< Terug

Het belangrijkste gebod

Bij Leviticus 19,1-2.9-18, Psalm 146 en Marcus 12,28-34

Wat betekent het om tussen de veelheid aan mogelijke goden, juist JHWH als God te erkennen? Telkens opnieuw hebben joodse en christelijke gelovigen de oriëntatie van hun gemeenschap op God getoetst aan de houding tegenover anderen, met name de sociaal kwetsbaren zoals de arme, de weduwe en de wees.

De vraag van de schriftgeleerde naar het belangrijkste gebod (Marc. 12,28) is de derde vraag op rij die Jezus gesteld wordt. De voorgaande vragenstellers hadden het doel om Jezus in de val te lokken. De herodianen en farizeeën vleien Jezus met diens oprechtheid, om Hem dan de heikele vraag over de gehate keizerlijke belasting voor te leggen: is het geoorloofd om de belasting te betalen of niet? De saducceeën leggen Hem dan weer een absurde vraag voor, aangezien ze zelf niet eens in opstanding geloven: van wie is een vrouw na haar dood de partner, als ze met zeven mannen was gehuwd? Beide keren gaat Jezus naar de kern van de zaak en zet daarbij de vraag in een heel ander licht.

Wat komt God toe?

De schriftgeleerde erkent Jezus’ woorden als een juist antwoord (12,28). De vraag naar het belangrijkste gebod is een linke vraag. Zijn niet alle geboden belangrijk? Juist Jezus’ houding om naar de kern van de zaak te gaan, om de geest achter de letter van de wet te zien, brengt Hem telkens in conflict met de gezaghebbers. Tegelijkertijd is het in de ruimere context een pertinente vraag. Het aandachtspunt verschuift van de vraag wat de keizer toekomt naar wat God toekomt. Wat is het belangrijkste dat mensen moeten doen om God te laten toekomen wat God toekomt? Deze vraag kan men slechts beantwoorden door ten volle te beseffen wie deze God is. Het hoeft dan niet te verbazen dat Jezus antwoordt met een verwijzing naar het Sjema‘ Jisra’el, het citaat uit Deuteronomium 6,4-5 dat in het gebedsleven van de joden een belangrijke rol speelt: ‘Hoor Israël, JHWH onze God is de enige! Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.’

‘Heb God lief en je naaste’

Jezus verbindt vervolgens het gebod uit het Sjema‘ met een citaat uit Leviticus over de liefde tot de naaste. Dit sluit nauw aan bij het beeld van een God die opkomt voor wie maatschappelijk kwetsbaar is: de arme, de weduwe, de wees. Psalm 146 is een sprekend voorbeeld van deze overtuiging. Zo is God koning: door vreemdeling, weduwe en wees te beschermen, gevangenen te bevrijden, de gebogenen op te richten. Vanuit zo’n godsbeeld is het logisch, dat men verwacht dat mensen dan zelf ook op die manier in het leven staan, en te zijn zoals de God die zij belijden.

‘Wees heilig, want Ik ben heilig’

Het boek Leviticus is doordrongen van het besef van heiligheid. De God die het volk uit Egypte heeft geleid, is heilig. Toewijding aan deze God vereist dat het volk zelf ook heilig is (Lev. 11,44-45). Behalve heel veel regels in verband met reinheid en onreinheid, verwijst dit concept van heilig en toegewijd zijn ook naar geboden die sociale omgang tussen mensen aangeven. Respect voor de ouders, niet stelen, niet bedriegen, onpartijdig zijn bij rechtspraak zijn hiervan een paar voorbeelden. De sociaal kwetsbare mensen krijgen hierbij bijzondere aandacht. Bij het oogsten mag men niet hebberig zijn en alles tot de laatste halm of druif binnenhalen. Wat valt, hoort toe aan de arme en de vreemdeling. Dagloners moeten ook dagelijks betaald worden. Dit ligt in de lijn van de overtuiging dat JHWH een God is die er is voor wie in het samenleven kwetsbaar is (Ps. 146). Als JHWH erkend wordt als God, is dit niet zonder consequentie. In termen van Leviticus uitgedrukt, moet het volk zijn zoals JHWH: heilig. Zijn zoals God wordt heel concreet gemaakt, zoals in de regel dat je een blinde niet mag doen struikelen. Tegelijkertijd geeft de passage hierbij een basisprincipe aan: heb je naaste lief als jezelf (Lev. 19,18).

Het Rijk Gods nabij

Jezus verbindt Leviticus 19,18 met het joodse kerngebed van het Sjema‘, waarvan het als het ware een logisch gevolg is (Marc. 12,29-31). De schriftgeleerde erkent de waarheid van Jezus’ woorden, en voegt er nog een eigen inzicht aan toe. Deze geboden betekenen meer dan welke offers ook. Deze uitspraken zijn in lijn met de profeten die het volk tot een basishouding tot God proberen te brengen, die zwaarder doorweegt dan uiterlijke handelingen (zie bijv. Hos. 6,6; Jes. 1,10-20).

Jezus erkent hem daarop als iemand die niet ver staat van het Rijk Gods. Van bij de aanvang van Jezus’ optreden staat volgens Marcus de prediking van het Rijk Gods centraal. Dit Rijk is nabij, en Jezus daagt uit tot bekering en geloof in dit goede nieuws (Marc. 1,15). Doorheen het Evangelie klinkt echter zowel de hoop dat dit Rijk met kracht doorbreekt (9,1), als de waarschuwing dat het moeilijk is om het Rijk Gods binnen te gaan als rijke (10,23-25). De waardering die Jezus naar de schriftgeleerde toe uitspreekt, krijgt nog meer gewicht als men beseft dat iets verderop sprake is van een ‘zwaarder oordeel’ over andere schriftgeleerden, die uit zijn op ontzag en rijkdom ten koste van de arme weduwen (12,38-40).

Het principe ‘Geef God wat God toekomt’, uitgewerkt in het gesprek over de belangrijkste geboden, daagt uit om kritisch te benaderen wat gebeurt, zowel op maatschappelijk vlak als in de geloofsgemeenschap. Want waar de weduwe zich gedwongen ziet dat te offeren waarvan ze moet leven, en de rijke aanzien oogst terwijl hij rijkdom verzamelt ten koste van arme weduwen, is er iets grondig mis.

Bij Leviticus 19:1-2.9-18, Psalm 146 en Marcus 12:28-34

< Terug