< Terug

Het eigen tekort: een spiritueel taboe?

Als er één plek is waar we schaamteloos ons falen onder ogen kunnen zien, dan is het wel in het geloof. Het lucht op om tegenover God je onvolmaaktheid toe te laten.

Er rust een taboe op de eigen zwakte, het eigen tekort, de eigen fout. Daar hebben we het liever niet over. Dus vinden we allemaal trucjes uit. Eén daarvan is glashard ontkennen. Zoals mijn neefje van zes deed toen hij z’n jongere broertje van de fiets reed. Met een grote glimlach legde mijn broer me geruststellend uit dat je op deze leeftijd aan hun gezicht precies kunt zien wat er gebeurd is, en wie wat gedaan heeft.

Wie wel eens sorry zegt, weet: dat lucht op

We doen het als volwassenen ook. Wie slaagt voor zijn rijexamen, klopt zich op de schouder: goed gedaan. Maar wie zakt, wijt dat vaak aan omstandigheden waar je zelf niets aan kon doen: het regende, de douche was koud, moeders had veel te slappe koffie gezet. De psychologie noemt dat ‘externe attributie’: de oorzaak buiten jezelf zoeken. Net als ontkenning is het een vorm van zelfbescherming. Door de schuld buiten jezelf te leggen, hoef je je eigen zwakte niet onder ogen te zien.

Ook voor de samenleving en voor de kerk is het eigen tekort taboe. Het blijft moeilijk om toe te geven dat Nederland zich in zijn kolonie Indonesië soms verwerpelijk gedragen heeft. En het blijft voor kerken moeilijk om toe te geven dat niet alleen gelovigen maar ook de kerk zelf, het geheel, zondig is en gefaald heeft, bijvoorbeeld in de visie op slavernij.

God houdt het uit

Ook gelovig is het taboe om je eigen tekort te erkennen. Dat is spijtig. Want als er één plek is waar we schaamteloos ons gebrek, ons tekort, ons falen, onder ogen kunnen zien, dan is het wel in het geloof. Voor God maakt het allemaal niet zo heel veel uit. God houdt het uit met mijn gebrek: mijn te grote of te kleine geduld, mijn onhandigheid, hardheid, onvriendelijkheid. God hoopt misschien op groei, maar als dat er niet in zit, dan vindt hij dat ook goed. Gods liefde hoeven we niet te verdienen of waar te maken. Hier is Luthers getuigenis inspirerend: ik ben zondaar én gerechtvaardigd. Paus Franciscus zei iets dergelijks toen hem gevraagd werd zichzelf te beschrijven: ‘Ik ben een zondaar.’

Oefenen in aanvaarden

De traditie van de monniken en de woestijnvaders getuigt dat het spiritueel gezien weldadig is om het taboe te doorbreken en onder ogen te zien dat je onvolmaakt bent, feilbaar, kwetsbaar. Wie wel eens sorry zegt, weet dat. Het lucht op. Zo werkt het ook spiritueel. Wie in de aanwezigheid van God haar of zijn onvolmaaktheid helemaal toelaat, zonder excuses, die voelt na verloop van tijd verlichting, verlossing. Die vindt God niet in de grote idealen, boven, maar in z’n eigen, beperkte werkelijkheid, beneden. Monnik Anselm Grün schreef daarover het prachtige boekje Spiritualiteit van beneden.

Het kost wel moeite en tijd. Je moet je oefenen in ‘het aanvaarden dat je aanvaard bent’, zegt Piet van Breemen, een jezuïet die veel ervaring heeft met geestelijke begeleiding. Het is echt een kwestie van oefenen. Trainen. Je een nieuwe beweging aanleren. Van erkennen in plaats van ontkennen. Aanvaarden en onder ogen zien. En als dat lukt, nóg iets nieuws: zwijgen en wachten. Tot het zwijgen fluistert dat God er is, en je draagt.

Er rust een taboe op de eigen zwakte, het eigen tekort, de eigen fout. Taboes doorbreken doet pijn. Het schuurt. Wie het toch waagt, ontvangt de weldaad van Gods aanvaarding.

Jos Moons is jezuïet en werkt als studentenpastor en universitair docent aan de KU Leuven en als onderzoeker bij de Tilburg School of Theology.

< Terug