< Terug

Het ecclesiologische karretje van Van Ruler. Niet de kerk of het ambt, maar Christus, het woord Gods, het evangelie van het koninkrijk

Inleiding

De heruitgave van het Verzameld Werk van A.A. Van Ruler is bezig te verschijnen, compleet met annotaties, die wezenlijk bijdragen tot een goed verstaan van deze grote en markante theoloog.1 Recent verscheen het deel rond kerkrecht, kerkorde en ambt. De meest typerende uitspraak die ik van Van Ruler ken, is die van het ecclesiologische karretje. Telkens weet hij kerk en ambt te relativeren door te zeggen: “De kerk is niet meer dan het karretje, waarop het Woord van God zich door de eeuwen en de volkeren op aarde beweegt” (290, 465, 473). De vragen rond de ambten steken altijd weer de kop op, zoals in onze tijd bij het pionieren. Hoe dacht Van Ruler over de vrouw in het ambt? Van huis uit gereformeerd ben ik ook benieuwd naar zijn interactie met de Gereformeerde Kerken in Nederland. Daar geeft de bundel weinig over,2 maar misschien kan iemand dat eens uitzoeken? Als oecumenisch theoloog ben ik ook benieuwd naar zijn oecumenisch gehalte.

Ik kies ervoor om in dit artikel de ambtsvisie van Van Ruler door te laten klinken in onze tijd. Ik zal mij na een korte algemene inleiding concentreren op drie belangrijke thema’s, die in zijn tijd urgent waren en dat nog steeds zijn. Eerst de ordinatie, inclusief de vraag aan wie de kerk de bediening van Woord en Sacrament toevertrouwt, dit in relatie tot de vragen die opkomen bij de huidige pioniersplekken, daarna het ambt in de oecumenische discussie,3 en tenslotte de nog altijd springlevende en nog nooit echt opgeloste vraag naar de vrouw in het ambt.

Ambtsrapport Van Ruler

Ik begin bij het Ambtsrapport Van Ruler uit 1965. Het eerste concept is opgesteld door T. Dokter (66) en ’t zou dus eigenlijk het Rapport Van Ruler-Dokter moeten heten. Soms heet het ook zo. Het werd door de hervormde synode afgewezen en zelfs ongeschikt geacht voor publicatie. Dat was pijnlijk voor Van Ruler. Na zijn dood verscheen het in 1974 alsnog, maar alleen in gestencilde vorm. Dat het als ‘zwak’ werd getypeerd, is geen wonder. De commissie werkte er minstens veertien jaar aan, en wisselde steeds van samenstelling.4 Bovendien hadden de deelnemers zeer tegengestelde inzich-ten, waardoor het resultaat bij voorbaat tot mislukken was gedoemd. Het Ambtsrapport Berkhof,5 dat er op volgde, was geen ander lot beschoren. Het werkte evenmin door in de besluitvorming, maar werd aangeboden als ‘studierapport’. De mist, die rond het ambt was opgetrokken, was dus niet verdwenen.6 Op de vraag wat hij van het Rapport Berkhof dacht, noemde Van Ruler het bezwaarlijk, dat Berkhof deed alsof de Christusheerschappij helemaal in de kerk als zodanig zit. En dat de kerk dan zegt: “Jongens, we moeten ook een ambt hebben, dat de Christus kan vertegenwoordigen’’. Voor Van Ruler kwam de kerk niet op de eerste plaats, maar de verhoogde Christus, die werkt in de geschiedenis, het apostolische Woord, dat uitgaat naar de volkeren. “Dáár zit het ambt. Niet in de kerk, maar in de wereld, in het rijk, in de geschiedenis”.7

Predestinatie

In Van Rulers tijd heerste grote verwarring rond het ambt (618). Hij sprak zelfs over een ‘stormloop op de ambtsidee’ (307). Blijkbaar was het kerkelijk ambt altijd al goed voor heftige discussies. Volgens Van Ruler lag dat aan het feit, dat men in de theologie de orde van de predestinatie was kwijtgeraakt (50, 623). God is ons altijd vóór in zijn genade. Daarom moet de predestinatiaanse kern van de gereformeerde ambtsidee niet over het hoofd worden gezien (308). Hij gebruikte het begrip predestinatie, als cor ecclesiae (112, 122, 298), in een algemenere betekenis dan Dordt.8 Soms lijkt de predestinatie, die hij de ‘hoogspanning van Gods verkiezing’ noemt, bij Van Ruler wel congruent met de vocatie, de roeping van Godswege. Het is immers God zelf, die verkiest en roept en bevestigt in het ambt. Het ambt komt niet van ‘onderen’. Het komt van God uit (651) en de diepste wortel van het ambt ligt in de uitverkiezing. Dit is het wezen van het ambt: God gebruikt een mens in zijn dienst om zijn werk op de aarde te doen (761).

Opkomende bewegingen

Het is onloochenbaar, dat protestanten altijd balanceren tussen laagkerkelijke, functionele en hoogliturgische, meer oecumenisch getinte ambtsopvattingen. Dat was in Van Rulers tijd ook al zo. Een grote rol speelden toen de bewegingen voor Kerkherstel en Kerkopbouw, de opkomst van de toenmalige liturgische beweging met G. van der Leeuw, de opkomst van de oecumenische beweging (na de oprichting van de Wereldraad van Kerken in 1948), de activiteiten van het Hilversums Convent met J. M. Gerritsen, J.K. van den Brink en J. Loos, en niet te vergeten de zich doorzettende strijd voor de vrouw in het ambt, die al aan het eind van de 19e eeuw begonnen was en juist in Van Rulers tijd aan kracht begon te winnen.9 Al deze bewegingen maakten de bezinning op de ambten urgent. En tussen al die stromingen in zocht en ging Van Ruler zijn eigen weg.

Waar ging het Van Ruler om, als hij over het ambt reflecteerde?

Het ging hem om het Woord Gods, dat zijn weg vindt naar de wereld. Het ging hem om Christus. Dus zeg niet, dat de kerk democratisch is, daarvoor is het gezag van Christus te groot. God bindt ons aan het Woord, aan de zichtbare kerk, en aan het ambt. De zichtbare kerk is nodig om het heil in Christus uit te dragen in deze wereld. Het ging hem om de belijdende kerk. Geen belijdeniskerk, maar een belijdende volkskerk. Als oprichter van Kerk-herstel streed hij daarvoor. De belijdenisgeschriften moesten geen keurslijf zijn, maar de kerk moest wel koers houden en Christus belijden in de wereld. Het ging hem dus niet om de kerk, maar om de wereld. De kerk was slechts het vehikel, het karretje, dat als vervoermiddel diende voor het Woord. Hij pleitte voor eerherstel van het ambt (185) en van de ambtelijke vergaderingen, die immers buiten spel stonden sinds 1816. Zag hij het ambt aanvankelijk als iets binnenkerkelijks (56), later ging hij het ambt in het veel bredere kader plaatsen (835), van het Godsrijk en de eschatologie. Het apostolisch karakter van het ambt was voor Van Ruler fundamenteel, daarnaast benadrukte hij het ‘tegenover’ van het ambt en had hij een antenne voor de mystiek van het ambt (171). Hij zag het ambt wortelen in de gemeenschap van de gelovigen (het pneumatologische aspect), maar stelde ook, dat het ambt er niet uit opkomt. Dat zou niet kunnen, omdat het is ingesteld door Christus zelf. Hij beschouwde het ambt als constitutief voor de kerk en verdedigde het standpunt, dat het bijzondere ambt op geen enkele manier opkomt uit het algemene priesterschap. “Het ambt wortelt wel in de gemeente, maar het komt er niet uit op.” Hiermee bleef hij in de lijn van Calvijn, die bij de fundering van de ambten het algemeen priesterschap der gelovigen geen duidelijke rol liet spelen, maar wel bij de manier waarop ze functioneren.

I Pioniersplekken

Ik ben toe aan mijn drie topics en ik begin bij het pionieren. Uit praktijkonderzoek rond de nieuwe kerkplekken van de PKN blijkt, dat men ambten niet echt nodig vindt.10 Zou men bedoelen, dat de stuntels die ambtsdragers soms zijn, niet zo belangrijk gevonden moeten worden, maar dat de kracht van het ambt toch overeind blijft? Dat hoop ik maar. Ook Van Ruler heeft zich laten ontvallen, dat het ambt belangrijker is dan de ambtsdrager.11 Belangrijker dan de vraag of de kerk ambten nodig heeft, was volgens hem de waarheid, dat de kerk zélf een ambt is. De kerk is een ambt in het rijk, dat God gebruikt in de wereld. Ook zei hij, dat ieder gemeentelid een ambt heeft, niet in de kerk, wel in de wereld. Dat komt me bekend voor. Zoals Van Ruler over het ambt van elke christen in de wereld kon spreken, zo sprak Luther over de roeping van elke christen in de wereld. Want uiteindelijk gaat het niet om de kerk, maar om de hele door God geschapen werkelijkheid. Liggen hier aanknopingspunten voor het in de Protestantse Kerk in Nederland gevoerde tweesporenbeleid, waarbij enerzijds het ambtstheologische spoor gevolg wordt, terwijl de min of meer autonome dienstenorganisatie op een ander spoor zit, naar analogie van hoe het in de tegenwoordige wereld toegaat?12 Van Ruler en Luther zijn het er over eens, dat de ordinatie niet de basis van het ambt is. Voor Luther is dat de doop13, voor Van Ruler is dat de predestinatie (613,632, 824).

Hoe denkt men nu over de ambten in pionierskringen? In een voorproefje van het nog te verschijnen synodale document Een Mozaïek van kerkplekken wordt ‘diskwalificatie’ van het ambt voor mogelijk gehouden,14 terwijl het vasthouden aan de huidige ambten ‘het andere uiterste’ wordt genoemd. Er wordt gesteld, dat elke geloofsgemeenschap het ambt nodig heeft, maar de vorm van het ambt is variabel en ingebed in een collectief. Het kan dus nooit een solovoorstelling zijn. Er wordt gesteld, dat de bediening van Woord en Sacrament essentieel is voor elke vorm van kerkzijn. Maar dan rijst de vraag wie bij pioniersplekken gerechtigd zijn Woord en Sacrament te bedienen. Opvallend is de suggestie om daarvoor een nieuw ambt in het leven te roepen. Het woord ‘vicaris’ wordt dan niet uitdrukkelijk genoemd, maar het zou me niet verbazen, als dat er van komt. En daar heb ik ook wel aanwijzingen voor.15

Sacramentsbevoegdheid zonder ordinatie?

Van Ruler schreef in 1949 een serie artikelen over de mogelijkheid een ‘vicaris’ te creëren. Daarmee bedoelde hij geen theologisch geschoolde leervicaris, maar een niet-theologisch geschoolde hulpprediker (383). De positie van de toenmalige godsdienstonderwijzers vormde de aanleiding. Dat waren voorgangers in kleine gemeenten, die alles deden wat een predikant doet, behalve het bedienen van sacramenten. Mijn eigen opa, de heer N.C. de Regt was één van hen. Hij stierf in 1976 en nóg kent men zijn naam in het Gelderse Klarenbeek. Maar sacramenten mocht hij niet bedienen, want er lag een sterk verband tussen ordinatie en sacramentsbediening.16

Dat godsdienstonderwijzers en hulppredikers geen duidelijke kerkelijke status hadden vond Van Ruler ongehoord. Hij wilde de nieuw te creëren ‘vicaris’ niet ordineren, maar wel sacramentsbevoegdheid geven. Hij noemde het zelfs ongehoorzaamheid aan de Heilige Schrift om die bevoegdheid tot de dominee te beperken. Hij vond het ‘van de allergrootste betekenis’ de sacramentsbediening toe te vertrouwen aan mensen die ‘ongetwijfeld niet in de apostolische successie staan’ (380). Dat kwam hem op forse kritiek te staan van G. van der Leeuw, die schamperde, dat Van Ruler blijkbaar opeens het wezen van de kerk had ontdekt. Nam hij het nu plotseling op voor de figuur van de vicaris, terwijl hij die een paar maanden eerder slechts ‘over zijn lijk’ wilde toelaten? Het kan verkeren! Dit laat trouwens goed zien dat Van Rulers denken steeds in ontwikkeling was en hij zichzelf niet domweg herhaalde.17 Volgens Van der Leeuw was deze vicaris een noodoplossing. Waarom zou iemand die geen oude talen machtig was18 wel sacramentsbevoegdheid krijgen en een ‘pastoraal woord’ in kerkdiensten mogen spreken, maar geen Dienaar des Woords mogen zijn? Verder verweet Van der Leeuw Van Ruler, dat hij van de vicaris een ‘sleutelfiguur’ wilde maken (36).

Van Ruler wijkt hier dus af van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (Artikel 30), die stelt, dat er dienaren of herders moeten zijn om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen. En ook van het Convent van Wezel (1568)19, dat stelt dat de bediening van de Sacramenten en van het Woord ongetwijfeld door een onlosmakelijke band verbonden zijn (Artikel VI-1).20 Hij maakte principieel geen onderscheid tussen de ordinatie van ouderlingen en diakenen en die van predikanten (99, 668). Wie dat wel deed kon in zijn ogen maar beter meteen helemaal episcopaals worden (729). Niet op de liturgische bisschop, maar de op apostolische ouderling kwam het aan (269). Hij nam het op voor een voluit presbyteriale kerk en wilde altijd het ‘geniale’ evenwicht bewaren tussen het apostolisch ambt en het volk van God. Precies dat evenwicht is volgens hem bepalend voor de presbyteriaal-synodale vorm van kerkregering (405). En de presbyteriale kerk weet volgens hem haar plaats.21 Van der Leeuw vond het onjuist, dat een vicaris de sacramenten zou mogen bedienen zonder geordineerd te zijn. De sacramenten moesten in zijn ogen gekoppeld blijven aan het geordineerde ambt. Waarom maakt men van de vicaris geen Dienaar des Woords vanwege de heersende noodtoestand -met opschorting van de opleiding? Hij verweet Van Ruler, dat diens vicaris in een ‘ouderlingenvermomming’ de dominee de kerk uitdreef (36). Ook K.H. Miskotte nam duidelijk afstand van wat hij noemde de ‘trapezekunsten’ van Van Ruler (36).

Hoe verder?

De vicaris met sacramentsbevoegdheid is in 1949 even toegestaan geweest, heeft het niet lang uitgehouden en werd in 1950 al weer afgeschaft. In 1960 is de mogelijkheid in de hervormde synode opnieuw geopperd. Ook toen is het voorstel niet aanvaard.22 De Commissie Ambt en Sacrament liet in 1985 ook de oecumenische discussie (het Limarapport) meewegen. In 2000 kwam het opnieuw ter sprake, nu in de gezamenlijke synode.23 In 2007 constateerde de gereformeerde kerkjurist L.C. van Drimmelen nog, dat de vaste regel blijft dat Woord en Sacrament door één en dezelfde hand (die van de predikant) wordt aangereikt, maar hij zei er voorzichtig bij, dat het voorstelbaar is, dat er in bijzondere omstandigheden van die regel wordt afgeweken.24 Een grondig onderzoek naar de positie van de kerkelijke werker en het ambt werd in 2006 gedaan door H.A. Post, die er voor pleit, dat ook een HBO-opgeleide theoloog predikant kan zijn.25 Precies dit soort problemen speelt op dit moment weer volop rond de huidige pioniersplaatsen.

Om in de reformatorische traditie te blijven en niet buiten de wereldoecumene te vallen, kies ik voor de positie, dat het bedienen van de sacramenten weer gekoppeld wordt aan het geordineerde ambt.26 Ook zou de ordinatie – contra Van Ruler ( 36) – toegankelijk moeten worden voor mensen, die geen Master theologie veroverden. Ik ben heel benieuwd hoe deze discussie, zeventig jaar later, uitpakt. Ik persoonlijk zou de vicaris of kerkelijk werker, die voor het leven geordineerd is, zich predikant mag noemen en óók sacramenten mag bedienen van harte verwelkomen. Maar van een levenslange ordinatie wou Van Ruler ook al niet weten. Het levenslange van de dominee27 was volgens hem puur toeval, omdat de predikant nu eenmaal was vrijgesteld, en de tijdelijkheid noemde hij de finishing touch van de ambtsidee (609).

II Ambt en oecumene

Ik kom op mijn tweede punt: ambt en oecumene. Hoe stond Van Ruler daarin? Het echte volle oecumenische is volgens hem: maar één kerk willen, maar “maak er geen bedwelmend drankje van”.28 De oecumenische roeping van de kerk stond voor hem buiten kijf (12). Hij heeft zich veelvuldig met de vragen, die Rome bij de Reformatie op tafel legde, bezig gehouden. De Reformatie was geen verhuizing, maar een groet schoonmaak. “De ecclesia reformata is de ecclesia catholica, per definitie.”29 Het doel van de oecumene moest zijn, dat er één katholieke kerk in Nederland kwam. Maar hij wist ook, dat dit nog heel wat voeten in de aarde zou hebben. Hij had goede hoop dat de hervormd-gereformeerde ‘huishoudelijke twist’ nog in de 20e eeuw zou worden opgelost (72) en zo is het ook gegaan. Het goede aan de oecumenische beweging vond hij, dat dit de kerk uit het isolement haalt. Hij nam het op voor ‘voluit gegroeide apostolisch-oecumenische theologie’(273), want die was broodnodig. Met een ‘provinciaals-gereformeerde’ opvatting kwam je niet ver. Hij vond het ook broodnodig om op te komen voor de evidentie van de gereformeerde waarheden in een oecumenische, wereldwijde samenhang. Het was voor hem geen optie om je uit pure angst voor verwatering op jezelf terug te trekken. Was Calvijn niet bereid, tien oceanen over te steken, als het ging om de eenheid van de kerk?

De oecumenische gedachte is dus volgens Van Ruler één van de gereformeerde ‘oernoties’. Hij noemt de gereformeerde christenheid zelfs ‘de beste couveuse van de oecumenische idee’ (273). Hij pleitte met volle overtuiging voor de katholiciteit van de Reformatie, want anders zou de kerk van de Reformatie op dood spoor raken. De Reformatie wil ook een reformatie van de katholieke kerk zijn en dat bracht een principieel nieuw begrip van katholiciteit met zich mee (291). Een eeuw na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland (in 1953) sprak Van Ruler tijdens een bijeenkomst van het Nederlands Protestants Convent in de Grote Kerk van Den Haag over het thema ‘Na honderd jaar kromstaf’. Hij vond dat het protestantse protest tegen dat herstel in 1853 (de Aprilbeweging) ondoordacht was geweest. ‘Volkomen misplaatst’ (61) is misschien iets te veel gezegd?30 In die toespraak ging hij in op de verhouding Rome-Reformatie en zette hij glashelder uiteen, waarom hij zich niet gewonnen gaf aan de kerk van Rome. Bijzonder interessant uit oecumenisch oogpunt is de Briefwisseling over de theologie van het ambt uit 1956-1957, die hij met zijn rooms-katholieke collega J.A.M. Weterman voerde op verzoek van het theologisch tijdschrift Vox Theologica. Van Ruler zette de belangrijke punten van zijn ambtstheologie uiteen (het tegenover van het ambt, uitverkiezing, het grote belang van de ouderling, ambtsmystiek, tijdelijkheid van het ambt etc.) en Weterman leverde het nodige weerwerk (63). Over de vraag of het ambt Christus representeert, zei het Rapport Van Ruler-Dokter: “Als wij voor ogen houden, dat de ambten geen menselijke instellingen zijn, maar instrumenten van Christus en de Geest, kunnen wij zeggen, dat de ambten Christus tegenwoordig stellen, representeren”. Wat betreft het oude strijdpunt van de apostolische successie – om nog een ander punt te noemen dat in het Lima-rapport (1982) een cruciale rol speelt – hield Van Ruler staande, dat de presbyteriale kerken niet minder in de ononderbroken apostolische successie staan dan de episcopale.31 Juist met het oog op de oecumene nam hij het – net als Noordmans – sterk op voor de ouderling. De trits van de oude kerk en van het Lima-rapport: ἐπίσκoπος – πρεσβύτερος – διάκονος, betekende volgens hem niet, dat de bisschop tot predikant, de priester tot ouderling en de liturgische diaken tot sociale diaken gemaakt was. Niet de liturgische bisschop, maar de apostolische ouderling was voor hem het meest relevant (269). Hij zag de bisschop niet terug in de predikant, maar in de ouderling, die hij van ‘wereldhistorische’ (70) betekenis noemde. Juist in de ouderling waren de ἐπίσκoπος en de πρεσβύτερος samengevloeid. De predikant was volgens hem een uitvinding van de Reformatie. In de predikant werden de leraar en de profeet uit het Nieuwe Testament herschapen en dat bracht de ambten weer meer in Bijbels vaarwater. Het eigenlijke van het ambt werd dankzij de Reformatie weer in het Woord Gods gezocht.

Van Ruler had een hoge verwachting van het ouderlingschap. Hij noemde de ouderling herhaaldelijk de ‘eigenlijke ambtsdrager’ (294, 422, 667) en in navolging van Wolfensberger32 zelfs de hoeksteen van het presbyteriaal-synodale stelsel (827). Kunnen de ambten van predikant, ouderling en diaken als gelijkwaardige uitwaaieringen van het éne apostelambt worden gezien?33 Van Ruler heeft goed gezien dat je ouderlingen en diakenen niet als vertegenwoordigers van de gemeente moet zien, want dan wordt de presbyteriaal-synodale grondgedachte niet alleen verminkt maar ook totaal opgeheven.34 Als hij nog geleefd had, zou hij denk ik ter zake van het Lima-rapport een positie hebben gekozen, die het sterk opnam voor de ouderling, zoals H. Berkhof ook deed.35 Maar misschien ook niet, want hij vreesde ook, dat het pleit voor de ouderling in de oecumenische discussie over de katholieke kerk en haar ambten al van te tevoren verloren was (291). Maar zonder de ouderling zou de gereformeerde Reformatie volgens hem tegenover het katholicisme geen verweer hebben en in het wereldchristendom geen toekomst (295).

Ik denk, dat we moeten vaststellen, dat de plaats van de ouderling binnen het protestantisme niet duidelijk is.36 Ik heb zelf in mijn leven fantastische ouderlingen gekend, waar ik buitengewoon veel van heb geleerd. Maar als ik zie hoe de kerk van vandaag tot vervelens toe om ouderlingen moet leuren, wat dan ook nog eens vaak niet lukt, dan rechtvaardigt dat de conclusie (de goeden niet te na gesproken), dat dit ambt momenteel niet populair is, soms weinig kennis van zaken heeft en meer dan ooit onder druk staat. Maar ook Van Ruler zelf uitte ooit eens de ‘bittere klacht’, dat de ouderling wel een door en door, tot in zijn diepste wezen apostolische figuur is, maar dat daar in de loop der eeuwen niets van is terecht gekomen (294). Ja, dat staat er echt: ‘niets’. Hoe zou Van Ruler op dit moment over vrouwelijke ambtsdragers denken? Dat is een onhistorische vraag, maar toch boeiend!

III Vrouw, man, en ambt

Dit brengt mij op derde en laatste punt. Van de vrouw in het ambt was Van Ruler geen pleitbezorger. Dacht hij er wel over na? Dat moet haast wel, want het was al ruim vijftig jaar een punt van discussie.37 Maar het had zijn hart niet. Hij heeft wel eens geschreven, dat hij dit thema ‘nauwelijks op zijn weg’ zag liggen (305). Ooit verdedigde hij het standpunt om vrouwen niet tot de ambten toe te laten met – nota bene – een oecumenische argumentatie (31). Op het eerste gezicht wel er misschien wel iets voor vrouwelijke ambtsdragers te zeggen, want het arsenaal aan werkkrachten zou er door zou worden vergroot en gedifferentieerder worden. Dat zou aan kerk en wereld ten goede komen (310). Daar was natuurlijk waar, maar deze argumenten wogen voor hem niet zwaar. Dat een kerk die het ambt niet voor vrouwen openstelde ‘achterlijk’ was (310), wilde er bij hem niet in. Hoe stond het er dan voor bij de oosters-orthodoxe kerk, de rooms-katholieke kerk, de anglicaanse kerk? Is een vrouwelijke patriarch denkbaar? Een vrouwelijke paus of bisschop? Dat oecumenische argument gaf mirabile dictu voor hem de doorslag om er niet aan te willen. Een niet erg Bijbelse argumentatie, reageerde W.F. Dankbaar (31). In het Rapport Van Ruler-Dokter werd gesteld, dat de Hervormde Kerk zich ten aanzien van de toelating van de vrouw tot het ambt van dienaar des Woords kennelijk in een impasse bevond. Kortom, dit ventileert verlegenheid, terwijl de dissertatie van G. Huls, die alle argumenten voor de toelating van vrouwen tot de kerkelijke ambten op een rijtje zette, toch al in 1951 verschenen was.38 H. Bolkestein-van Binsbergen voerde een vurig pleidooi voor ‘wederkerige onderworpenheid’, dus de man is net zo onderworpen aan de vrouw als omgekeerd.39 Ook A.J. Rasker heeft zich voor de zaak van de vrouw in het ambt ingezet. Hij had al in 1938 een boekje gewijd aan de plaats van de vrouw in de christelijke gemeente,40 maar Van Ruler meende in 1948, dat het probleem van de vrouwelijke theologiestudenten, die er natuurlijk al decennia lang waren, opgelost kon worden door ze in een ‘bediening’ te stellen en dus buiten het ambt te houden (382). In 1957 publiceerde Rasker een boekje, nadat het ambt van ouderling en diaken al voor vrouwen was opengesteld, en dat van predikant onder beperkende voorwaarden. Ook hij benadrukte wederkerigheid. “Er is geen vrouwenvraagstuk anders dan in correlatie met een mannenvraagstuk”.41

In zijn boek Waarom zou ik naar de kerk gaan? schrijft Van Ruler, dat in principe alle gewone gemeenteleden tot een ambt geroepen kunnen worden en dat niemand in principe is buitengesloten.42 Dat klinkt nogal bijzonder uit zijn mond. Of hij zich dat realiseerde? Nu ja, dat boek verschijnt in 1970 en dan zijn vrouwen, onder luid protest van de Gereformeerde Bond,43 al toegelaten tot alle ambten. Nog een citaat uit datzelfde boek: “In het apostel-ambt worden geen vrouwen gezet. Maar dat is geen onderwaardering van de vrouw. De kennis en de zekerheid van de opstanding beginnen zelfs (cursief MG) bij haar. Maar zij moet vrouw, zij moet mens blijven, de laatste en de eerste, de eigenlijke. De man wordt gebruikt voor het ambt. Dat is dus om niet helemaal zichzelf, maar vertegenwoordiger van God te zijn.”44 Als dit typerend is voor Van Rulers gedachtegang, dan heeft die veel weg van de argumentatie die we veelvuldig in de Romana tegenkomen. Enerzijds het ophemelen van de vrouw als vrouw en tegelijk het ambt voor haar gesloten houden.45 Ik noem dat een akelig tweesporenbeleid. Hoe zou Van Ruler op dit moment staan tegenover vrouwelijke bisschoppen als Maria Jepsen en Margot Kässmann en vele anderen? Ik zie er zo een stuk of dertig voor me.46 En de eerste vrouwelijke aartsbisschoppen zijn er ook al: Antje Jackelén en Kay Maree Goldsworthy.

1 D. van Keulen, P. van den Heuvel, J. Stelwagen, Dr. A.A. van Ruler Verzameld Werk, Deel 5B, Kerkorde, kerkrecht, ambt, Utrecht 2018, verscheen in de reeks Verzameld Werk van A.A. van Ruler. In de tekst verwijs ik telkens naar de pagina’s van dit boek.

2 H. Bavinck en A. Kuyper hadden invloed op zijn denken, er was overleg met gereformeerden (235). H. Berkhof, E. Emmen, G.C. van Niftrik en A.A. van Ruler aan hervormde zijde en G.C. Berkouwer, D. Nauta en A.D.R. Polman aan gereformeerde zijde voerden gesprekken over de Hervormde Kerkorde 1951. Zie C. van den Broeke, Een geschiedenis van de classis, Kampen 2005, 427. Van Ruler heeft over het ambt in gereformeerde tijdschriften gepubliceerd, zoals in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift (67) en Horizon (70) en is erin geciteerd (De Bazuin, 22, 23). Ook citeert hij H.N. Ridderbos. Verder laat ik dit buiten beschouwing.

3 M. Gosker Het ambt in de oecumenische discussie, Delft 2000, 278.

4 Behalve Van Ruler waren dat o.a. T. Dokter, Th.L. Haitjema, G. Huls, F.J. Pop, J. Vink, W. Aalders, J.N. Bakhuizen van den Brink, J.M. Gerritsen, H. van der Linde, J. Loos, A. van Stempvoort, W.C. van Unnik en A. de Wilde.

5 H. Berkhof, Wat is er aan de hand met het ambt? Studierapport over het ambt, aangeboden door de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, krachtens besluit van haar vergadering van 18 februari 1969, ’s-Gravenhage, 1971.

6 Lekkerkerker klaagt dat “het een slepende ziekte was geworden te zeggen: wij als Hervormden weten niet meer wat het ambt is”. A.F.N. Lekkerkerker, Oorsprong en functie van het ambt, ‘s Gravenhage 1971, 16. Ook de Romana kende een ambtscrisis. In de reeks Samen mens zijn (Re-dactie C. Blankestijn e.a.) verscheen Crisis van het ambt. Visies en verwachtingen van uitgetreden priesters, Hilversum/Antwerpen 1967, met een tekst van G. Koek onder de titel De menopauze der kerken,123-142.

7 G.C. Berkouwer en A.S van der Woude, In gesprek met Van Ruler, Nijkerk 1969, 21.

8 C. Graafland, Gedachten over het ambt, Zoetermeer, 1999, 157.

9 C.M. van Asch van Wijck maakte samen met mej. ds C. Boer, de doctores M.A. Beek, W.C. van Unnik en G.J. Streeder, de mannelijke predikanten J.R. Wolfensberger, D. Bakker, J.C. van Dongen, H. Jonker, J. de Lange, J. Roscam Abbing en L.C. Spijkerboer, en de ouderlingen L. de Geer en H.J Voors deel uit van de commissie, die het rapport aan de synode aanbood. Er was een meerderheids-en een minderheidsrapport. Het laatste was tegen. De vrouw in het ambt. Rapport besproken door de Generale Synode in haar zittingen van 20 en 21 maart 1950, ‘s-Gravenhage, 1950.

10 32% vindt dat elke nieuwe vorm van kerk-zijn ouderlingen en diakenen moet hebben. 20% vindt dat bij elke nieuwe kerkplek een predikant actief moet zijn. 75% wil niet-theologen laten voorgaan bij nieuwe kerkplekken. Velen hechten inhoudelijk waarde aan het ambt, maar men is niet lovend over de uitwerking. Zie: R. de Reuver en M. Vellekoop, Mozaïek van Kerkplekken. Over verbinding tussen bestaande en nieuwe vormen van kerk-zijn, Intern synodaal rapport van de Protestantse Kerk in Nederland. Voorproefje, november 2018, 25. Dat het ambt niet perse nodig is vond ook de radicale apostolaatstheologie, die omstreeks 1963 opgang maakte, A.F.N. Lekkerkerker, 28.

11 De ambten zijn belangrijker dan de ambtsdragers. De mensen zijn slechts dragers van het ambt, maar Christus bedient in de ambten der ecclesia zelf zijn eigen drievoudige ambt, 670. W.H. Velema vraagt zich af of Van Ruler het zozeer benadrukte ambt in zijn bijzonderheid wel kan handhaven. W.H. Velema, Confrontatie met Van Ruler, Kampen 1962, 90. Ook het omgekeerde kan beweerd worden, namelijk dat we in het Nieuwe Testament geen ambten tegenkomen, maar wel ambtsdragers, C. van Andel, De aantrekkelijke Gemeente, uitgave IZB Amersfoort, z.j., 51.

12 R. Brouwer vraagt zich af, of de ambtstheologische discussie in de synode en het human resourceperspectief van de dienstenorganisatie PKN zelfstandige lijnen van beleid zijn, die niet per se gelijke tred hoeven te houden. R. Brouwer, ‘Predikant 2025. De theologische visie van de kerk op het predikantschap voor de toekomst’, in: Kerk en Theologie 66 (2015), 313-329, 319.

13 J. Kronenburg, Episcopus Oecumenicus, Bouwstenen voor een theologie van het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk, Zoetermeer 2003, 359.

14 R. de Reuver en M. Vellekoop, Mozaïek, 25.

15 Mijn correspondentie met Th. Hettema d.d. 19 november 2018 wijst in die richting.

16 Van de Beek schreef in 1985 nog, dat er geen rechtstreekse verbinding is tussen ambt en avondmaal. A. van de Beek, Tussen traditie en vervreemding, Nijkerk,1985, 116. In 2012 schrijft hij echter dat “de geordineerde ambtsdrager óók in het protestantisme degene is die sacramenteel handelt door de bediening van het Woord en door de eigenlijke sacramenten”. Het woordje ‘eigenlijk’ betekent hier, dat Van de Beek de Woordbediening ook als sacramenteel beschouwt. A. van de Beek, Lichaam en Geest van Christus. De theologie van de kerk en de Heilige Geest, Zoetermeer 2012, 205. Van der Borght meent, dat het ambt van ouderling geen geordineerd ambt is. E.A.J.G. van der Borght, ‘De ouderling bij Calvijn revisited’, in: A. van de Beek en W.M. van Laar (ed.), Sola Gratia. Bron voor de Reformatie en uitdaging voor nu. Opstellen aangeboden aan Dr. W. Balke, Zoetermeer 2004, 126144, 143. Hiermee bestrijdt hij Van Ginkel, die er niet zeker van was dat voor Calvijn de ordinatie met handoplegging alleen voor het herderambt of ook voor alle ambten gold, Van der Borght, 133. A. van Ginkel, De ouderling, Amsterdam 1975.

17 Dat signaleert ook Rothuizen, nadat Van Rulers Verwachting en voltooiing postuum was verschenen. Als een theoloog altijd consistent moet zijn, dan moet je hem uit het leven snijden. En dan snijd je ook het leven uit die theoloog. “Dat mag bij zijn leven niet en na zijn dood helemaal niet”. G.Th. Rothuizen, ‘Waarom het gaat’, in: Gereformeerd Weekblad, 35 (1980) 27, 209-210, 210.

18 Th. L. Haitjema benadrukte het belang van de wetenschappelijke opleiding van predikanten in zijn: ‘Ambtsdrager of voorganger’. in: Th. L. Haitjema, Hoogkerkelijk Protestantisme, Wageningen 1923, 81-111, 110.

19 Tegenwoordig wordt betwijfeld of er wel ooit een Convent van Wezel is gehouden. J. Spohnholz, The Convent of Wesel: The event that never was and the invention of tradition, Cambridge 2017.

20 “De reformatorische traditie gaat uit van de eenheid van Woord en sacramenten als ambtelijke handeling die is toevertrouwd aan de bevestigde predikant.” P. van den Heuvel (ed.), De toelich-ting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, Zoetermeer 2004, 37.

21 “Ze is niet zo bescheiden dat ze zich in een vroom hoekje van de wereld terugtrekt. Dat laat zij over aan de vrije kerken. Maar ze is ook weer niet zo onbescheiden, dat ze zichzelf opblaast tot het enige of althans het eigenlijke, dat er in het rijk van God is. Dat laat ze over aan de bisschoppelijke kerken.” A.A. van Ruler, Blij zijn als de kinderen, Kampen 1972, 177.

22 P. van den Heuvel, De Hervormde Kerkorde. Een praktische toelichting, Zoetermeer 20012, 255.

23 Vanaf 1999 maakte ik deel uit van de Studiegroep ‘Ambt en Ordinatie’.

24 L.C. van Drimmelen, Een troon voor het woord, Heerenveen 2007, 186-187.

25 H.A. Post, De kerkelijk werker en het ambt, Kampen 2006.

26 M. Gosker, J. Kronenburg. ‘Een wissel gemist! De ordinatie als voorwaarde tot het verlenen van sacramentsbevoegdheid’, in: Kerk en Theologie 60 (2009) 2, 143-159.

27 A. J. Plaisier schreef in zijn brief van 5 juni 2014 aan de predikanten, dat de bediening van Woord en Sacrament is opgedragen aan de predikanten als Verbi Divini Minister. “Het wezenlijke van het ambt komt vooral uit in deze dienst. Daarom is het niet toevallig dat de predikant voor het leven wordt bevestigd.” Dit wordt door Brouwer gerelativeerd. R. Brouwer, ‘Predikant 2025. De theologische visie van de kerk op het predikantschap voor de toekomst’, in: Kerk en Theologie 66 (2015), 313-329, 322.

28 A.A. van Ruler, Blij zijn, 167.

29 A.A. van Ruler, ‘De Reformatie als moment in de traditie van de catholica’, Colleges 7, 14 en 21 oktober 1963, in: Rondom het Woord. Theologische etherleergang van de N.C.R.V., 6-8, 6.

30 “Met de Aprilbeweging van 1853 kunnen wij niet zonder meer gelukkig zijn. Als spontane reactie van een reformatorische traditie is zij misschien te waarderen. Maar zij deed – in de negentiende eeuw! – toch wel wat erg spontaan, dat is ook: wat ondoordacht aan.” A.A. van Ruler, ‘Na 100 jaar kromstaf. Onze houding tegenover Rome’, in: Theologisch Werk, Deel III, Nijkerk 1971,178-190.

31 “De drie ambten van het presbyteriaal-synodale stelsel zijn alle drie even ambtelijk: Ze wortelen alle drie in het apostelambt. Ze staan volledig in de apostolische successie, die door de stroomversnelling van de Reformatie is heengegaan” (827).

32 J.R. Wolfensberger, ‘Het ambt van den ouderling is de hoeksteen van het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk’, in: Th.L. Haitjema, Kerkorde en ambt, W.J. de Haan, J.R. Wolfensberger, H. Schroten, Het ambt van den predikant, van den ouderling, van den diaken, Wageningen 1937, 22-28. Haitjema citeert de rede van Wolfensberger instemmend. Th. L. Haitjema, Het ambt van ouderling, Rotterdam 1938.

33 M. Gosker Het ambt, 102. A.A. van Ruler, ‘Is er een ambt van gelovigen?’’, in: Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, 67 (1967) 3, 169-193, 188.

34 P. van den Heuvel, ‘Katholiciteit en ambt’, in: Kontekstueel 22/5 (2008), 19-22, 22.

35 H. Berkhof, ‘De lacune in het ambtsrapport van Lima’, in: In de Waagschaal, Nieuwe Jaargang 12 (1984) 22, 674-678. E.A.J.G. van der Borght, 127.

36 Het Ambtsrapport Berkhof zegt, dat de meest fundamentele zwakte in de ambtsopvatting de onduidelijkheid is van het ouderlingenambt, 48, en “Grotere helderheid over de ambtelijke status van de ouderling is dringend nodig”, 50.

37 In 1897 komt er van de Classis Alkmaar voor het eerst in de Nederlandse Hervormde Kerk een voorstel binnen om aan vrouwen het actieve kiesrecht toe te kennen. K.K. Lim, Het spoor van de vrouw in het ambt, Kampen 2001, 47. Mej K.W.J. Cremer maakte zich al hard voor het vraagstuk rond vrouw en ambt in 1902. Studente theologie A.C.E. Gerlings kwam tussen 1906 en 1913 zeven maal met het verzoek aan de hervormde synode om het predikambt open te stellen voor vrouwen. K.K. Lim, 73.

38 G. Huls, De dienst der vrouw in de Kerk. Een onderzoek naar de plaats der vrouw in een presbyteriale kerkorde, Wageningen 1951.

39 H.J. Bolkestein-van Binsbergen, Wederkerige onderworpenheid, Nijkerk 1956.

40 A.J. Rasker, De vrouw haar plaats en roeping onder de verkondiging van het evangelie, Nijkerk 1938.

41 “Wij spreken niet over een vrouwenvraagstuk, maar over de vraag naar de rechte verhouding van man en vrouw. Deze verhouding is vooral door wederkerigheid gekenmerkt.” A.J. Rasker, De vrouw in het kerkelijk ambt, Wageningen 1957, 12.

42 A.A. van Ruler, Waarom zou ik naar de kerk gaan?, Nijkerk 19714, 104.

43 H. Goedhart, Een vrouw op de kansel?, Woerden 1966. C. den Boer (ed.), Man en vrouw in Bijbels perspectief, Kampen 1985.

44 A.A. van Ruler, Marcus 14 (vervolg), 15 en 16, Kampen 1972, 151-152.

45 Apostolic Letter Mulieris Dignitatem of the supreme Pontiff. John Paul II on the Dignity and Vocation of Women, Vatican 1988.

46 Bärbel Wartenberg-Potter, Petra Bosse-Huber, Anne Dyer, Annette Kurschus, Barbara Clementine Harris, Pat Storey, Christina Odenberg, Ellinah Wamukoya, Eva Brunne, Griselda Delgado Del Carpio, Libby Lane, June Osborne, Penny Jamieson, Rachel Treweek, Victoria Matthews, Marianne Christiansen, Sofie Petersen, Judith Craig, Violet L.Fisher, Karen Oliveto, etc, https://en.wikipedia.org/wiki/List_of_ordained_Christian_women.

< Terug