< Terug

Het goede nieuws van een gemeenschap

Leven in een gemeenschap met arm en rijk is niet altijd romantisch, denkt Frank Mulder, maar het is toch het goede leven. Zoiets als waarheen bijbelwoorden ons wijzen te gaan, Gods Koninkrijk…

Midden op een jarenzestigplein in de Utrechtse wijk Overvecht, met uitzicht op vierhoogflats, staat een voormalig winkelblokje. Het pand is vier woningen breed en twee lagen hoog. Het is net gerenoveerd, de gevel is gemaakt van tweedehands hout en veelbelovende druivenranken en andere planten klimmen naar boven. Hier woont Overhoop, een christelijke woongemeenschap, met negen kernbewoners en vijf kinderen.

Dertien jaar geleden zijn we hier komen wonen. We begonnen met een groep vrienden, maar intussen zijn we een bonte mengelmoes van jong en oud, arm en rijk, westers en oosters. We hebben een kringloopwinkel en een paar gastenkamers, waar mensen die zelf geen huis hebben een tijdje kunnen verblijven. Een spannende plek om te leren wat gemeenschap betekent!

Vanuit geloof het leven delen

Sommige mensen zeggen dat ze het zo idealistisch vinden wat we doen, maar dat is een term waar we ons niet zo in herkennen. We willen vooral een familie zijn. Of proberen te zijn. Of zoeken te zijn. We willen oefenen om ons leven te delen met elkaar en met anderen, en waar dat toe leidt zien we in de loop van het proces. Idealen zijn zelfs een beetje gevaarlijk, heb ik gemerkt, want er zijn altijd mensen die niet aan je idealen voldoen en die je als obstakel gaat zien voor een of ander zogenaamd hoger doel. Maar vanuit ons geloof het leven delen is ons doel.

Soms begrijp ik mijn huisgenoten niet en is elke huisavond een oefening in geduld en vergeving…

Het is al heel wat om door één deur te kunnen met je partner of met je kinderen, of met jezelf, laat staan met nog meer mensen daaromheen die ook nog eens heel anders zijn. Mijn vrouw en ik hebben vier kinderen en niet een groot appartement voor onszelf. De muren komen soms op ons af. Er zijn tijden dat ik mijn huisgenoten niet begrijp en dat elke huisavond een oefening in geduld en vergeving is. Er zijn momenten dat we wakker liggen, omdat iemand ruzie heeft of omdat een goede vriend weer te diep in het glaasje heeft gekeken.

En toch… toch heb ik het gevoel dat dit heel erg belangrijk voor ons is. Voor onze eigen geestelijke toestand. Ik ken verschillende vrienden die het geloof vaarwel zeggen, meestal niet omdat ze door wetenschappelijk onderzoek hebben ontdekt dat het atheïsme betere papieren heeft, maar omdat ze niet meer geloven dat het er echt toe doet om te geloven.

Wat betekent de kerk nog? Wat betekent het goede nieuws nog? Waarom zou je daar alles op zetten? Zelf kan ik ook heus wel intellectuele redenen verzinnen om te twijfelen aan het bestaan van God, maar over de betekenis en de noodzaak en onze totale afhankelijkheid van het goede nieuws van Jezus heb ik geen enkele twijfel meer, en dat komt grotendeels door mijn ervaringen hier.

Wijze mensen uit ontwikkelingslanden hebben ons wel eens uitgelegd waarom je Gods koninkrijk niet kunt zoeken als je ‘de armen’ niet bij je hebt. Zij bedoelden niet: je moet meer geld geven aan arme mensen. En ook niet: arme mensen zijn liever (dat zijn ze namelijk meestal niet). Het gaat om iets heel anders. Het gaat erom dat wij hier vaak rijkelijk bedeeld zijn met geld, privileges, opleiding en status, met de bijbehorende pretenties, en dat dat heel toevallig niet de capaciteiten zijn om Gods koninkrijk mee aan te kunnen.

Het heeft echt een geestelijk effect om af te wassen of te voetballen of te bouwen of te bidden met mensen die geen status hebben of geen bankrekening. Dan doorbreek je de natuur, de manier zoals het er in de wereld aan toe gaat. Dat doorbreekt ook je eigen natuur, waar laagjes van worden afgepeld als van een ui. Dan ontdek je waarom Jezus zoiets zei, dat je moeilijker een rijke Gods koninkrijk in krijgt dan een kameel door de brievenbus.

Het relativeert wel je eigen sores – problemen op m’n werk, wat doet het ertoe?

Mag ze een weekje logeren?

Op een dag kregen we weer eens een telefoontje, het was iemand van een kerk: ‘Er slaapt een vrouw in het park, met een kind van twee. Mag ze een weekje bij jullie logeren?’ We moesten even over het idee heen stappen dat zo’n kerk het niet zelf kan oplossen en dat wij met onze beperkte ruimte het dan weer moeten doen. Maar oké, dachten we, een weekje dan.

Het was een vrouw zonder papieren, uit West-Afrika. Het was ook wel weer mooi, het bond ons samen en een andere gastbewoonster kon ineens de rol van helper op zich nemen. Maar na een paar dagen begonnen de emoties. Ik heb wat verschillende stemmen van verschillende huisgenoten opgeschreven. ‘Dat jongetje… mijn hart brak. Als we hem maar één mooie herinnering kunnen meegeven. Zoals gisteren, toen we hem voerden bij het eten, hij stopte niet meer met lachen!’

‘Het relativeert wel je eigen sores. De problemen op mijn werk, wat doet dat er eigenlijk toe als er moeders zijn die op straat moeten slapen? In januari!’ ‘Na twee dagen begon ik me af te sluiten. Die doffe ogen, die littekens… Ik moet mezelf beschermen, ik heb ook een baan, een relatie. Ik moet grenzen stellen.’ ‘Ze bellen voor een week, maar ze zeggen maar wat. Na die week is er niks! En dan? Dan niks? Dus wij moeten haar na die week weer op straat zetten? Ik was heel erg boos, op iedereen. Dat kan toch niet?

Waarom heeft niemand ons dit verteld? Ze mag dus niet in dit land zijn? En er zijn geen organisaties voor?’ ‘Tot hoever ga je? Er verdween eten uit twee keukens. Mijn keuken! Maar ik dacht ook: ben ik echt zo ongastvrij dat iemand niet iets uit mijn keuken mag pakken?’ ‘Ik zou dit alle kerken toewensen, zulke gasten! Ieder lid een week. Dan vallen alle veilige systeempjes in elkaar. Dat zou wel een zegen zijn voor de kerk.’

Illusies en wonderen

Ons westerse geloof in maakbaarheid wordt hier wel doorgeprikt. Als we de ellende zien van zulke gasten, of ook van buurtbewoners en pleingenoten, met hun depressies, ruzies, schulden, gameverslavingen, werkloosheid en andere zorgen… het is zo uitzichtloos, daar kan een leven lang hulpverlening niet tegenop.

Er sneuvelen meer illusies. Aan je mooie christelijke woorden heb je ineens weinig, Hollandse plannen blijken niet te werken. Onze kennis, onze opleiding, het blijkt allemaal maar heel weinig waard tegenover ergernis, frustratie, onrecht of ondankbaarheid van gasten die van de straat komen en niet eens hebben geleerd om gedag te zeggen als ze een maand bij je hebben gelogeerd. Ook de gedachte dat je best wel oké bent, raak je kwijt, als iemand bij je deur een appel naar je hoofd gooit omdat hij je haat. Dan blijk je ineens meer woede in je te hebben dan je wist. Kortom: je ontdekt dat je zelf ook arm en hulpeloos bent.

Het enige wat we soms nog kunnen bidden is: God, red hen. En red ons, want wij maken er ook een potje van.

De avond mondt uit in een onverwacht dansfeest..!

En het bijzondere is: soms gebeuren er werkelijk dingen die te wonderlijk zijn voor woorden. Midden in de weerbarstige realiteit ontdekken we vleugjes van een realiteit die voller en rijker is dan we vaak durven denken. Als mensen zichzelf ineens durven aanpakken, als een slachtoffer helper wordt, als iedereen bij elkaar aan tafel zit, en iemand dan ineens een accordeon pakt en de hele avond uitmondt in een onverwacht dansfeest waar zelfs onze Somalische huisgenote aan meedoet voor het eerst van haar leven! Of als je je deur opent voor een bejaarde man met longklachten en zonder papieren, die nooit en te nimmer een verblijfsvergunning zal krijgen, en je vraagt je af hoelang dít nu weer gaat duren, en er dan ineens een oudere kerkelijke dame opduikt, uit een welgestelde wijk, die zegt: ‘Ik ben weduwe en woon helemaal alleen in een groot huis, zou het niet wat zijn als die meneer bij mij op zolder komt wonen?’ Dat soort wonderen maken we mee, en meer ook nog.

De kerk als gemeenschap

Je hoeft natuurlijk niet bij elkaar in huis te wonen om in gemeenschap te leven. De kerk is bij uitstek een leefgemeenschap. Bij ons is dat de buurtkerk, een groep mensen uit verschillende culturen die op zondag samenkomen in het buurthuis, en doordeweeks bij ons en op andere adressen. Ook in de kerk moeten we afstand doen van onze privileges.

Als blijkt dat sommige groepen niets aankunnen met de liedjes waar je zo van houdt, met de mooie woorden die je hebt geleerd. Als blijkt dat je eigenlijk altijd de helper wil zijn, maar dat je daarin vastloopt. Er komen mensen op je af die een moeilijk verleden hebben, mensen met trauma’s en wantrouwen, mensen die roddelen en ons soms ook boos verlaten. En op andere dagen zit je ineens weer met blanke kerkelijke mensen bij elkaar en lijken al je pogingen om multicultureel te zijn te falen. Ook dat hoort erbij. Ik denk dat de kerk alleen kan vruchtdragen waar de pretenties zijn verdwenen.

Het gaat in het Koninkrijk niet om goed worden, maar om vrij worden!

Het goede leven

En toch denken we ook heel vaak: dit is het goede leven. We hebben meer frustraties en tranen dan tevoren, maar ook meer muziek en taart, en diepe vriendschappen in de hele wijk met mensen uit allerlei achtergronden. Alleen dat al is een wonder. We delen auto’s, we delen spullen, een dorp midden in de stad. En om de haverklap vieren we feest, omdat er iemand jarig is, of een verblijfsvergunning heeft gekregen.

Ik vertel mijn verhaal wel met enige schroom, omdat het de indruk kan geven dat wonen in een gemeenschap of kerk-zijn in een achterstandswijk een moreel beter leven is waar ieder goed christen voor zou moeten kiezen. Dat is ook waarom sommige mensen zeggen dat we ‘goed’ zijn. Zoals ook de rijke jongeling Jezus ‘goed’ vond en wilde weten hoe hij dat ook kon worden. Helaas. Het gaat in het koninkrijk niet om goed worden, maar om vrij worden. En dat kun je alleen maar leren in gemeenschap.

Ik zie de kerk als die gemeenschap, als familie, om te oefenen voor het grote banket op de berg Sion, uit Jesaja 25, waar we naast mensen van alle naties en talen zullen zitten, mensen die allemaal anders ruiken en andere dingen koken en die je moeilijke woorden niet begrijpen, omdat ze allemaal een andere opleiding gehad hebben en soms zelfs recht van de straat zullen komen. Als we daarvoor willen oefenen dan is een zoomviering op zondag niet genoeg!

Frank Mulder is journalist voor o.a. De Groene Amsterdammer en auteur van De Geluksmachine. Hij woont met zijn vrouw en kinderen in de woongemeenschap Overhoop in Utrecht.

< Terug