< Terug

Gods Geest die je overkomt

Zondag van Pinksteren (Joël 3:1-5, Psalmen 104:25-35, Handelingen 2:1-11 en Johannes 20:19-23)

In onze tijd, waarin het zo veel gaat over eigen ervaringen en belevingen in de manier van geloven, zetten de lezingen voor vandaag ons op een totaal ander been. Daarom is het boeiend voor deze zondag je te laten gezeggen door de Schrift en dan ook door alle voorgeschreven lezingen. Juist door de herhalingen in de verschillende Schriftgedeelten en de andere context waarin ze staan, blijken die lezingen één ding gemeenschappelijk te hebben: in alle drie de lezingen gaat het over de Geest die je overkomt.

De verschillende Schriftgedeelten geven ook verschillende beelden van de Geest. In Johannes 20:19-23, waar Pasen en Pinksteren op één dag vallen, blaast Jezus de Geest op de leerlingen. In Handelingen 2:1-11 waait de ruach en zet het vuur zich op hen; hier brandt de Geest en klinkt ze als de wind. In Joël wordt Gods Geest uitgegoten zoals bloed wordt vergoten (Hebr.: sjafakh), want daarvóór is immers gesproken over de regen die weer nieuwe oogst zal brengen; hier stroomt de Geest.

Ontvangende houding

In Psalmen 104:27-30 wordt ons daarvoor een ontvangende houding aangeleerd:

Aller ogen wachten op u, Here,
en gij geeft hun hunne spijze
te zijner tijd.
Gij opent uw milde hand
en verzadigt alles wat er leeft 
naar uw welbehagen. [1]

Want God zelf zendt immers de Geest uit en alles wordt geschapen (Psalmen 104:30). Het zijn in alle lezingen allemaal verschillende werkwoorden die verbeelden wat de Geest doet, maar ze hebben allemaal gemeenschappelijk dat het over Geest, wind en adem (Hebr.: ruach) gaat. De Geest vloeit, stroomt, brandt en waait en gaat volgens de psalm duidelijk van God uit. In alle lezingen wordt duidelijk dat de Geest niet bij onszelf vandaan komt. Ze overkomt je.

De gemeente

Maar dat overkomen heeft wel als context de verzamelde gemeente. Dat is de plaats waar het gebeurt. Misschien leren de lezingen ons dat het daarom ook nodig is als gemeente bij elkaar te komen en de Schrift te horen om iets van de Geest te kunnen merken. We kennen uit de Schrift ook de enkeling die door de Geest geïnspireerd wordt, zoals Saul en de profeten. Maar de lezingen van deze zondag wijzen op de gemeente. De gemeente van klein naar groot, zoals het bij Johannes begint bij de leerlingen achter gesloten deuren, terwijl bij Handelingen alle volken wereldwijd het van die leerlingen horen. Maar ook van groot naar klein, zoals bij Joël, waar ‘al wat leeft’ de Geest krijgt en de hele misjpoche (grootfamilie) – zonen, dochters, dienstknechten en dienstmaagden – vertelt van de grote daden van de Eeuwige. En daar is tot slot Sion en Jeruzalem het toevluchtsoord waar alles samenkomt: van wereldwijd naar de stad van God.

Op die eerste dag

In Johannes begint het met de leerlingen die op die ‘eerste dag’ (20:19) bij elkaar zitten. Ik denk dat in het noemen van de eerste dag, zoals het ook al eerder in Johannes (19:41; 20:15) over een ‘tuin’ ging, de hele schepping meeklinkt. En dan zijn we weer terug bij Psalmen 104, waar de hele schepping vertelt over de grootheid van de Eeuwige. In Handelingen 2:1-11 treedt deze kleine groep leerlingen naar buiten en zit niet meer achter gesloten deuren, zoals bij Johannes. Het verdient aanbeveling om door te lezen in Handelingen 2, want volgens Lucas heeft Petrus door dat hier gebeurt wat Joël beschrijft en herhaalt hij letterlijk wat er in Joël staat (Handelingen 2:17-21). En dan blijken grenzen weg te vallen, zoals in Joël beschreven, de Geest wordt uitgestort op al wat leeft, en je ziet dat hier het omgekeerde gebeurt: vanuit de stad van God klinkt, waait en stroomt de Geest wereldwijd.

Herkenbaar in heel de schepping

In Psalmen 104 wordt duidelijk dat Gods Geest niet alleen herkenbaar is in ‘aangeblazen’ leerlingen, mensen die geloven, maar in heel de schepping. Ook Joël begint met de uitspraak van de Levende dat Gods Geest wordt uitgestort op al wat leeft. Gods Geest is te herkennen waar leven opbloeit. Het is de Geest die leven geeft. Gods Geest is daarom te vinden overal waar mensen uit zijn op het behoud van het leven en het behoud van de schepping. Dat geeft een nieuwe kijk op het gemeente-zijn.

Marijke Koijck-de Bruijne dicht het zo:

Onzichtbaar zoals adem is
woont Gods Geest in ons midden,
als levenskracht die bouwt en bruist
en zichtbaar maakt wat in ons huist 
aan leven, liefde, zingen.
De Geest van God is overal 
waar mensen Haar herkennen,
Zij ziet ons door de ogen aan 
van hen die helpend naast ons staan,
Zij gaat door heel de schepping. [2]

De Geest heb je niet zelf, ze overkomt je. Psalmen 104 leert hoe je je daarvoor openstelt. Petrus leert ons net als Joël dat je daarvoor de naam van de Eeuwige moet aanroepen. De gemeente, de eredienst is noodzakelijk. Psalmen 104 en de tekst die voorafgaat aan Joël wijzen ons er ook nog eens op dat Pinksteren een oogstfeest is en dat heel de schepping erbij betrokken is (zie ook Exodus 34:22 en Deuteronomium 16:10-16).

Deze exegese is opgesteld door Doddy van Leeuwen-Assink.


Noten

[1] Aller Augen warten auf dich, Herre, LB 145a (in vertaling), Zoetermeer 2013.

[2] Hilten, W. van, M. Koijck-de Bruijne e.a. (red.), Eva’s lied, Kampen 1984, lied nr. 28

< Terug