< Terug

Heilig brood en heilige wapens

Alternatief bij tweede zondag van de herfst (1 Samuël 21:2-10)

In de voorgaande hoofdstukken, waarin de liefde van Sauls kinderen Michal (18:20-29; 19:11-17) en Jonatan (19:1-7; 20:1-43) voor David de groeiende haat van hun vader omlijst, was er al sprake van dat David moet vluchten. Zijn eerste gang is naar Samuël (19:18-24).

Saul achtervolgt hem om hem te doden, maar raakt zozeer in de ban van de profetie dat de omstanders zich afvragen: ‘Is Saul ook onder de profeten?’ Deze zelfde verbaasde uitroep klonk toen Saul in 1 Samuel 9-10(,11-12) op zoek was naar ezelinnen en het koningschap vond. Het antwoord bleef daar uit en moet nu in het licht van Davids vlucht negatief, ontkennend luiden. Het ‘helaas’ van de tragische ontwikkeling van het koningschap van Saul staat misschien wel voor het héle koningschap is Israël: het volk eist een koning om zoals alle andere volkeren te zijn, maar zet met die eis zijn roeping om volk van JHWH te zijn op het spel. De vraag is of er een alternatief voor Saul is. Kan David gestalte geven aan het waarachtige koningschap van de Messias?

David wijkt uit

Na zijn vlucht naar de profeet komt David bij Achimelech (‘Mijn-broer-koning’) in Nob. Dat stadje wordt behalve in dit verhaal alleen nog in Jesaja 10:32 en Nehemia 11:32 genoemd en lokaliseert men drie kilometer ten noorden van Jeruzalem. Davids vlucht zal de rest van het boek 1 Samuel vullen. Pas na de dood van Saul kan David in het boek 2 Samuel naar Juda terugkeren om zijn koningschap waar te maken, eerst in Hebron en uiteindelijk in Jeruzalem. Maar eerst wijkt hij nu uit, net zoals zijn verre nazaat Jezus, tot Tyrus en Sidon, vér buiten de grenzen van Kanaän ‘uitwijkt’ (Gr.: anachooreoo – Matteüs 4:12; 12:15; 14:13; 15:21), totdat de tijd rijp is voor zijn beslissende gang naar Jeruzalem (Matteüs 16:21). Zo zal ook David tot vér buiten het gebied van Juda vluchten, totdat hij in dienst van de Filistijnen zelfs tegen Israël dreigt te moeten vechten. Dan is ook het punt bereikt voor zijn omkeer. In de tussentijd ontwikkelt het koningschap van Saul zich op tragische wijze tot voorbeeld van hoe het messiaanse koningschap niet bedoeld is.

Een list

Davids ontmoeting met Achimelech heeft op het eerste gehoor iets van een schelmenroman. David speelt handig in op het ontzag dat Achimelech voor hem heeft en komt zo met een list aan brood en een zwaard. De list bestaat erin dat David zegt op een geheime missie van de koning te zijn. Die missie is zó geheim en had zoveel haast, dat hij zelfs niets heeft kunnen meenemen (21:2.8). David noemt hierbij geen naam, en dat maakt zijn uitspraak dubbelzinnig, want wie is er koning in Israël? Vervolgens zegt David dat zijn jongens op ‘de één of andere plek’ zijn, een uitdrukking die alleen nog in 2 Koningen 6:8 en Ruth 4:1 wordt gebruikt. Hoewel dat strikt genomen waar is, omdat de jongens zich nog helemaal niet bij David hebben aangesloten en zich dus ‘op de één of andere plaats’ bevinden, denkt Achimelech ongetwijfeld dat ze voor een samenzwering op een geheime plaats hebben afgesproken (zoals de Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt en de Vertaling NBG 1951 het omschrijft).

Een gewone of een heilige tocht?

Met de broden die David vraagt en de toonbroden die Achimelech kan aanbieden, wordt de eigenlijke vraag gesteld: is David met zijn jongens op een heilige tocht, dus namens JHWH, of op een gewone tocht? Het woord voor ‘gewoon’ (Hebr.: chol) dat hier gebruikt wordt, komt behalve hier alleen nog voor in Leviticus 10:40 en vier keer in Ezechiël. In Leviticus gaat het om het onderscheid tussen ‘gewijd’ of ‘heilig’ en ‘gewoon’ en het parallelle woordpaar ‘onrein’ en ‘rein’ (ook in deze volgorde) waarmee Aäron het volk in de wet van Mozes moet onderwijzen. Dezelfde woordparen komen in Ezechiël 22:26 en 44:23 voor, waar het de priesters wordt verweten dat ze de wet van Mozes niet onderwijzen. Hoe antwoordt David op de vraag of zijn tocht in overeenstemming met de wet van Mozes, en dus heilig of rein is? Achimelechs simpele vraag of de jongens zich van de omgang met vrouwen hebben onthouden en dus rein zijn, geeft David opnieuw de gelegenheid om – mede dankzij de ingewikkelde zinsconstructie – antwoord te geven met een diepere waarheid dan Achimelech kan vermoeden. ‘Ja,’ zegt David, ‘als ik gewoonlijk met mijn mannen ten strijde trek, zijn de wapens van de jongens geheiligd. Maar zelfs nu dit een “gewone” tocht is, wordt die geheiligd door de wapens’ (21:5). De heiligheid van de tocht die David aflegt, lijkt dus af te hangen van de wapens.

Met de geheiligde broden is Davids honger voor het moment gestild en kan hij verder. Maar met welke wapens was David op weg? Zijn die geheiligd? Hij had toch niets kunnen meenemen? Hij vraagt naar een speer of een zwaard. Beide woorden hebben al vaker in combinatie met elkaar geklonken. In 1 Samuël 13:19-22 wordt al vermeld dat niemand in Israël speer of zwaard heeft, behalve Saul en Jonatan. Hoe Saul die speer gebruikt, hebben we inmiddels ook te horen gekregen: hij staat er niet alleen David (18:10-11; 19:9-10), maar zelfs zijn zoon Jonatan (20:33) mee naar het leven. De vijand in de gestalte van Goliat beschikt over die wapens (17:45.47). En laat nu uitgerekend dit zwaard zich bij Achimelech bevinden! Zo kan David zijn tocht met dit wapen voortzetten. En voortdurend zal het de vraag zijn of hij Goliats wapen zal gebruiken of dat hij zich zal houden aan het credo waarmee hij de reus versloeg: ‘Jij komt tot mij met zwaard, speer en werpspies, maar ik kom tot jou met de naam van JHWH der heirscharen!’ (1 Samuël 17:45).

Deze exegese is opgesteld door Dick Schoon.

< Terug