< Terug

Het afscheidsmaal

Johannes 13-17

In het Johannesevangelie neemt Jezus op de laatste avond voor zijn dood uitvoerig afscheid van zijn leerlingen. Symposium en testament zijn daarbij tot een afscheidsmaal gecombineerd. Jezus drukt de leerlingen op het hart elkaar lief te hebben en troost hen met de belofte van een andere pleitbezorger in zijn plaats. Het is een plechtig samenzijn in de schaduw van de dood, maar ook vol van het leven dat na Jezus’ vertrek doorgaat.

In het Johannesevangelie treedt Jezus gewoonlijk in het openbaar op. Johannes 13-17 vormt daarop een opvallende uitzondering. Deze passage speelt zich geheel in besloten kring af. Jezus en zijn leerlingen delen samen in een aparte ruimte een avondmaaltijd. Vijf hoofdstukken lang staat de tijd praktisch stil. Aan het begin van de maaltijd weet Jezus ‘dat zijn tijd gekomen is’ (13:1) en aan het eind begint hij het afsluitende gebed met de woorden: ‘Vader, nu is de tijd gekomen’ (17:1). De handeling is ondertussen opgeschort; er is volop gelegenheid voor gesprek.

De opbouw van Johannes 13-17 doet denken aan twee bekende literaire patronen. Het symposium is een gangbare formule. Het gaat daarbij om een maaltijd waarbij een aantal vrienden of bekenden uitvoerige gesprekken met elkaar voeren. Een andere geijkte vorm is die van het afscheid of testament. In dat geval neemt een gezaghebbend persoon vlak voor zijn dood afscheid van zijn familie, vrienden of leerlingen. Bij die gelegenheid geeft hij uitvoerige aanwijzingen voor zijn opvolging en aansporingen met betrekking tot het voortzetten van zijn gedachtegoed. Johannes 13-17 vertoont trekken van beide patronen. Daarom lijkt ‘het afscheidsmaal’ een passende benaming voor deze passage. De maaltijd vindt plaats een dag voor Pesach, op de laatste avond voor Jezus’ dood. Tijdens de maaltijd richt Jezus uitvoerig het woord tot zijn leerlingen om hen voor te bereiden op zijn vertrek en op de tijd na zijn heengaan.

Het is niet gemakkelijk een overzicht van deze hoofdstukken te geven. De tekst vertoont wel samenhang, maar de gedachtegang verloopt niet in duidelijk afgebakende en logisch op elkaar aansluitende segmenten. Er wordt veel herhaald. Er zijn dan ook talloze voorstellen gedaan om deze hoofdstukken te ordenen. De nu volgende indeling is daar één van.

De voetwassing (13:1-30)

Tijdens de maaltijd begint Jezus de voeten van zijn leerlingen te wassen (vv. 3-5). De nadruk ligt hierbij op de radicale omkering van de gangbare waardenschaal. Jezus, ‘die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven’, legt zijn bovenkleed af en vernedert zichzelf tot de laagste slavendienst (vgl. Fil. 2:6-11). Het gesprek met Simon Petrus onthult een eerste interpretatie van Jezus’ actie (vv. 6-10). Jezus zegt tegen Petrus wanneer die zich verzet: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen.’ Dit houdt in dat Petrus de omkering van waarden die de voetwassing betekent en die Jezus door uit liefde zijn leven te geven voor zijn vrienden waarmaakt, zal moeten aanvaarden. Hij alleen maar bij Jezus horen als hij diens dienst tot de dood aanneemt als grondslag en maatstaf voor zijn eigen leven.

In het gesprek dat Jezus na de voetwassing met al zijn leerlingen voert, geeft hij nog een andere interpretatie van zijn uitdagende gedrag: het is een voorbeeld dat de leerlingen moeten navolgen (vv. 11-17). De omkering van waarden die Jezus heeft gedemonstreerd, moeten nu ook zijn leerlingen in praktijk brengen door dienstbaar te zijn aan elkaar.

De onthulling van Jezus’ dienstbaarheid tot de dood vindt plaats terwijl de feitelijke doodsdreiging toeneemt. Deze dreiging begeleidt als een donkere schaduw Jezus’ samenzijn met zijn leerlingen. De duivel heeft Judas aangezet om Jezus te verraden (v. 2). Jezus beseft dit heel goed (v. 11). Na de voetwassing brengt hij deze dreiging bij zijn leerlingen ter sprake (vv. 18-30). Eerst citeert hij de Schrift: ‘Hij die at van mijn brood heeft zich tegen mij gekeerd’ (Ps. 41:10). Daarna doet hij dit zelf in vervulling gaan door Judas een stuk brood te geven: ‘Op dat moment nam de duivel bezit van Judas.’ Jezus zelf activeert hiermee het verraad en ontketent de macht die uit is op zijn dood. ‘Judas nam het brood aan en ging meteen weg. Het was nacht.’ Daarmee is het lot van Jezus bezegeld.

Afscheidsrede (13:31-14:31)

In de volgende passage stellen meerdere leerlingen Jezus een vraag, maar hun inbreng is gering. Jezus is voortdurend aan het woord en houdt een soort toespraak. Deze passage vertoont de standaardvorm van een redevoering. Ze omvat de volgende onderdelen.

Inleiding (13:31-35)

Jezus wijst er eerst op dat zijn rede plaatsvindt op een beslissend tijdstip: nu is het moment aangebroken dat God hem in zijn grootheid zal laten delen (vv. 31-32).

Vervolgens spreekt hij zijn leerlingen aan en begint hij duidelijk aan een afscheidsrede: ‘Kinderen, ik blijf nog maar een korte tijd bij jullie’ (v. 33). Daarna vermeldt hij de twee thema’s die hij in zijn rede gaat behandelen: ‘Waar ik heen ga, daar kunnen jullie niet komen’, en: ‘Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief’ (vv. 33-35).

Eerste deel (13:36-14:14)

In het eerste deel van Jezus’ redevoering wordt de uitspraak ‘Waar ik heen ga, daar kunnen jullie niet komen’ uitgewerkt. Het heengaan van Jezus wordt heel ruimtelijk opgevat: ‘Ik ga ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul je mij volgen’, zegt Jezus tegen Petrus (13:36). Hij gaat bij de Vader een plaats gereedmaken voor de leerlingen en komt dan terug om hen met zich mee te nemen (14:1-3). Jezus is zelf de weg naar de Vader, die ze trouwens nu al in hem kunnen zien (14:4-12).

Tweede deel (14:15-24)

Het tweede deel van de redevoering sluit aan bij de uitspraak ‘Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief.’ ‘Als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden’, luidt het begin van dit onderdeel (v. 15). En aan het eind wordt dit nog eens herhaald: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg’ (v. 23). In dit deel belooft Jezus ook dat hij de Vader om een andere pleitbezorger zal vragen, die in zijn afwezigheid zijn functie overnemen: de Geest van de waarheid, zodat zijn leerlingen niet verweesd achterblijven (vv. 16-18).

Conclusie (14:25-31)

De rede sluit af met een conclusie waarin kort een aantal thema’s worden vermeld die eerder besproken zijn. Daarnaast bevat deze conclusie een aantal thema’s die passen bij een afscheid, zoals: Jezus zegt dit alles terwijl hij nog bij hen is (v. 25); hij laat zijn vrede na (v. 27); hij vertelt aan de leerlingen wat zal gaan gebeuren (v. 29); hij niet lang meer met hen spreken (v. 30). Sinds Judas de zaal verlaten heeft ‘is de heerser van deze wereld al onderweg’. Jezus’ heengaan staat nu voor de deur. Met de oproep ‘Kom, laten we hier weggaan’, is duidelijk het einde van deze afscheidsrede bereikt.

Vier thema’s (15:1-16:33)

Na Jezus’ oproep om weg te gaan laat het feitelijke vertrek nog enige tijd op zich wachten. Er volgt een lange monoloog van Jezus, waarin vier uitspraken die hij eerder heeft gedaan weer worden opgepakt. Het gaat om het gebod om elkaar lief te hebben (13:34 en 15:12); de uitspraak: een slaaf is niet meer dan zijn meester (13:16 en 15:20); de belofte van de pleitbezorger, de Geest van de waarheid (14:16-17, 26 en 16:13) en de uitspraak over de korte tijd (14:19 en 16:16). Deze uitspraken worden verder toegelicht, maar ook van heel nieuwe aspecten voorzien. Dit leidt tot vier passages die elk hun eigen thema hebben. Ze bestaan elk uit twee delen. Het eerste deel is algemeen van aard, het tweede heeft meer direct betrekking op de leerlingen.

Eerste thema: de onderlinge liefde (15:1-17)

Het eerste deel van deze passage bestaat uit de gelijkenis van de wijnstok en de ranken (vv. 1-10). De nadruk ligt op de aansporing om veel vrucht te dragen. Het tweede deel gaat van begin tot eind over het gebod elkaar lief te hebben. De opening luidt: ‘Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad’ (v. 12), en de conclusie is: ‘Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief’ (v. 17). De twee opdrachten uit beide delen hangen samen: de opdracht om veel vrucht te dragen betekent concreet dat de leerlingen elkaar moeten liefhebben.

Tweede thema: de haat van de wereld (15:18-16:4a)

Het eerste deel van deze passage geeft een verklaring waarom de wereld zowel Jezus als zijn leerlingen haat: ze worden als niet eigen afgewezen (15:18-27). Daarbij delen de leerlingen hetzelfde lot als Jezus: ‘Denk aan wat ik gezegd heb: een slaaf is niet meer dan zijn meester. Ze hebben mij vervolgd, dus zullen ze ook jullie vervolgen’ (15:20). In het tweede deel voorzegt Jezus waar de haat voor de leerlingen concreet toe zal leiden: ‘Jullie zullen uit de synagoge gezet worden, en er komt zelfs een tijd dat iedereen die jullie doodt, meent daarmee God te dienen’ (16:2).

Derde thema: de pleitbezorger (16:4b-15)

Deze passage gaat over de belofte van een andere pleitbezorger. Diens komst heeft twee kanten. Het eerste deel laat zien dat de Geest een negatief oordeel zal vellen over de wereld, ‘dat de heerser over deze wereld is veroordeeld’ (v. 11). Het tweede deel belooft de leerlingen dat de Geest hun bekend zal maken wat ze nu nog niet kunnen verdragen: ‘De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid’ (v. 13).

Vierde thema: klare taal (16:16-33)

In het eerste deel van deze passage spreekt Jezus in beelden en doen de leerlingen vergeefse moeite om zijn raadselachtige taal te begrijpen (vv. 16-24). In het tweede deel kondigt Jezus aan dat er een eind zal komen aan het moeizame vragen van zijn leerlingen: ‘Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertel’ (v. 25). De leerlingen menen ten onrechte dat die tijd nu al gekomen is. De communicatie tussen Jezus en zijn leerlingen is nog steeds vol misverstand (vv. 29-32).

De bespreking van de vier thema’s wordt besloten met een laatste bemoediging van Jezus aan het adres van zijn leerlingen: ‘Ik heb dit gezegd opdat jullie vrede vinden bij mij. Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: ik heb de wereld overwonnen’ (v. 33).

Gebed van Jezus (17:1-26)

Jezus besluit het afscheidsmaal met een uitvoerig gebed. Hij memoreert daarin dat hij zijn werk heeft volbracht (vv. 1-5). Nu hij vertrekt, vertrouwt hij de zorg voor zijn leerlingen (vv. 6-19) en ook voor alle latere gelovigen (vv. 20-23) aan zijn Vader toe. Dit alles gebeurt in hooggestemde bewoordingen. De positie van Jezus zelf is opmerkelijk. Hij richt de volgende bede tot de Vader: ‘Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat u mij opgedragen hebt. Vader, verhef mij tot uw majesteit, tot de grootheid die ik bij u had voordat de wereld bestond’ (v. 5). Deze wens lijkt al tijdens het gebed in vervulling te gaan. Jezus is al op weg naar de Vader: ‘Ik ben al niet meer in de wereld, ik ga naar u toe’ (v. 11, vergelijk v. 13). De majesteit van God lijkt al tijdens het gebed zijn deel te worden.

Ook de leerlingen worden in dit gebed in zekere zin boven zichzelf uitgetild. ‘Ze hebben uw woord bewaard, en nu begrijpen ze dat alles wat u mij hebt gegeven, van u komt’ (vv. 6-7). Onbegrip en misverstanden zijn blijkbaar verleden tijd (v. 8). Voor hen bidt Jezus dat de Vader hen mag bewaren ‘zodat ze 66n zijn zoals wij 66n zijn (v. 11) en ook dat hij hen wil ‘beschermen tegen de duivel’ (v. 15).

Voor de mensen die door de verkondiging van de leerlingen in hem gaan geloven bidt Jezus eveneens, en met veel klem, om eenheid. Drie keer klinkt hier de term 66n, in wat een dringende smeekbede lijkt: ‘Laat hen allen 66n zijn, Vader (…) 66n zijn zoals wij (…) Dan zullen zij volkomen 66n zijn’ (vv. 21-23).

De volle waarheid

Tijdens het afscheidsmaal onthult Jezus met helderziende blik zijn aanstaande vertrek en de toekomst van zijn leerlingen na zijn heengaan. Hij weet welke dood hem wacht, maar hij staat daar in zekere zin boven. Hij heeft zijn taak volbracht en keert nu terug naar de Vader die hem gezonden heeft en naar de grootheid die hij had voordat de wereld bestond. Het nu volgende lijdensverhaal wordt in dit licht verteld. Zijn leerlingen blijven achter in de wereld, maar horen niet bij de wereld. Jezus bepaalt de status van de hechte gemeenschap van ingewijden die zij, blijvend met hem verbonden, moeten gaan vormen. Voor de leerlingen zelf is dit voorlopig te hoog gegrepen. Ze tasten in het duister tot de Geest van de waarheid komt om hun de weg naar de volle waarheid te wijzen. Het evangelie geeft de lezers de mogelijkheid om te worden opgenomen in de kring van ingewijden en deel te krijgen aan die volle waarheid.

< Terug