< Terug

Het Evangelie van Tomas in 75 jaar

Ruim 75 jaar geleden werd het Evangelie van Tomas teruggevonden. In deze bijdrage worden eerst de vondsten van de Koptische en de Griekse teksten besproken en vervolgens in vogelvlucht enkele visies die deskundigen in de afgelopen zeven decennia hierop hebben gegeven. Vooral twee kwesties komen hierbij aan de orde: kan het een gnostisch geschrift worden genoemd en in hoeverre gaat het terug op de historische Jezus?

Nag Hammadi Codex II – Het begin van het evangelie van Tomas (aansluitend bij het Apocryphon van Johannes). (beeld onbekend)
Nag Hammadi Codex II – Het begin van het evangelie van Tomas (aansluitend bij het Apocryphon van Johannes). (beeld onbekend)

De vondst van de handschriften

Afgaande op de proloog van het Evangelie van Tomas, mogen we dit geschrift zonder meer apocrief noemen, want in het Koptische handschrift is daar sprake van ‘de geheime woorden die Jezus de Levende heeft gesproken en die Didymus Judas Tomas heeft opgeschreven’. Vertalen we de Koptische term voor ‘geheim’, eigenlijk: ‘verborgen’ (ethêp), terug in het Grieks, dan wordt dat apokryphos. Deze collectie van ‘geheime’ uitspraken van Jezus was echter niet alleen verborgen omdat die term in de proloog staat en de meeste passages onbekend zijn voor wie zich beperkt tot de nieuwtestamentische evangeliën. Onbedoeld was het ook verborgen omdat de inhoud van het geschrift eeuwenlang vrijwel geheel onbekend was, op de titel en een enkel citaat na. Het was immers verborgen in een kruik die was begraven in de buurt van het Egyptische dorpje Chênoboskion (nabij het huidige Nag Hammadi), totdat die in december 1945 toevallig door een boer werd ontdekt. De kruik bevatte twaalf gebonden boeken (codices) waarin ruim vijftig geschriften waren bijeengebracht. Eén codex, later III genummerd, werd al in 1946 naar het Koptische Museum in Cairo gebracht, maar met codex II gebeurde dat pas in 1952. De Franse geleerde Henri-Charles Puech kon toen, in 1952, al één van de daarin opgenomen geschriften identificeren als het verloren gewaande Evangelie van Tomas.

Van de Egyptische autoriteiten mocht het handschrift aanvankelijk slechts door een select groepje geleerden, onder wie de Nederlander Gilles Quispel, bestudeerd worden. In 1959 verscheen in Leiden een voorlopige editie met onder meer een Nederlandse vertaling. In die jaren werd bevestigd dat in 1897 en 1903 in Egypte Griekse fragmenten van dit evangelie gevonden waren, waarvan de herkomst aanvankelijk nog onzeker of onbekend was. Wel had de Nederlandse, Lutherse predikant J.H.A. Michelsen in 1909 al betoogd dat ze bij het Evangelie van Tomas hoorden. In de jaren 1950 bleek bovendien dat diverse andere buitenbijbelse uitspraken van Jezus, die in de oudchristelijke literatuur werden geciteerd, met het Evangelie van Tomas overeenkwamen. Wellicht waren ze dus daaraan ontleend. Maar uitgerekend het enige citaat dat in die literatuur expliciet aan het Evangelie van Tomas wordt toegeschreven, in Hippolytus’ Weerlegging van alle ketterijen (van circa 230), staat niet in het Koptische handschrift. Volgens die tekst zegt Jezus:

Wie mij zoekt,
zal mij vinden in kinderen vanaf zeven jaar. Want daar, verborgen in de veertiende aiôn*, kom ik aan het licht.

*een transcendente sfeer of macht
(‘Weerlegging van alle ketterijen’ – Hippolytus)

Hippolytus verklaart dat deze spreuk in gebruik was bij de zogenoemde Naässenen, die hiermee wilden aantonen dat het koninkrijk der hemelen in de mens gezocht moest worden. De groepsnaam Naässenen verwijst naar de slang (nachasj in het Hebreeuws) in het paradijs (Genesis 3), die zij vereerden als een vertegenwoordiger van de ware, hoogste God. Volgens Hippolytus noemden zij zichzelf ook Gnostici. Hij stelt echter dat deze spreuk niet van Christus stamt, maar teruggaat op de arts Hippocrates.

Is het gnostisch?

Uit de context van Hippolytus’ citaat – dat ik hier niet zal proberen te verklaren – blijkt dat het Evangelie van Tomas door bepaalde, door hem zo beschouwde, ‘ketters’ werd gebruikt. In verscheidene andere oudkerkelijke getuigenissen klinkt een soortgelijk oordeel, of wordt alleen kortweg verklaard dat de kerk dit evangelie niet erkent. Halverwege de vierde eeuw zegt bisschop Cyrillus van Jeruzalem dat dit evangelie is ontstaan bij de Manicheeën. Dat het door volgelingen van de mysticus en godsdienststichter Mani (216-277) is geschreven, kan niet waar zijn, maar er zijn genoeg aanwijzingen waaruit blijkt dat zij zich wel op het Evangelie van Tomas beriepen. Omdat de leer van Mani verwant is met de oudere gnosis, kunnen we concluderen dat de ‘gnostische’ Manicheeën hun visies in dit evangelie herkenden. De relatie tussen het Evangelie van Tomas en de oude gnostiek blijkt ook hieruit, dat de Koptische vertaling van dit evangelie was opgenomen in een collectie van geschriften die voor het merendeel onder de noemer ‘gnostisch’ gerangschikt kunnen worden. Die categorisering staat echter al minstens 25 jaar onder kritiek, want volgens de getuigenissen van kerkvaders duidde slechts een gering aantal ‘gnostische’ groeperingen zichzelf als ‘Gnostici’ aan. Opmerkelijk genoeg komt die term in de bij Nag Hammadi teruggevonden boeken niet één keer voor. Omdat deze discussie nog niet gevoerd werd toen geleerden in de jaren 1950 het Evangelie van Tomas begonnen te bestuderen, was het destijds een reële vraag of dit geschrift ‘gnostisch’ was of niet.

Wat werd destijds dan verstaan onder de noemer ‘gnostisch’? Globaal kunnen we in allerlei tradities en geschriften vanaf het einde van de eerste tot de vierde eeuw twee kenmerken herkennen, ondanks de grote verscheidenheid die er ook was. Ten eerste gingen de groeperingen die zulke tradities en ge- schriften aanhingen ervan uit dat de ware, hoogste god geestelijk was, zuiver transcendent, met als gevolg dat hij zich niet inliet met de materie. Hij werd dan ook niet beschouwd als de Schepper van de wereld en van materiële menselijke lichamen; daarvoor waren een tweede, lagere god en zijn engelmachten verantwoordelijk. Deze tweede god gold bij sommigen als rechtvaardig zonder dat hij goed en genadig was. Andere groepen waren veel kritischer en achtten de tweede god bekrompen, dwaas, gemeen, arrogant en onwetend van de hoogste god.

De inhoud van het geschrift was eeuwenlang vrijwel geheel onbekend.

Een tweede kenmerk in de genoemde tradities en geschriften is, dat de mens niet alleen bestaat uit een vergankelijk lichaam, maar in principe ook een goddelijke ziel of geest heeft die afkomstig is van de hoogste god. Er werd in allerlei variaties een mythe verteld die verklaarde hoe dat zo gekomen was. Sofia, een dochter van de hoogste god, had zich buiten de invloedssfeer van haar Vader begeven en had daar een gedrocht gebaard dat begon de planeten en de aarde te scheppen. Met zijn engelmachten schiep dat gedrocht ook Adam, maar hij kon hem aanvankelijk niet tot leven wekken. Aan zijn moeder Sofia ontfutselde hij toen een kracht waarmee hem dat wel lukte. Die kracht was afkomstig van de hoogste god, zodat Adam een deeltje van die god in zich kreeg, en zo ook zijn nageslacht, de mensheid. In deze visie heeft de mens als levensdoel, zich van dat goddelijke deeltje bewust te worden en de gemeenschap met de hoogste god terug te vinden. Christus, diens bovenhemelse zoon, daalde in een engelgedaante op de mens Jezus neer om hem te gebruiken voor het bekendmaken van die boodschap. Die kennis heet in het Grieks gnosis. Omdat sommige groeperingen zich op grond daarvan expliciet ‘Gnostici’ noemden, hebben geleerden die term, alsmede ‘gnostisch’, in gebruik genomen voor alle groeperingen die deze of soortgelijke mythen aanhingen.

Zonder titel. Acryl op doek. Gerard van Broekhuizen, 2006.
Zonder titel. Acryl op doek. Gerard van Broekhuizen, 2006. (eigen beeld)

Na de bekendwording van het Evangelie van Tomas deed al gauw de opvatting opgeld dat het bij dit soort gnostische literatuur hoorde. Puech noemde het in 1959 een gnostisch evangelie, al meende hij tussen een orthodoxe (Griekse) en een gnostische (Koptische) versie van het geschrift te kunnen onderscheiden. In hetzelfde jaar wees ook de Fransman Jean Doresse op licht-gnostische bewerkingen in de Koptische tekst die in de Griekse manuscripten ontbraken. In 1960 verklaarden de Zweed Bertil Gärtner en de Nederlanders Rein Schippers en Tjitze Baarda dit evangelie in het licht van de destijds bekende gnostiek, al erkenden zij dat het ook joods-christelijke tradities bevatte. Zij waren lang niet de enigen die er zo over dachten. Quispel had een ander standpunt: in 1957 presenteerde hij het geschrift als een joods-christelijke bron die oorspronkelijk in het Aramees was geschreven. Een mogelijke verwantschap met de gnostiek noemde hij niet. Tot in zijn commentaar op het Evangelie van Tomas van 2004 heeft Quispel die opvatting gehuldigd. Wel onderscheidde hij daarin toen ook een Alexandrijnse bron, die ‘de middelplatonische en asketische cultuur’ van Alexandrië weerspiegelde. In die zin is zijn visie op dit evangelie opgeschoven, maar dat het Evangelie van Tomas gnostisch zou zijn, heeft hij altijd ontkend.

Waaruit zou dan moeten blijken dat het Evangelie van Tomas gnostisch was? Die indruk werd gewekt door diverse spreuken die parallellen hadden in literatuur die destijds als gnostisch werd beschouwd. Zo bijvoorbeeld deze dialoog:

50.
Jezus zei:
Als ze jullie zeggen:
waar zijn jullie vandaan gekomen? zeg hun dan: Wij zijn uit het licht gekomen,
van de plaats waar het licht uit zichzelf is ontstaan.
Het ging staan en verscheen in hun evenbeeld.
Als ze jullie zeggen: zijn jullie het? zeg dan: Wij zijn zijn zonen,
en wij zijn de uitverkorenen van de levende Vader.
Als ze jullie vragen:
wat is het bewijs dat jullie Vader in je is?
zeg hun dan: het is beweging en rust.

Die ‘ze’ uit de tweede regel kunnen worden opgevat als de engelmachten van de lagere god die de zielen wilden tegenhouden die na de dood van hun lichaam wilden opstijgen, terug naar de hoogste god, de levende Vader. Om langs die machten bij de planeten te komen, hadden ze wachtwoorden nodig, en zo’n wachtwoord luidt hier ‘het is beweging en rust’.

Gärtner gaf deze uitleg en noemde die gnostisch. Quispel beaamde in 2004 dat deze dialoog kon worden uitgelegd met betrekking tot de ‘douaniers’ bij de zeven planeten, maar daarvoor verwees hij – terecht – naar de oude Egyptische godsdienst en naar de latere Egyptische Hermetica, die met de vroegchristelijke gnostiek sterk verwant was. ‘Gnostisch’ wilde hij deze dialoog echter niet noemen, ondanks de parallellen in ‘gnostische’ werken van de tweede en derde eeuw. Voor veel geleerden, bijvoorbeeld voor Bart Ehrman, is die verwantschap reden om aan dit gesprek die ‘gnostische’ uitleg te geven, of in ieder geval die mogelijkheid open te laten. Dit standpunt deel ik. In ieder geval is het uitgesloten dat deze dialoog van Jezus zelf afkomstig is; die is hem door latere gelovigen, gnostisch of niet, in de mond gelegd.

Was het destijds een reële vraag of dit geschrift ‘gnostisch’ was of niet?
Tomas in een 'apostellepeltje'. (Beeld onbekend)
Tomas in een ‘apostellepeltje’. (Beeld onbekend)

Vanwege het debat over de afbakening van de zogenaamde gnostiek en over de zin van deze term überhaupt, is de vraag of zo’n tekst ‘gnostisch’ is minder klemmend geworden. In 2014 publiceerde Simon Gathercole een magistraal commentaar op het Evangelie van Tomas, waarin hij zich afzijdig houdt van die kwalificatie. Al eerder namen ook Roelof van den Broek en Gerard Luttikhuizen die positie in. Doorslaggevend is voor hen dat een lagere Schepper-God niet expliciet vermeld wordt – en dat ís ook zo. Wel kunnen we, met voorkennis van het gnostische ‘systeem’, het onderscheid tussen een hoogste god en een lagere godheid soms erin herkennen. Volgens de proloog van het evangelie zei Jezus: ‘Wie de uitleg van deze woorden vindt, zal niet sterven’. Je moet dus naar die uitleg op zoek gaan; de echte betekenis ligt er niet bovenop. Daarom kan dit evangelie in elk geval ‘esoterisch’ worden genoemd, omdat het pretendeert een geheim onderricht te bieden. Of men nu meent dat het Evangelie van Tomas een deels gnostische strekking heeft of niet, in het algemeen wordt de collectie de laatste tijd ergens in de tweede eeuw gedateerd; doorgaans meer in het midden of in de tweede helft van de tweede eeuw dan in de eerste decennia ervan. Hieruit volgt dat de collectie niet van de apostel Tomas zelf kan stammen. Het evangelie is dus op zijn naam gezet, zoals veel meer geschriften in de boeken van Nag Hammadi en daarbuiten aan apostelen van Jezus en andere bijbelse figuren zijn toegeschreven.

Gaat het Evangelie van Tomas terug op Jezus?

De afgelopen decennia is het Evangelie van Tomas ook wel heel anders opgevat. Ging het aanvankelijk om de vraag of deze collectie ‘gnostisch’ genoemd kon worden, sinds de jaren 1990 kwam de opvatting naar voren dat we hierin heel dicht bij het oorspronkelijke onderwijs van Jezus kwamen. Sommigen wilden het dan ook heel vroeg dateren: omstreeks het jaar 50 van de eerste eeuw. Het zou dan ouder zijn dan de nieuwtestamentische evangeliën en derhalve ook betrouwbaarder. Er werd op gewezen dat Jezus in het Evangelie van Tomas niet de verwachting wekt dat het einde van de wereld nabij was en dat hijzelf uit de hemel zou terugkeren.

Zo wordt dit wél voorgesteld in de synoptische evangeliën, die van Matteüs, Marcus en Lucas. Als ‘Tomas’ ouder zou zijn, dan zouden we kunnen concluderen dat die apocalyptische verwachting niet echt van Jezus zelf stamde en pas later aan hem was toegedicht. Jezus zou dan in de eerste plaats kennis en wijsheid hebben onderricht, zoals die door het Evangelie van Tomas geboden wordt. Het zou dan een spreukenverzameling zijn zoals de hypothetische bron Q, die volgens de theorie mede ten grondslag lag aan de evangeliën van Matteüs en Lucas. Geleerden die deze opvattingen voorstonden waren bijvoorbeeld de Amerikanen Robert W. Funk, een voorman van het befaamde Jesus Seminar (dat onderzoek deed naar de historische Jezus), en John Dominic Crossan.

In Nederland hangt de historicus Jacob Slavenburg deze vroege datering aan. Deels op grond hiervan beschuldigt hij de auteurs van de nieuwtestamentische evangeliën ervan dat zij ‘valsheid in geschrifte’ hebben gepleegd.

De opvatting dat we in het Evangelie van Tomas bij uitstek het ware onderricht van Jezus zouden kunnen vinden, heeft de laatste tijd weinig aanhangers meer. Desondanks bevat dit evangelie uitspraken van Jezus die zonder meer authentiek kunnen zijn. Enerzijds hebben allerlei spreuken parallellen in de nieuwtestamentische evangeliën, bijvoorbeeld:

Als een blinde een blinde geleidt, dan vallen ze samen in de put.

(Evangelie van Tomas 34)

Dit staat ook in Matteüs 15,14 en met een kleine variatie in Lucas 6,39. Ik zie geen reden om deze uitspraak aan Jezus te ontzeggen.

Anderzijds bevat het Evangelie van Tomas spreuken die passen bij de synoptische traditie, maar daarin niet voorkomen. Het is zeker mogelijk dat die voorheen onbekende uitspraken van Jezus op hemzelf teruggaan. Evenwel: het is onmogelijk, dit ook te bewijzen. Het blijft steeds bij een mogelijkheid. Om wat voor spreuken gaat het dan? Luttikhuizen noemt twee voorbeelden:

97.
Jezus zei:
Het koninkrijk van de Vader lijkt op een vrouw
die een kruik vol meel draagt. Toen ze nog een heel eind te gaan had,
brak het oor van de kruik af.
Het meel stroomde achter haar op de weg.
Zij wist het niet,
ze had het ongeluk niet opgemerkt.
Toen ze thuis kwam, zette ze de kruik neer
en merkte ze dat die leeg was.

en:

98.
Jezus zei:
Het koninkrijk van de Vader lijkt op een man
die een machthebber wil doden. Thuis trok hij zijn zwaard en stak het in de muur,
om te weten of zijn hand sterk genoeg was.
Toen vermoordde hij de machthebber.

De strekking van deze gelijkenissen is niet direct duidelijk, maar dat komt in de synoptische evangeliën ook voor (vgl. Matteüs 13,10-13).

Het raadselachtige Evangelie van Tomas zal ons voorlopig nog wel bezig houden. Wie zich hierbij door een echte deskundige wil laten leiden, vindt in de commentaar van Gathercole een voortreffelijke gids.

Riemer Roukema is onderzoekshoogleraar vroeg christendom aan de Protestantse Theologische Universiteit, Amsterdam en Groningen.

Literatuur

Tjitze Baarda e.a., Het Evangelie van Thomas (Zoetermeer: Meinema, 1999).

Simon Gathercole, The Gospel of Thomas: Introduction and Commentary (Leiden: Brill, 2014).

Gerard Luttikhuizen, De evangeliën van Thomas, Maria Magdalena en Judas: Vroegchristelijke esoterie en gnosis (Almere: Parthenon, 2018).

Gilles Quispel, Het Evangelie van Thomas uit het Koptisch vertaald en toegelicht (Amsterdam: In de Pelikaan, 2004).

Riemer Roukema, Het evangelie van Thomas: Ingeleid en vertaald, met de Koptische en Griekse teksten (Zoetermeer: Meinema, 2005).


< Terug