< Terug

Het belang van gastvrijheid

Brief 2 en 3 van johannes

Gastvrijheid was een belangrijk concept in de antieke wereld en zeker ook voor de vroege christenen. Hotelketens bestonden nog niet en reizigers waren voor onderdak vaak afhankelijk van de bereidheid van anderen om hen welkom te heten. Veel meer dan vandaag de dag bestond er daarom de verwachting dat men bekenden en ‘bekenden van bekenden’ zonder meer in huis zou nemen. In zowel 2 als 3 Johannes lijkt er echter sprake van dat dit niet gebeurde. Wat was hier precies gaande? En wat waren de implicaties voor de betrokkenen?

Teken van gastvrijheid. Servies romeinse tijd. Musée national de Luxembourg.
Het weigeren van gastvrijheid was daarom in principe not done.

Jan van der Watt is emeritus hoogleraar Bronteksten van het christendom aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

In de oudheid waren er brieven in alle soorten en maten, maar een van de meest voorkomende genres was de ‘aanbevelingsbrief’. Paulus heeft het bijvoorbeeld over zo’n soort brief in 2 Korintiërs (3,1). Een aanbevelingsbrief werd vaak meegegeven aan een reiziger die deze brief kon laten zien bij aankomst in een stad waar hij of zij persoonlijk niet bekend was, maar waar degene die de brief geschreven had wel een contact had. Op die manier werd de potentiële gastgever op de hoogte gesteld van de betrouwbaarheid van de reiziger, zodat deze hem of haar onderdak zou bieden. Gastvrijheid verlenen aan een onbekende bleef natuurlijk altijd een risico, maar zonder gastvrijheid was reizen in de antieke wereld zo goed als onmogelijk. Een reiziger onderdak weigeren stelde de persoon in kwestie aan allerlei gevaren en tekorten bloot. Het weigeren van gastvrijheid was daarom in principe not done: dit was sociaal zeer onwenselijk gedrag. Des te opvallender dat in 2 en 3 Johannes wel sprake lijkt te zijn van het weigeren van gastvrijheid.

2 Johannes

Deze brief is geschreven door ‘de Oudste’ die zich richt tot ‘de uitverkoren vrouw en haar kinderen’ (2 Johannes 1). Wie er precies achter deze beschrijvingen schuilgaan is niet helemaal zeker, maar in ieder geval lijkt de uitverkoren vrouw de leider van een huisgemeente te zijn. Het eerste deel van de brief is niet erg controversieel en heeft behoorlijk wat overlap met 1 Johannes waarin ook het belang van elkaar liefhebben (2 Johannes 4-6) en de leer over Jezus’ menswording (2 Johannes 7) worden benadrukt. Wel heel controversieel is de opdracht in 2 Johannes 10 om bepaalde mensen ‘niet te ontvangen in uw huis’. Dit lijkt op gespannen voet te staan met het belang van liefde, zorg en gastvrijheid in andere teksten op naam van Johannes. Sommige wetenschappers verwerpen dit vers dan ook als ‘onchristelijk’. Anderen stellen dat de opdracht mensen te weigeren alleen in deze specifieke situatie van toepassing was en dus geen inspiratie kan vormen voor christenen vandaag de dag. Of men benadrukt dat het niet gaat om het uitsluiten van alle mensen met wie men het oneens is (zoals bijvoorbeeld Joden en heidenen), maar alleen om het weigeren van mensen die bekend stonden als christelijke dwaalleraren of ‘ketters’. Overigens is men het ook niet altijd eens over wat voor soort gastvrijheid er bedoeld wordt. Gaat het om het welkom heten in een privéwoning of in de christelijke gemeenschap? In de praktijk sloot het een het ander niet uit. De gemeentes kwamen in huizen samen en daarnaast is het zo dat als een reiziger in een samenkomst van de gemeente kwam spreken na afloop van die bijeenkomst waarschijnlijk een verblijfplaats nodig had.

Draait het om gastvrijheid?

Een fundamentelere vraag die we moeten stellen is of het wel inderdaad primair om gastvrijheid gaat in 2 Johannes 10. Het is in dat verband interessant te kijken naar een tweede-eeuwse tekst bekend onder de titel Inscriptiones Graecae II 1368 (gedateerd omstreeks 178 na Christus) waarin we de notulen vinden van een bijeenkomst van de gemeenschap van aanhangers van de god Bacchus in Attica, alsmede een kopie van hun herziene statuten. Er bestaat geen direct verband met 2 Johannes, maar er zijn wel een aantal interessante punten in de statuten met betrekking tot de manier waarop met de leden werd omgegaan.

Een paar opvallende gegevens:

a. het lidmaatschap van de groep werd door de gemeenschap bepaald door te stemmen;

b. als een lid geen contributie betaalde, werd hem de toegang tot de samenkomst geweigerd;

c. orde was belangrijk (zelfs onder de aanhangers van Bacchus, god van de wijn!): leden moesten zich netjes gedragen;

d. zij die verantwoordelijk waren voor wanorde (verbaal of fysiek geweld, etc.) werden beboet of uit de gemeenschap uitgesloten voor een bepaalde periode. Het is duidelijk dat hier mensen buiten de groep konden worden gehouden om het welzijn van de gemeenschap te waarborgen. En er lag daarbij veel nadruk op het belang van orde: met name zij die de orde in de groep verstoren moeten het ontgelden.

In diverse vroegchristelijke teksten vinden we soortgelijke instructies. Zo gaat het in Matteüs 18,15-17 over het uitsluiten van een persoon die zich niet gedraagt op een manier die bij de groep past. Ook Paulus adviseert een dergelijke maatregel wanneer hij in 1 Korintiërs 5,4-5 zegt dat iemand moet worden overgedragen aan Satan (zie ook Titus 3,10, Didache 11,1-2 en Ignatius, Smyrn. 4,1; 7,1; 9,1). Het was klaarblijkelijk gebruikelijk en helemaal niet zo vreemd in de vroegchristelijke context om mensen die het welzijn van de groep in gevaar brachten buiten te sluiten.

Ook in 2 Johannes 10 gaat het daar vermoedelijk primair om: de groep moet beschermd worden. Uit de context blijkt duidelijk dat het onderwijs (vers 10) en het gedrag of de activiteiten (11) van de bezoekers negatief worden beoordeeld en dat interactie met hen het religieuze en sociale welzijn van de groep in gevaar zou brengen (5-6). Het lijkt erop dat in 2 Johannes niet gastvrijheid in de privésfeer wordt verboden, maar dat de auteur wil voorkomen dat deze mensen welkom worden geheten in de gemeenschap, hetgeen hun allerlei gelegenheden zou geven om hun misleidende ideeën te propageren. Het gaat hier dus niet om gastvrijheid an sich, maar om het beschermen van de activiteiten en identiteit van de groep. Mensen waarvan men reeds wist dat zij een negatieve invloed zouden hebben hoefden niet welkom te worden geheten. Het is duidelijk dat 2 Johannes hiermee bestaande conventies volgt.

Deze interpretatie vindt ondersteuning in de opdracht in het laatste stuk van vers 10 om zulke mensen ook niet te groeten. Vanzelfsprekend moet men in dat geval de persoon in kwestie en zijn of haar ideeën reeds kennen. Het gastvrij welkom heten van mensen van wie reeds bekend was dat zij er misleidende ideeën op nahielden, zou een verkeerd signaal afgeven. Door hun ondersteuning te weigeren werd ook het verspreiden van hun ideeën bemoeilijkt. Het gaat er dus om het welzijn van de gemeenschap en de integriteit van de christelijke leer te verdedigen en 2 Johannes 10 moet niet begrepen worden als een oproep tot onbeleefd gedrag. Ook is het niet zo dat mensen die vragen of twijfels hebben, niet te woord moeten worden gestaan. Die mensen echter van wie men weet dat ze de gemeenschap in gevaar zullen brengen, moeten buiten worden gehouden. Op dit punt volgt 2 Johannes een lijn die algemeen geaccepteerd werd, niet alleen in het vroege christendom, maar ook in de wereld daarbuiten, zoals bijvoorbeeld onder de aanhangers van Bacchus.

3 Johannes

Interessant genoeg vinden we in 3 Johannes een welhaast tegenovergestelde situatie. In 2 Johannes zagen we dat ‘de Oudste’ opriep om in bepaalde gevallen mensen niet welkom te heten. In 3 Johannes echter bekritiseert ‘de Oudste’ een zekere Diotrefes die ‘weigert de broeders te ontvangen’ (3 Johannes 9-10). Deze persoon heeft dus gedaan waartoe in 2 Johannes 10 werd opgeroepen, maar ‘de Oudste’ is hierover nu in woede ontstoken. Wat is hier precies aan de hand? Het is duidelijk dat ‘de Oudste’ in 3 Johannes gastvrijheid als dusdanig geenszins afkeurt. In tegendeel, hij prijst Gajus juist omdat hij gastvrij is geweest:

Geliefde broeder, uw trouw blijkt uit alles wat u voor de broeders doet, zelfs al kent u hen niet. Ten overstaan van de gemeente hebben zij van uw liefde getuigd. Wees zo goed hen voor de verdere reis uit te rusten op een wijze die God waardig is. Ze zijn immers omwille van de Naam op reis gegaan en hebben van de ongelovigen niets aangenomen. Daarom horen wij zulke mensen gastvrij te ontvangen en zo mee te werken aan de verkondiging van de waarheid.

(3 JOHANNES 5-8)

Gajus heeft precies gedaan aan de zijnen. wat er door de Oudste verwacht werd. Hij heeft mensen die broeders zijn gastvrij ontvangen, ook wanneer hij ze niet persoonlijk kende (5). In dat geval waren ze vermoedelijk voorzien van een aanbevelingsbrief van de Oudste. De Oudste doet ook een beroep op Gajus deze mensen ‘uit te rusten’ voor de verdere reis. Ook dat was gebruikelijk. Als men met lege handen op pad werd gestuurd dan werd de reis een hele zware, zo niet onmogelijke beproeving.

In tegenstelling tot Gajus is Diotrefes, de tegenstander van de Oudste, niet gastvrij geweest:

Ik heb hierover al aan de gemeente geschreven, maar Diotrefes, die daar de dienst wil uitmaken, trekt zich niets van ons aan (of: ‘ontvangt ons niet’). Als ik kom, zal ik zijn gedrag ter sprake brengen. Die man verspreidt laster over ons, en daar laat hij het niet bij: hij weigert de broeders te ontvangen, en houdt degenen tegen die dat wel willen en verjaagt hen uit de gemeente.

(3 JOHANNES 9-10)

Iemand gastvrijheid weigeren was, zoals we eerder al zagen, een ingrijpend besluit. Wat bracht Diotrefes hiertoe? Waarom nam hij deze radicale stap?

Diotrefes begon ‘laster’ over de Oudste ‘te verspreiden’ en gastvrijheid te weigeren

Mogelijke verklaringen

Exegeten hebben verschillende scenario’s voorgesteld om de vijandigheid van Diotrefes te verklaren. Het zou kunnen gaan om een persoonlijk conflict. In dat geval zijn de Oudste en Diotrefes verwikkeld in een soort van machtsstrijd die niet draait om een verschil van (theologisch) inzicht, maar om wie de bovenliggende partij is. In deze fase van de geschiedenis waren er waarschijnlijk nog geen formele gezagsstructuren in de christelijke gemeentes en gaat het er dus niet om wie bijvoorbeeld bisschop zou mogen worden, maar het was natuurlijk wel van belang wie de dienst uitmaakte.

Gemeenschappen kwamen in huizen samen en de eigenaar van een groot huis dat ruimte bood aan de hele gemeenschap was in de regel een invloedrijk en vermogend persoon. Ervan uitgaande dat Diotrefes tot deze categorie behoorde, vond hij het wellicht belangrijk dat hij zelf beslissingen kon nemen over wie er wel en niet in zijn huis werden toegelaten en dat hij niet aan het lijntje van de Oudste hoefde te lopen. Hij begon daarom ‘laster’ over de Oudste ‘te verspreiden’ (10) en gastvrijheid te weigeren aan hem en gelijkgezinden.

Een andere optie is dat het niet zozeer een persoonlijk, maar meer een ecclesiologisch conflict betrof, dat wil zeggen: een conflict tussen verschillende kerken of kerkstructuren. In dit geval moet Diotrefes niet gezien worden als de eigenaar van een specifiek huis, maar als de religieuze leider van een netwerk van huisgemeenten. Ten faveure van deze interpretatie spreekt de frase in vers 10, waar gewag wordt gemaakt van Diotrefes’ pogingen te beletten dat anderen die ‘de broeders’ wel willen verwelkomen dat daadwerkelijk doen. Dit suggereert dat Diotrefes ook op andere plekken dan alleen in zijn eigen huis(gemeente) zijn gezag kan laten gelden. In dat geval zou het dan ook niet gaan om Diotrefes’ recht zelf te beslissen wie hij in zijn eigen huis toelaat, maar om een strijd waarbij de (religieuze) medewerkers van de Oudste systematisch worden buitengesloten. Er is in dit scenario ook sprake van een soort machtsstrijd, maar deze is niet puur persoonlijk van aard: het gaat om het leiderschap over de verschillende gemeenten. In deze situatie lijkt het er dus wel op dat Diotrefes als een soort van bisschop functioneert of zou willen functioneren. Het is in dit verband ook wel geopperd dat er een strijd tussen organisatiestructuren aan dit conflict ten grondslag ligt. Diotrefes wil dat de macht in een bepaald gebied bij een lokale leider ligt (bij hemzelf in dit geval), terwijl de Oudste meent dat een veel groter gebied middels rondreizende missionarissen moet worden bestuurd.

We kunnen ons hierbij ook de vraag stellen wie er aan de winnende hand was in dit conflict. Het is mogelijk dat de Oudste het onderspit dreigde te delven en dat hij daarom deze brief schreef om met vriendelijke woorden zich van de steun van Gajus te verzekeren. Daarnaast is ook wel gesuggereerd dat het Diotrefes was die de traditionele, orthodoxe positie vertegenwoordigde en dat het de Oudste was die met nieuwe, innovatieve ideeën kwam. In dat geval zou er geen tegenspraak zijn tussen 2 Johannes 10 (geen gastvrijheid voor valse leraren) en het gedrag van Diotrefes die de verspreiding van ‘valse’ ideeën voorkwam door gastvrijheid te weigeren. Alhoewel dit een interessante mogelijkheid is, lijkt hiervoor zowel qua intern als extern bewijs geen steun te zijn.

Ten slotte is er ook de mogelijkheid dat het in deze brief om een dogmatisch conflict draait, dat wil zeggen: een strijd over de juiste christelijke leer. In dat geval wordt Diotrefes gezien als iemand die ketterijen verkondigde en daarom moet worden bestreden. Het probleem is nu dat we in 3 Johannes verder niets vernemen over wat deze ketterijen dan zouden hebben ingehouden. Sommige exegeten hebben daarom naar de andere brieven van Johannes gekeken om op basis daarvan de contouren van het (veronderstelde) leerstellige conflict in 3 Johannes te bepalen. Wie van mening is dat het in de andere brieven om docetisme gaat (de leer dat Jezus alleen schijnbaar een mens was), die meent dat dit ook het geval is in 3 Johannes. En wie meent dat de tegenstanders in de andere brieven zogenoemde gnostici waren, die ziet dat conflict ook in 3 Johannes terugkomen. Het is duidelijk dat dit methodisch problematisch is, want het is helemaal niet gezegd dat de problemen in 1 en 2 Johannes overeenkomen met die in 3 Johannes.

Het is buitengewoon moeilijk of misschien zelfs wel onmogelijk met zekerheid te bepalen welke van bovenstaande scenario’s het juiste is.

De rol van Gajus

Een ander belangrijk punt van discussie met betrekking tot 3 Johannes is de rol van Gajus, de persoon aan wie de brief gericht is. Men neemt meestal aan dat de Oudste de brief schrijft omdat hij door Diotrefes’ toedoen aan gezag heeft ingeboet en dat hij zich nu tot Gajus richt om ervoor te zorgen dat hij een uitvalsbasis heeft in dit gebied voor reizende medewerkers zoals Demetrius (3 Johannes 12). Van deze Demetirus wordt gezegd dat over hem ‘door iedereen een goed getuigenis’ is gegeven ‘ook door de waarheid zelf’. Dit is een duidelijke aanbeveling van deze persoon en dus kan Gajus hem met een gerust hart zijn gastvrijheid aanbieden.

Maar wie was deze Gajus?

We weten bijna niets over hem, want hij wordt verder nergens in het Nieuwe Testament genoemd en in 3 Johannes zelf is de verstrekte informatie heel summier. Sommige wetenschappers menen dat Gajus lid was van de groep waarvan Diotrefes de leider was. Ze baseren dit op vers 9 waar de Oudste schrijft: ‘Ik heb hierover al aan de gemeente geschreven, maar Diotrefes, die daar de dienst wil uitmaken, trekt zich niets van ons aan’. Dit veronderstelt volgens hen dat Gajus al wist van deze brief, omdat hij deel was van die gemeenschap. Als dat zo is, probeert de Oudste dus een lid van Diotrefes’ eigen gemeente voor zijn zaak te winnen. De basis voor deze theorie is echter nogal wankel. Ervan uitgaande dat Gajus van de brief afwist, zijn er verschillende manieren waarop hij van deze brief kennis kon hebben genomen en hij hoeft daarvoor niet per se lid van Diotrefes’ gemeente te zijn geweest. Het lijkt waarschijnlijker dat Gajus niet veel met Diotrefes te maken had, maar een belangrijk figuur was in ongeveer dezelfde regio. Hij was de eigenaar van een huis en was misschien ook de leider van een huisgemeente.

‘Houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen’.

Ten slotte

Op effectieve wijze illustreren 2 en 3 Johannes hoe moeilijk het is de kortste nieuwtestamentische briefjes te interpreteren. Omdat er zo weinig informatie en context geboden wordt, is het moeilijk precies te bepalen wat er speelde en waarom de brieven geschreven werden. De brieven vormen daarmee een mooie uitdaging voor de exegeet, ondanks deze beperkingen, toch tot een accurate voorstelling van zaken te komen.

In ieder geval is duidelijk dat gastvrijheid een heel belangrijke rol speelde in de wereld waaruit deze twee brieven stammen. Gastvrijheid was van cruciaal belang voor het lot van de reiziger in kwestie, maar ook van de boodschap die hij of zij bracht. Daarom werd het ook de inzet van conflicten in het vroege christendom: aan wie moest gastvrijheid verleend worden en wie kon beter geweigerd worden? In Hebreeën 13,1 wordt de lezers opgedragen: ‘houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen’. In 2 Johannes 10 wordt duidelijk dat gastvrijheid ook risico’s met zich meebracht, want niet alleen engelen, maar ook dwaalleraren deden beroep op de gastvrijheid van de vroege christenen. Mensen met open armen verwelkomen zonder de gemeenschap in gevaar te brengen, dat is de balans waartoe 2 en 3 Johannes oproepen.

Literatuur

• John Painter, 1, 2, 3 John, (Liturgical Press: Collegeville, 2002).

• Everett Ferguson, Backgrounds of Early Christianity, (Grand Rapids: Eerdmans, 1990).

• Stephen S. Smalley, 1, 2, 3 John, (Dallas: Word, 2002).

< Terug