< Terug

Hamans val

Alternatief bij Ester 7:1-8:2

De koning had een onrustige nacht en Hamans wereld keert zich compleet om. Tussen de twee drinkfestijnen in gebeurt een heleboel. Haman dacht dat hij alles in het leven had bereikt wat hij wilde: enorme rijkdom, tien zonen,[1] de op handen zijnde erkenning door de koning en respect dat hij zich, zij het met harde hand, wist te verschaffen. Maar nu komt Haman thuis van een nachtmerrie.

Het respect en de eer die hij zelf hoopte te ontvangen, moet hij uitgerekend betonen aan degene die hij vernietigd wilde zien. Zijn vrouw Zeres en vrienden die eerder voorstelden om een galg voor Mordechai op te zetten (Ester 5:14), veranderen van houding en worden niet meer zijn vrienden, maar chakhamim, wijzen, genoemd. Zij laten hem doodleuk weten dat hij niet zal standhouden tegen Mordechai, als die afstamt van de jehoedim die Haman zo haat. Hij zal vallen (6:13).

Esthers strategie slaagt

Haman kan niet bekomen van de vernedering of hij wordt al voor het tweede drinkfestijn gehaald (6:14). Anders dan bij het eerste in hoofdstuk 5, waar vier hele verzen aan zijn vreugde over de uitnodiging gewijd zijn. Esters strategie om beide mannen samen uit te nodigen gaat weer op. Na de openbaring van Ester wordt Haman ‘plotseling door schrik overvallen’ (Hebr.: ba‘at, nif. – 7:6b). Hij realiseert zich dat hij geen kant meer uit kan. Hij zou tegelijkertijd moeten beweren dat het volk van Ester gevaarlijk (tegenover de koning) en onschuldig (tegenover de koningin) is. Hoe kan een volk dat gevaarlijk voor de machtspositie van de koning genoemd wordt, tegelijkertijd gerespecteerd en met rust gelaten worden? Haman zou zichzelf het hoogverraad in praten. Daarom wordt hij door schrik overvallen en zwijgt. Vóórdat Ester in haar rede Haman noemt, bereidt zij de felle reactie van de koning al voor: zij noemt zichzelf eerst (7:3) en krijgt daardoor de volle aandacht van Ahasveros, die natuurlijk niet wil dat de vrouw die hij begeert iets aangedaan wordt. Zij verzwakt daarmee de positie van Haman. De koning staat laaiend kwaad op, zoals hij laaiend kwaad was op Wasti (1:12; 2:1), wat haar aftreden betekende. Deze keer gaat hij weg, weg van de wijn naar de tuin. Nog is de val niet definitief, ook al vindt Haman van wel (7:7). Haman komt in actie. Hij ziet in vrouwelijke vergevingsgezindheid de enige redding voor de dodelijke toorn van de heerser en smeekt (Hebr.: baqasj, pi.),[2] de koningin om zijn leven. En dan valt hij, letterlijk. Hij valt op de ligbank waarop Ester ligt en – o ironie – bezegelt daarmee zijn definitieve val, want de koning ziet het, nadat hij gekalmeerd uit de tuin terugkomt (7:8). De koningin wordt nota bene in zijn eigen huis overvallen. Uit, voorbij. Een hoveling realiseert het zich en verhult Hamans hoofd zoals dat bij ter dood veroordeelden gebeurt. Vervolgens geeft de koning inderdaad het bevel om hem aan zijn eigen galg op te hangen.

Mordechai onderkoning

Hamans chakhamim en mevrouw Zeres hadden niet en wel gelijk. Volgen we de gebeurtenissen, dan heeft Haman zijn definitieve val niet aan zichzelf te danken. Maar hij valt, letterlijk. En Mordechais opkomst neemt in hoofdstuk acht een steile vlucht. Hij presenteert zichzelf, hij ‘komt’ (Hebr.: ba’) bij de koning zonder geroepen te zijn (vgl. 4:11), zonder negatieve consequenties. Integendeel: de koning maakt hem tot onderkoning door hem de zegelring die hij van Haman teruggehaald heeft te overhandigen (8:2).

Ester ‘koningin’

Deze keer is Ester geïnvolveerd in het feest, dat – anders dan de vorige keer (5:5) – ‘met’ (Hebr.: ‘im) Ester wordt gevierd (7:1). We zien hier weer een verschuiving in haar positie: zij bevindt zich, zo lijkt het door het woordje ‘im, op ooghoogte met de twee mannen. Dat wordt bevestigd doordat de koning, evenals de verteller, haar voor het eerst ‘koningin’ noemt (7:1-2). In Ester 7:1-7 duikt het woord ‘koningin’ wel zes keer op. Voor de koning is Ester niet alleen meer een begerenswaardige vrouw, maar ook een te respecteren persoon geworden. De grote onthulling, belijdenis, spreekt zij als koningin uit (7:3). Haman in zijn angst ziet ‘koning en koningin’ voor zich staan (7:6). Maar even later, als Ester de naam van Haman gaat openbaren, spreekt zij weer als ‘Ester’ (7:6). Zij blijft zich tegenover de koning tactisch opstellen (7:4b). Als zij nog een keer het woord aan de koning richt, komt zelfs de gouden scepter weer tevoorschijn (8:3-4, zie 5:2). Ester weet heel goed dat zij deze man niet op gelijke voet tegemoet moet treden.

Later verschuift haar positie nog verder: Ahasveros bespreekt met haar de politieke gebeurtenissen en vraagt haar advies (9:12). Maar Ester spreekt ook hier niet als koningin tegen hem (9:13). Zij ondertekent met al de haar gegeven autoriteit brieven van levensbelang, zij weet wat gedaan moet worden (9:29), maar tegenover Ahasveros gedraagt zij zich devoot, ondanks dat hij haar verder ‘koningin’ blijft noemen. Jammer dat aan het einde van het verhaal Mordechai in de ‘annalen’ staat en Ester uit het verhaal geschreven is.

Deze exegese is opgesteld door Kristin Ritsert.

Noten

[1]Vgl. Ester 9:10. Gods limiet bij de redding van Sodom lag bij tien rechtvaardigen, en een minjan moet tien mensen tellen, omdat alleen vanaf tien mensen een maatschappelijke verandering mogelijk is. Het tiental (zonen) duidt er dus op dat Haman de wereld had kunnen veranderen, in zijn geval ten kwade.

[2]De Vilna Gaon (18e eeuw, Litouwen) legt uit dat ‘smeken’ (Hebr.: baqasj), zoals de koning drie keer doet om Ester te vragen wat er aan de hand is (5:3; 5:6; 7:2), betekent dat je voor iemand anders iets afsmeekt, terwijl ‘vragen’ (Hebr.: sja’al), dat de koning twee keer gebruikt, betekent dat je voor jezelf iets vraagt. Haman gebruikt hier het sterkere bakasj om voor zichzelf iets te vragen.

< Terug