< Terug

Herders, schapen en een Lam

Vierde van Pasen (Numeri 27:12-23, Openbaring 7:9-17 en Johannes 10:22-30)

Het is een overbekend bijbels beeld, de herder en zijn schapen. Deze zondag komt het in de drie lezingen op heel verschillende wijze steeds terug, als beeld van de relatie tussen God en mensen.


In de Numerilezing vraagt Mozes om een leider voor het volk, zodat zij niet als schapen zonder herder dwalen (Numeri 27:17). De nieuwe leider moet dus een herder zijn. En daarmee refereert hij aan Jesaja 40:11 en Ezechiël 34. Bij Mozes worden de herder en de schapen, als het volk Israël, aan elkaar verbonden. De wereld buiten het volk is hier niet in beeld. Maar door de manier waarop Jezus de metafoor van de herder en schapen toepast in Johannes 10, ontstaat er juist een duidelijke scheiding tussen de schapen die wel naar de stem van Jezus luisteren en eeuwig leven hebben, en de anderen. Die ‘anderen’ zijn degenen die op dat moment de vraag stellen aan Jezus. De epistellezing van deze zondag is de derde plek waar het beeld van de herder en schapen naar voren komt. Verwijzend naar Psalmen 23, waar de herder de psalmist als een schaap leidt, is het in Openbaring 7:17 het Lam dat de mensen als een herder naar het water leidt. Het Lam en de herder zijn één geworden, of moet je zeggen: de herder is een Lam geworden, en daarmee nog meer onderdeel van de kudde schapen dan Hij ooit was.

Van schaap naar herder

In Numeri is er juist een omgekeerde beweging: vanuit het volk, de kudde schapen, moet een nieuwe herder opstaan. Mozes zal vanwege zijn eigen fouten, waarvoor God hem persoonlijk verantwoordelijk houdt, het Beloofde Land niet binnengaan. Hij mag wel sterven met het perspectief van de vervulling van de belofte voor ogen. Omdat Mozes het volk niet verder zal kunnen leiden, vraagt hij God op een ongebruikelijke, zeer directe manier, om iemand ‘aan te stellen over’ (Hebr.: paqad plus ‘al – Numeri 27:16) het volk. Hij stelt dus de zorg voor de gemeenschap vóór de zorg om zijn eigen lot. De instructies die de Heer geeft, bieden Mozes geen keuze, zo wordt duidelijk doordat het begint met een bevel: ‘Laat (…) bij je komen’ (Hebr.: qach-lekha – Numeri 27:18). In Deuteronomium 31:7-8 wordt deze machtswisseling ook beschreven, maar korter. Het opvallendste verschil is de rol van de priester Eleazar. Vermoedelijk is zijn rol in het Numeriverhaal het resultaat van de wens van de aäronitische priesters om in de Perzische tijd, toen dit boek op schrift werd gesteld, meer invloed te krijgen (zie bijvoorbeeld Nehemia 13:4-9.28). Door Jozua ondergeschikt te maken aan de priester Eleazar ontstaat een vorm van bewind waar uiteindelijk de priester het voor het zeggen heeft. Jozua wordt dus een herder onder priesterlijk gezag.

Wie is de mol?

De mensen rondom Jezus heen blijven Hem in Johannes 10 benaderen met de vraag wie Hij is en wat zijn rol precies is. Het doet denken aan het populaire tv-spel ‘Wie is de mol?’. Net als in dit programma proberen de mensen om Jezus heen door hun vragen de ware identiteit van Jezus te achterhalen. En tegelijk missen ze de aanwijzingen die Jezus geeft. Niet eens verborgen, maar zeer expliciet: in zijn handelen en in zijn spreken blijkt wie Hij is. Johannes 10 is begonnen met een uitleg waarin Jezus zichzelf als deur voor de schapen en de herder karakteriseert. Je zou zeggen dat het niet duidelijker kan. Maar nóg vragen de mensen of Jezus de Messias is (Johannes 10:24). Dat terwijl in de joodse traditie het gemeengoed was dat de Messias het zelf niet zou weten dat Hij de Messias was, en dit pas achteraf aan Hemzelf en aan de mensen om Hem heen zou blijken. Daar willen deze omstanders niet op wachten en dus vragen ze Jezus of Hij de Messias is. Jezus beantwoordt die vraag niet expliciet, en toch ook wel: Jezus vertelt dat de mensen in Hem de Vader kunnen zien. Hij is als het ware het spiegelbeeld. En wie anders dan de Messias kan het spiegelbeeld van God de Heer zijn? ‘Ik en de Vader zijn één,’ zegt Hij (Johannes 10:30). Daarmee zegt Hij niet dat ze één en hetzelfde zijn, want er is immers maar één God: dat is de Heer. Maar wel zegt Jezus dat de verbinding tussen Hem en God zo is, dat wanneer je de één ziet, je de ander in beeld hebt. Daarmee geeft Hij het antwoord op de vraag van de omstanders. Zeer tot ontevredenheid blijkbaar, want ze willen Hem hierna stenigen (Johannes 10:31).

Van herder tot Lam

Hoe anders is het in Openbaring. Hier gaat het juist vanuit een situatie van verdrukking naar één van redding. In hoofdstuk 6 is de schepping langzaam ongedaan gemaakt. In Openbaring 7 komt daarom de vraag wie tegen zo veel duisternis en chaos bestand is. Dat zijn de 144.000, en zij niet alleen. Er is een ontelbare menigte, waarbij de schrijver zeker zal hebben gedacht aan de belofte aan Abraham in Genesis 15:5. Deze menigte wordt in een prachtige lofprijzing beschreven. Woorden van licht, nadat de hoofdstukken ervoor zo veel dreiging en duisternis bevatten. Het staat vol met verwijzingen naar oudtestamentische beelden en teksten, als Psalmen 23 en Psalmen 121:6 en Jesaja 49:8-10. Het messiaanse visioen wordt gerealiseerd en mondt uit in de realisatie van de profetie uit Jesaja 25:8: de dood wordt tenietgedaan en tranen worden gedroogd. De herder, die één met de schapen werd, leidt als een Lam. In het Lam wordt de ware identiteit van Jezus zichtbaar. De vraag uit Johannes 10 is daarmee beantwoord.

Deze exegese is opgesteld door Marieke den Braber.

< Terug