dichten een sterven met Christus zijn

Haar geloof in de Jezusfiguur staat voor levensvernieuwing, die zich voltrekt in de identificatie met zijn sterven en opstaan, gesymboliseerd in het sacrament van doop (‘Pasen’) en avondmaal (‘De disgenoten’). Vervolgens heeft die levensvernieuwing ook gevolgen voor het alledaagse leven. Hoezeer ze zichzelf daartoe door haar verdrietige jeugd ook misvormd voelde, in haar gedichten blijft ze een pleidooi voeren voor een leefwijze waarin liefdevolle erkenning de boventoon voert.

Ida is opgestaan

Gerhardts poëzie maakt in eerste instantie niet direct een vernieuwende indruk. Haar woordgebruik doet soms wat archaïsch aan en haar beelden zijn vaak traditioneel-religieus. Dat maakte haar in de jaren vijftig en zestig niet populair. Te midden van het werk van de ‘Vijftigers’ (Lucebert, Campert, Elburg, Andreus, Rodenko, Vinkenoog en Hanlo) waren haar gedichten een vreemde eend in de bijt en in de ogen van velen ook te religieus geladen. Pas toen eind jaren zeventig de bloeitijd van de ‘Vijftigers’ voorbij was, groeide de aandacht en de waardering voor haar werk.

Vanwaar ineens die aandacht? Wellicht stipt Willem Jan Otten een belangrijk punt aan wanneer hij schrijft: ‘Ik ben ervan overtuigd dat het ’t kind Gerhardt is dat, gered, en geëerbiedigd en als door een leeuw verdedigd, de dichter Gerhardt zo geliefd heeft gemaakt.’ Gerhardts werk staat voor opstandingskracht, kernachtig verwoord in de zinsnede: ‘Moed komt uit een afgrond vandaan.’ Het is duidelijk dat ze haar eigen opstandingskracht ontleent aan de Christusfiguur, maar veel lezers schijnen hun opstandingskracht op hun beurt weer aan Gerhardt te ontlenen. Mij zou het niet verbazen indien ze dat geheel in overeenstemming met de intentie van haar werk zou zien.

Het gedicht ‘Nalatenschap’ lijkt daar al op te zinspelen:

Dappere morgenhaan,/ gij bode van het licht,/ haan van een Hollands erf:/ zeg mij het dagwerk aan./ En ben ik heengegaan,/ meld dan, hoog opgericht,/ met roep en vleugelslaan / aangaande mijn versterf:/ dat het is opgestaan.

Bij haar worden mensenlevens doorzichtig tot op de (opgestane) Christusfiguur.

Martien Brinkman is emeritus-hoogleraar Theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

< Terug