< Terug

Het huwelijk opnieuw bekeken. Over christelijke verbeeldingskracht in een landschap van veranderende partnerrelaties

De kwestie van wat vaak het ‘homohuwelijk’ wordt genoemd, is weer terug op de agenda van de synode van de Protestantse Kerk in Nederland. De term homohuwelijk is niet juist, aangezien er voor de wet maar één huwelijk is dat sinds 2001 ook is opengesteld voor paren van hetzelfde geslacht. In de kerk staat de vraag ter discussie of het al dan niet toelaatbaar is om een huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen kerkelijk (in) te zegenen. De discussie leek in 2004 te zijn afgesloten met het moeizaam bereikte compromis van Ordinantie 5.3 en 5.4 van de Kerkorde, maar initiatieven vanuit drie classes en vanuit VVP (Vereniging van Vrijzinnige Protestanten), LKP (Koepelor-ganisatie voor de christelijke LHBT-beweging) en de predikantenbeweging Op Goed Gerucht hebben de kwestie weer aangekaart bij de synode. Zij kun-nen niet aanvaarden dat er in de huidige regeling ongelijkheid blijft bestaan tussen een huwelijk van mensen van verschillend geslacht en van hetzelfde geslacht. In de novembervergadering van 2017 is de synode verkennend begonnen met luisteren naar verhalen van enkele kerkelijk actieve homo’s en met persoonlijk getinte gesprekken in kleine groepen. Het moderamen koos ervoor besluitvorming ten aanzien van Ordinantie 5 uit te stellen tot later datum.

In mijn bijdrage wil ik de kwestie ‘homohuwelijk’ niet geïsoleerd bena-deren, alsof het de kerk alleen maar daarom zou moeten gaan. We moeten dieper peilen. De vragen ten aanzien van kerkelijke zegening van relaties betreffen niet alleen het huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht, maar het hele veranderende landschap van partnerrelaties in Nederland. Hetero of homo is maar één aspect van dat ingrijpend veranderende landschap, en we zullen zelfs zien dat de belangrijkste veranderingen dwars door deze onder-scheiding heengaan. De diversiteit aan relatievormen is de laatste decennia in de samenleving enorm toegenomen en vormt een uitdaging voor kerk en theologie. Hoe kan en wil de kerk omgaan met de maatschappelijke ontwik-kelingen op dit terrein?

Ik wil beginnen met het schetsen van de belangrijkste trends in rela-tieen partnerschapsvormen in de laatste decennia in Nederland. Daarvoor ga ik te rade bij sociaaldemografisch onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek en een analyse en eerste duiding daarvan door sociaal-wetenschappers. Daarna wil ik vragen naar wat deze ‘harde’ empirische gegevens betekenen voor kerk en theologie. Ik presenteer een beschrijving van het veld aan vragen waar kerk en theologie zich voor gesteld zien, wat de reikwijdte ervan is en wat we er in een eerste blik over kunnen zeggen. Ten slotte geef ik een inhoudelijke theologische voorzet aan de hand van het denken van de Britse theologe Susannah Cornwall. In haar nieuwste boek Un/Familiar Theology: Reconceiving Sex, Reproduction and Generativity (2017)1 neemt ze de handschoen op en gaat de uitdaging aan om vanuit ver-anderende sociale realiteiten de christelijke visie op huwelijk, ouderschap en gezin constructief te herzien. Ze doet voorstellen om met vertrouwen en verbeelding in te gaan op nieuwe vormen en ze te zien als mogelijkheden om bij te dragen aan het goede leven voor allen.

Sociaaldemografische trends in Nederland

Nederlanders trouwen minder en gaan vaker een geregistreerd partnerschap aan. Dat blijkt uit de jongste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statis-tiek (augustus 2017).2 Een geregistreerd partnerschap, wettelijk ingevoerd in Nederland op 1 januari 1998, is niet hetzelfde als een samenlevingscontract; het impliceert een civiele status en geeft vrijwel dezelfde rechten en plich-ten als een huwelijk. Bijna een op de vijf paren die in 2016 een verbintenis aangingen, koos voor het geregistreerd partnerschap. Tien jaar geleden was dat nog een op de tien. De afgelopen jaren is het aantal huwelijkssluitin-gen vrij stabiel gebleven rond de 65.000. Maar een vergelijking met 1970 laat een duidelijke neerwaartse trend zien. In 1970 trouwden 108.217 paren, tegen 65.249 in 2016. De trend in geregistreerd partnerschap is opwaarts. De 15.706 geregistreerde partnerschappen in 2016 waren er ongeveer 3000 meer dan in 2015 (12.772) en ongeveer 2000 meer dan in 2014 (10.363).

Onder homoparen bestaat er meer belangstelling voor het geregistreerd partnerschap dan onder de heterorelaties.3 Van de man-man relaties kozen 665 stellen voor het huwelijk en 286 voor het geregistreerd partnerschap. Bij de vrouw-vrouw relaties ligt de verhouding ongeveer gelijk: 771 stellen hadden voorkeur voor het huwelijk en 330 voor een geregistreerd partner-schap. Sociaaldemograaf Jan Latten, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, merkt naar aanleiding van deze cijfers op dat geliefden ‘rationeler’ zijn geworden in het aangaan van verbintenissen. Immers, geregistreerde partnerschappen zijn juridisch gezien vrijwel gelijk aan het huwelijk. Het verschil zit volgens hem met name in de symboliek: ‘Trouwen gaat om een feest, een jurk, koetsen. Een geregistreerd partnerschap is een rationele han-deling. Het symbolische gegeven van een ja-woord ontbreekt bijvoorbeeld.’4

Samen met collega Clara H. Mulder heeft Latten in 2013 de belangrijk-ste trends in partnerrelaties in Nederland geanalyseerd.5 In 1986 spraken sociaaldemografen D.J. van de Kaa en R.L. Lestaeghe al van een ‘tweede demografische transitie’.6 De eerste viel samen met het opkomen van de in-dustriële samenleving. Als kenmerken van de tweede demografische transitie die zich in de jaren tachtig van de vorige eeuw manifesteert, zien Van de Kaa en Lestaeghe diepgaande veranderingen in partnerschapsvorming, in partnerschapsbeëindiging/echtscheiding en in ouderschap. In het hart van de transitie bevindt zich een de-institutionalisering van het gezinsleven, als een overgang van het burgerlijk gezinsmodel met de man als kostwinner naar het individualistisch gezinsmodel. Latten en Mulder onderzochten of en hoe deze transitie zich de laatste decennia doorzet.

Ze keken naar de trends in partnerrelaties, en verstaan onder partner-relaties ‘alle intieme relaties tussen twee partners van hetzelfde of verschil-lend geslacht, ongeacht of ze samenleven’. De onderzoekers wijzen erop dat veranderingen in demografisch gedrag nooit op zichzelf staan maar samen-hangen met onder andere economische veranderingen (zoals de toegeno-men deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt), culturele veranderingen (zoals een toename van secularisatie en individualisme), en technologische veranderingen (zoals vruchtbaarheidstechnieken die het mogelijk maken ouderschap los te koppelen van heteroseksuele partnerschappen). Latten en Mulder signaleren dat in cultureel opzicht, als uitvloeisel van de individua-lisering en ont-traditionalisering, partnerschap nu omschreven kan worden als ‘pure relationship’. Intimiteit en emotioneel commitment van de partners zijn de cruciale waarden geworden voor een goede relatie, waarbij er tevens een gelijkwaardige interactie tussen de partners moet zijn.7 Bij deze ‘zuivere relatie’ horen ook nieuwe normen. Mensen van nu vinden dat elke relatie gebaseerd zou moeten zijn op een sterke emotionele basis. Als er barsten in de emotionele fundering komen zijn echtscheidingen gelegitimeerd.

Beide sociaaldemografen constateren dat trends die in de jaren 1980 al zicht-baar werden, zich voortzetten. Er is een afnemende trend om te trouwen, ter-wijl ook de gemiddelde leeftijd voor het eerste huwelijk stijgt. Voor mannen steeg die leeftijd van 25 jaar in 1970 naar 33 jaar in 2009, voor vrouwen van 23 jaar in 1970 naar 30 jaar in 2009.8 Dat er voor homostellen sinds 2001 de wettelijke mogelijkheid is gekomen om een huwelijk te sluiten, buigt deze algemene neerwaartse trend van het huwelijk niet. Slechts 20 procent van de 57.000 samenwonende homostellen was getrouwd in 2010. En, zoals de CBS cijfers van 2017 ook laten zien, de keuze voor het geregistreerd partnerschap stijgt onder heterostellen en blijft geliefd onder homostellen. Vooral oudere heteroen homoparen hebben een voorkeur hiervoor. Bij de heteroparen speelt een rol dat eerder getrouwde (en gescheiden) mensen soms weerstand hebben tegen opnieuw trouwen.

Opvallend is een trend onder ongehuwd samenwonenden, met name onder de oudere leeftijdsgroep. Van de ouderen die samenwonen (statistische gege-vens zijn bekend voor de leeftijdscategorie 50- tot 62-jarigen maar het geldt vermoedelijk ook daarboven)9 heeft meer dan 80 procent geen trouwplan-nen. Driekwart van hen meent dat een huwelijk niets toevoegt aan hun part-nerschap. Vaak hebben ze voor het samenwonen wel een wettelijk contract gemaakt, wat iets anders is dan een geregistreerd partnerschap dat de civiele status van een partner impliceert evenals wederzijdse rechten en plichten. Voorts kiest een groeiende groep mensen boven de 40 jaar die eerder met een partner hebben samengeleefd voor een latrelatie (Living Apart Together). Als reden wordt onder meer gegeven: men wil vrijheid behouden (meer dan 50 %), vanwege kinderen uit eerdere relatie (10 %), of vanwege slechte erva-ringen in het verleden (10 %).

Huwelijk: een optie onder meerdere opties

De cijfers laten volgens Latten en Mulder een duidelijk beeld zien. Het hu-welijk heeft zijn traditioneel dominante functie voor het samenleven als paar verloren, het is een optie te midden van andere opties geworden. Het huwelijk heeft ook zijn dominante functie als voorwaarde voor ouderschap verloren. In 2010 werd meer dan de helft (!) van alle eerstgeboren kinderen geboren buiten een huwelijkse relatie. Het aantal ouders dat ook bij hun tweede en derde kind ongetrouwd blijft, neemt toe.10 Mensen blijken een groeiende diversiteit aan betekenissen aan het huwelijk te hechten. Naar de timing van ouderschap kan er bijvoorbeeld onderscheiden worden tussen gezinsvormen-de huwelijken (voorafgaand aan eerste geboorte), legitimerende huwelijken (na eerste ouderschap), her-bekrachtigende huwelijken (ergens na eerste ou-derschap), en sluitstuk huwelijk (nadat gezinsvorming compleet is).11

Samenvattend stellen Latten en Mulder dat de tendens tot de-institutionalisering van het gezinsleven zich duidelijk voortzet, met als nieuwe trends een toename van mensen voor wie ongehuwd samenwonen een lange termijn-optie is, een toename van latrelaties, en een toename van kinderen die bij samenwonende stellen geboren worden. Er is sprake van een diversificatie van formele partnerschapsarrangementen: naast het huwelijk kan gekozen worden voor geregistreerd partnerschap en samenwooncontracten. Er is een groeiende overeenkomst tussen heteroen homoparen in het formaliseren van hun partnerschappen. Voor beide groepen gaat het om een keuze tus-sen opties: huwelijk, geregistreerd partnerschap, samenwonen met of zonder contract, of latrelatie. Op het vlak van ouderschap is er ook een diversificatie gaande: men heeft kinderen van zichzelf, van partners, van spermadonoren of door adoptie.

De beide sociaaldemografen zien dat één ding onveranderd blijft: de meeste mensen willen graag een partnerrelatie en de meeste kinderen worden geboren in een samenlevend partnerschap, in welke vorm dan ook. Voor de toekomst verwachten zij dat als de secularisering, individualisering en ‘pure relationship’ aan belang blijven winnen, mensen steeds meer zullen kiezen voor relaties wanneer zij winst zien op emotioneel vlak en zullen scheiden als de emotionele waarde van een relatie niet meer beantwoordt aan hun verwachtingen. Het gevolg zal zijn een toename in het uitstellen van een vaste partnerrelatie, een toename van het aantal scheidingen, en een toename in alleen wonen. Ook kan het leiden tot hoogst geïndividualiseerde vormen van partnerschap: ‘commuter partnerships’ (pendelpartnerschappen).12

Uitdagingen voor kerk en theologie

Dit zijn de ontwikkelingen die we kunnen waarnemen in onze samenle-ving. Er zijn geen statistische differentiaties bekend die er zicht op geven in hoeverre deze trends ook te vinden zijn onder mensen met een kerkelijke of religieuze affiliatie. Uit eigen waarneming weet ik wel dat een diversiteit aan partnerrelaties ook binnen kerkelijke gemeentes te vinden is, zeker in de breedte van de Protestantse Kerk. Het huwelijk is al lang niet de enige optie meer. Samenwonen of een latrelatie komt veel voor, niet alleen onder twintigers en dertigers, maar-en dat is opmerkelijk-ook onder ouderen, met name onder mensen die na een eerste (ontbonden) huwelijk of na het overlijden van hun echtgenoot of echtgenote opnieuw een partnerrelatie aan-gaan. Hun alternatieve relatievorm levert meestal geen problemen op in de kerkelijke context. Velen van hen zijn gerespecteerde en gewaardeerde vrij-willigers in het kerkenwerk. Voorts wordt ook onder kerkelijk geaffilieerde stellen gescheiden en ontstaan nieuwe, samengestelde gezinnen waarbij lang niet altijd tot een huwelijk wordt overgegaan. En ook in kerkelijke kringen is een diversificatie van ouderschap gaande. Er zijn heteroen homostellen die kinderen krijgen met tussenkomst van spermadonoren of vruchtbaarheids-technieken, of door adoptie.

Meer dan dat we dit alleen maar constateren zullen we verder moeten vragen: voor welke uitdagingen stellen deze veranderende sociale realitei-ten kerk en theologie en tot welke aanzetten van hernieuwde theologische reflectie leidt het? In het volgende maak ik een inventarisatie van vragen en aandachtspunten die om nader onderzoek vragen. Op één punt ga ik in dit artikel meer uitvoerig in omdat het zo direct samenhangt met de discussie rondom het ‘homohuwelijk’: de vraag naar de status en betekenis van het huwelijk in de protestantse theologie.

Een eerste belangrijke vraag is of kerk en theologie deze ingrijpende veranderingen in sociale patronen waarnemen, de urgentie ervan beseffen, en toegerust zijn om mensen van vandaag van dienst te zijn met verhelde-rende en richtinggevende reflectie. Naar mijn mening is theologisch bezig zijn met de vragen naar seksualiteit en de ordeningen daarvan in onder andere partnerrelaties een eminente taak van publieke theologie. Nieuwe vormen van relatie, ouderschap en gezin moeten onder ogen worden gezien met pastorale en theologische sensitiviteit. Deze ontwikkelingen betreffen een publieke, politieke zaak: het gaat om de inrichting van onze samenleving en het welzijn van mensen, en het gaat ook altijd over hoe macht werkt, wie of wat de normen bepaalt en hoe mensen daarbinnen meer of minder tot hun recht komen. Kerk en theologie zijn geroepen hierover mee te denken, hun bronnen en tradities te ontsluiten en kritisch te bevragen om mensen te helpen richting te vinden in het morele en politieke debat.

Ten tweede is het zaak moed op te brengen om de vragen te erkennen en verschillen in visie niet te verdoezelen. Hoe kunnen we het gesprek aangaan als christenen, als kerken? Wat is het oecumenisch belang, ook binnen de bandbreedte van de Protestantse Kerk? Misschien wordt de urgentie wel gevoeld maar er lijkt een angst te zijn om de vragen werkelijk op de agenda te zetten. Nadat de discussie over het kerkelijk homohuwelijk geleid had tot het compromis van Ordinantie 5 in de Kerkorde, werd het in de Protestantse Kerk angstwekkend stil rond seksualiteit, huwelijk en relatievorming.13 De lieve vrede bewaren werd een hoger goed. De Protestantse Kerk staat hier echt niet alleen in. Ik neem sinds 2016 deel aan een breed samengestelde stu-diegroep van de Wereldraad van Kerken over het thema ‘Human Sexuality’. Het is onze opdracht om een studiedocument te schrijven dat het gesprek in en tussen de kerken over alle aspecten van menselijke seksualiteit mogelijk moet maken en stimuleert. Een bekend heet hangijzer in de globale oecumene is de kwestie homoseksualiteit of beter: seksuele diversiteit. Maar het gaat net zo goed over seksueel geweld en misbruik, over het uithuwelijken van heel jonge meisjes, en het degraderen van seks tot een consumptiear-tikel. Te vaak zien we dat verschillende posities ten aanzien van seksuele diversiteit leiden tot verwijdering en polarisatie, zelfs tot het verbreken van onderlinge relaties tussen kerken. De oecumene loopt schade op. Maar ooit is de oecumene begonnen vanuit het motto: dichter bij Christus, dichter bij elkaar. We moeten oecumenische moed opbrengen om de heikele thema’s aan te snijden. Kunnen we elkaar vasthouden en het gesprek blijven voeren als pelgrims onderweg naar vrede en gerechtigheid?14

In de derde plaats zullen we het moeten hebben over de bronnen en hun autoriteit, zowel binnen de Protestantse Kerk als in de wereldoecumene. Welke bronnen gebruiken we voor de theologische en ethische reflectie op seksualiteit en partnerrelaties? Schrift, traditie, rede en ervaring worden in oecumenische documenten erkend als informatieve bronnen voor christelijk moreel beraad, bijvoorbeeld in Moral Discernment in the Churches (2013), een studiedocument van de Commission on Faith and Order van de Wereld-raad van Kerken. De vraag is natuurlijk hoe kerken, groepen en confessionele stromingen binnen het christendom de verhouding tussen de vier bronnen bepalen. Waar leggen we de autoritatieve accenten? Hoe navigeren we tussen de bronnen om moreel richting te vinden in de vragen van seksuele diversi-teit, huwelijk, partnerschap, genderverhoudingen, gezin? In het onderlinge gesprek zullen we dat transparant moeten maken.

In de vierde plaats is er een hernieuwde bezinning nodig op hoe de vragen van seksualiteit en partnerschap het wezen van de kerk raken. Wat is de roe-ping en identiteit van de kerk? Vaak probeert de kerk in en via deze morele thema’s haar verloren gegane macht in de samenleving weer te claimen. Ze hangt de morele autoriteit uit. Of ze durft bijna niets meer te zeggen vanwege haar kwalijke repressieve en moralistische rol in het verleden. Ik versta de roeping en identiteit van de kerk veel meer als het geweten van de samen-leving, niet vanuit een positie van macht maar van luisteren naar stemmen vanuit de marge. Luisteren naar deze stemmen zal inhouden dat er gruwe-lijke verhalen meekomen van geweld, aanranding, verkrachting, wettelijke en sociale discriminatie en andere schendingen van menselijke waardigheid. En ook verhalen van mensen die niet vragen om pastorale aandacht voor of zegening over hun relatie omdat de kerk partnerschapsvormen als die van hen nog steeds niet op het netvlies heeft.

Een christelijke gemeenschap die vanuit een kenotische houding relatie zoekt met diverse mensen in de marge zal in die ontmoetingen bemoedigd worden om een passender pastoraal en spiritueel antwoord te geven op he-dendaagse worstelingen rond seksualiteit en partnerschap. De vragen van seksualiteit en partnerschap raken ook het wezen van de kerk omdat ze inherent een gemeenschap is die door body language wordt bepaald, als het Lichaam van Christus, en verbonden is en groeit door het delen in zijn lichaam en bloed. De lichaamsmetaforen zijn niet toevallig. Het is ter zake om de kerk een ‘seksueel wezen’ te noemen dat verlangt naar gemeenschap met God en de wereld, en onze eigen seksualiteit en liefdesverlangen mee te nemen en in te brengen in ons deel zijn van het lichaam van Christus.

Vragen die verder dringen tot nader pastoraal en theologisch onderzoek betreffen de zegen: wat doet de kerk als ze in Gods naam mensen zegent, en welke liefdesrelatie is de zegen waard? Daarmee verbonden zijn de vra-gen: wat kan vanuit een christelijke visie als een waardevolle liefdesrelatie gelden? En hoe geeft de gesignaleerde trend van partnerschap als ‘pure relationship’, ofwel een relatie die staat en valt met emotionele satisfactie, de theologie te denken?

Een bijzondere status van het huwelijk?

Aan de vraag naar wat vanuit een christelijke visie als een waardevolle lief-desrelatie kan gelden besteed ik afzonderlijk aandacht. Het betreft hier de vraag naar de exclusiviteit van het huwelijk van man en vrouw. Als het gaat om kerkelijke reacties op de sociale veranderingen in het veld van partner-relaties en ouderschapsvormen zijn er in de praktijk binnen de Protestantse Kerk grofweg drie verschillende posities te onderscheiden:

a. Pal staan voor één vorm van partnerrelatie die exclusief is en door God gewild: het huwelijk van man en vrouw, met voortplanting niet als het enige maar wel als een wezenskenmerk (Gereformeerde Bond).15

b. Naast het huwelijk ook andere vormen van partnerrelatie erkennen en theologisch waarderen, maar het huwelijk tussen man-vrouw blijft de standaard, en andere vormen zijn varianten daarop (Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, 2004).

c. Theologisch erkennen dat er verschillende vormen van partnerrelatie en ouderschap mogelijk zijn, waarin mensen kunnen liefhebben en hun ver-antwoordelijkheid voor elkaar nemen, en die in principe gelijkwaardig zijn (VVP, LKP, Op Goed Gerucht).

Welke richting wijst de protestantse traditie ten aanzien van het huwelijk? Welke oriëntatie geeft ons dat in deze vragen? Voor de Rooms-Katholieke Kerk en Oosters-Orthodoxe kerken is het huwelijk een sacrament, een god-delijke instelling; het heeft een status a priori en is met de schepping gege-ven. Met de Reformatie veranderde veel. Het huwelijk was misschien wel het meest revolutionaire speerpunt van de Reformatie.16 In de landen die overgingen tot de Reformatie, veranderde de wetgeving ten aanzien van het huwelijk. Het werd een soort embleem voor de beweging.

De reformatoren ageerden tegen de verkerkelijking en sacralisering van het huwelijk in de katholieke kerk van de Middeleeuwen. De kerk had een monopoliepositie gekregen in wetgeving en rechtspraak ten aanzien van het huwelijk. De hele seksualiteit kwam onder controle van de kerk. Het huwelijk als sacrament (sinds de twaalfde eeuw) betekende: het huwelijk dat man en vrouw aan elkaar voltrekken met de priester als getuige is een middel van genade. Al hief het huwelijk met als doel de voortplanting als het ware de zondige aspecten van de seksualiteit op, het celibataire leven hield een ho-gere geestelijke status. Luther, Calvijn en andere reformatoren haalden het huwelijk weg uit de jurisdictie van de kerk en brachten het onder de overheid. De kerk moest zich heel bescheiden opstellen ten aanzien van deze zaken. Zij mocht in aangelegenheden van intieme menselijke relaties niet over de gewetens heersen.

Voor Luther was het huwelijk ‘ein äusserlich, weltliches Ding’. Tegelijk ziet hij, met een beroep op Genesis 2:24, het huwelijk als een goddelijke stand, een ordening die door de Schepper zelf is ingesteld en gezegend. Luther heeft het huwelijk zelfs zo hoog dat hij het tot een gebod maakt. Zijn redeneertrant is niet vrij van naturalisme. Op de achtergrond van Luthers waardering van het huwelijk staat een waardering van seksualiteit als een goddelijke gave, voor man en vrouw. De kerk moet niet aan regelgeving doen ten aanzien van het huwelijk. In principe worden huwelijken voor de overheid gesloten, buiten de kerk. In de praktijk gebeurde het in Luthers tijd op de drempel van de kerk door een predikant, die hier handelde als repre-sentant van Gods regiment over de wereld, niet over de kerk. De taak van de kerk ten aanzien van het huwelijk zag Luther beperkt tot gebed en zegen voor het trouwpaar, pastorale begeleiding in tijden van crisis, en het onder-richt in de waarheid van de Schrift zodat de overheid tot goede wetgeving kan komen.

Ook bij Calvijn valt regelgeving met betrekking tot het huwelijk onder de overheid als dienares van God. In de traditie van Calvijn wordt het ver-bondskarakter van het huwelijk benadrukt. De huwelijkse relatie van man en vrouw weerspiegelt het verbond tussen God en zijn volk, en tussen Christus en de gemeente. Calvijn noemt het huwelijk een goede en heilige ordinan-tie van God. Maar hij relativeert het aanzienlijk wanneer hij stelt dat de landbouw, het schoenmakersambacht of de barbierskunst dat ook is. Bij de huwelijkssluiting wil Calvijn geen kerkelijke bevestiging met handoplegging. Het bevestigen (dat wil zeggen: ratificeren, rechtskracht verlenen) is een zaak van de overheid. In de kerk ontvangt het trouwpaar slechts een votum, een toebidden van de Heilige Geest.

De typische huwelijksviering in de calvinistische kerken in Nederland krijgt het karakter van een gebed. Lastig is dat de kerken, ook na de invoe-ring van het burgerlijk huwelijk in de Franse tijd, hardnekkig blijven spreken van een kerkelijke bevestiging van het huwelijk. Feitelijk is het alleen de overheid die het huwelijk bevestigt, ratificeert.

De verwarring rondom wat de kerk nu eigenlijk doet, sluipt ook binnen in de terminologie van ‘inzegenen’. De Synode van de Nederlandse Hervormde kerk verklaarde in 1938/1939 dat het inzegenen meer is dan het vragen om een zegen: het is het huwelijk sanctioneren waardoor de kerken-raad medeverantwoordelijk wordt. Ook in de Gereformeerde kerken blijft de onhelderheid bestaan ten opzichte van de kerkelijke bevestiging van het huwelijk. In de kerk, zo was en is de opvatting bij veel mensen, gebeurt het ‘eigenlijke’ van het trouwen. De lutherse theoloog Eddy Hallewas schrijft hierover: ‘de opvatting van het “bevestigen” van het huwelijk in de kerk is als een middeleeuwse zwerfkei in de liturgie voor de huwelijksinzegening terechtgekomen.’17 ‘Inzegenen’ betekent in feite, als we het vergelijken met een woord als inluiden, ‘doen beginnen door te zegenen’, het begin markeren door te zegenen. Juridisch klopt de term niet, want het huwelijk is al begonnen, namelijk met de bevestiging door de overheid.

Het Nederlandse protestantisme en onze huidige Protestantse Kerk houdt met ‘bevestigen’ en ‘inzegenen’ vast aan een pseudo-sacramentele visie op het huwelijk. De vraag is waarom dit zo hardnekkig is. Wil de kerk hiermee een bepaalde macht handhaven? Is het een door kerkpolitieke motieven in-gegeven omzichtigheid om de behoudende vleugel erbij te houden? Moet met een pseudo-sacramentele huwelijksvisie heteroseksualiteit als meer ‘heilig’ dan andere vormen van seksualiteit apart worden gezet en verheerlijkt? Of duidt deze zwerfkei op een niet te stillen positieve sacramentele gevoelig-heid? Dit is voor mij echt een punt voor discussie: zien we als protestanten af van elke sacramentele betekenis van seksualiteit, huwelijk en partnerschap, of hebben we indertijd met het badwater het kind weggegooid? Ik bedoel niet het handhaven van de pseudo-sacramentele visie op het huwelijk die nu vigeert. Maar zouden we hernieuwd kunnen vragen naar de sacramentele dimensie van intieme en seksuele menselijke relaties?

Theologisch meebewegen met sociale veranderingen

Is het huwelijk een scheppingsordening, een goddelijk gebod, heeft het een status a priori, kunnen we het uit de natuur zelf aflezen? Op grond van de antwoorden op deze vragen voltrekt zich meestal de waterscheiding tussen conservatieve en liberale posities van kerken en binnen kerken. Misschien kunnen we beter zeggen: conservatieve en progressieve groepen gebruiken deze vragen om hun eigen positie en identiteit te markeren en vaak die van de ander te demoniseren. Iemand die in het debat nieuwe wegen wijst is de Anglicaanse theoloog Susannah Cornwall.18 Zij meent dat als het huwelijk een ‘stabiele’ natuur heeft dan is het precies het vermogen ervan om te rea-geren op sociale en theologische veranderingen.

Instituties als huwelijk, ouderschap, gezin zijn volgens Cornwall voort-durend in the making and in the remaking. Het huwelijk van man en vrouw zoals we dat nu kennen, is helemaal niet een ‘in alle tijden vanzelfsprekende leefvorm’. Het instituut huwelijk, evenals gezin en ouderschap, kent door de tijden heen grote veranderingen. Het huwelijk met juridische gelijkheid van man en vrouw zoals wij dat nu kennen is nog maar van heel recente datum. Het is niet te vergelijken met bijvoorbeeld het polygame huwelijk van de aartsvaders, of met polygame huwelijksvormen die in sommige culturen ook nu bestaan. Het huwelijk is eeuwenlang vooral gebruikt om ‘eigenaarschap’ van mannen over vrouwen en kinderen te regelen. Dezen stonden juridisch op hetzelfde niveau als het vee. Ze waren bezit van de man. Ze waren aan zijn macht onderworpen. Al veranderde dit in de overgang naar de vroegmo- derne tijd, de rechtspersoonlijkheid van volwassen vrouwen bleef door het huwelijk aanzienlijk beperkt. De gelijkwaardigheid die we nu kennen, het partnerschapshuwelijk, is nog maar ongeveer een halve eeuw oud.19

Cornwall wijst erop dat als men spreekt over het huwelijk als een ‘orde-ning in de schepping’ men hiermee suggereert dat het iets van alle tijden is. Maar de geschiedenis spreekt dat tegen. We kunnen nuchter erkennen dat de instituties huwelijk, ouderschap en gezin veranderlijke grootheden zijn. Mensen maken instituties en zij vormen ons op hun beurt. Volgens Cornwall mogen we het gerust als een gave van God zien dat er instituties zijn zoals het huwelijk, die het leven en samenleven kunnen beschermen en bevorderen. Maar we moeten wel voor ogen houden dat het huwelijk niet uit de hemel is neergedaald. Mensen zijn geroepen om verantwoordelijk medeschepper met God te zijn. Zo gaan ze ook scheppend om met een samenleefvorm als het huwelijk.

Kerken of theologen die het huwelijk van nu zien en zeggen: ‘Zo is het altijd geweest,’ doen aan oorsprongsideologie. Ze vergoddelijken een oor-sprong. Ze doen een beroep op een ordening die God in de natuur gelegd zou hebben, maar pleiten in feite voor een tijdgebonden vorm. Er zit ook iets tegenstrijdigs in, merkt Cornwall fijntjes op. Als het huwelijk een natuurlijke vanzelfsprekendheid is, die iedereen, ook ongelovigen, gewoon uit de natuur zouden kunnen aflezen, waarom is de kerk dan toch zo fel en verbeten in haar verdediging ervan? In plaats daarvan stelt ze voor te vragen naar de waarden en het goede dat via instituties als huwelijk en gezin worden door-gegeven. Men kan denken aan bescherming van kinderen en aan het welzijn en bloei van individuen. Zou dat niet ook gediend kunnen worden in andere relatievormen die zich in onze samenleving hebben uitgekristalliseerd?

Theologen die voortplanting als wezenlijk kenmerk van seksualiteit zien en daarvan de pijler maken voor het heteroseksuele huwelijk, houdt ze voor: is seks altijd voortplantend? Ook tussen man en vrouw vaak niet. Het valt er in ieder geval niet mee samen. En verder: voortplanting is vruchtbaar, maar vruchtbaarheid, generativiteit is veel meer dan voortplanting. Christelijk leven gaat volgens Cornwall om een vruchtbaar zijn in liefde voor anderen, zorg en verantwoordelijkheid op je nemen voor kwetsbare mensen en hun toekomst, en zo ‘geboorte geven aan Christus’ in onze menselijke relaties, wat zich veel verder uitstrekt dan biologische reproductie alleen. We kunnen nog verder vragen. Heeft ook ouderschap niet grote veranderingen onder-gaan in onze tijd door samengestelde gezinnen, en vruchtbaarheidstechnie-ken waar heteroen homoparen dankbaar gebruik van maken?

Misschien, oppert Cornwall, hebben we wel wat meer verbeelding nodig. Misschien hoeven we niet zo bang te zijn maar mogen we kansen zien in nieuwe vormen die zich aandienen. In plaats van de exclusiviteit van het man-vrouw-huwelijk te verdedigen tegenover andere samenlevingsvormen, kunnen we ook vragen hoe we onze instituties (huwelijk, gezin, ouderschap, partnerschap) zo kunnen omvormen dat ze middelen van genade worden voor velen. Voor mensen met homoseksuele en heteroseksuele oriëntatie, voor alle mensen die een verbond met elkaar willen aangaan, en voor kin-deren die recht hebben om op te groeien in een gemeenschap, een samen-leefvorm waar liefde en gerechtigheid de grondtoon vormen zodat ze sterk worden voor het leven.20

Meer dan om de tekst van Ordinantie 5.3 en 5.4 mag het van mij in de Protestantse Kerk om de reikwijdte en radicaliteit van deze vragen gaan. Er staat intussen al zoveel meer op het spel. De theologische discussie zal tot op de bodem moeten gaan en niet met halfzachte compromissen genoegen mogen nemen. Er zou veel gewonnen zijn als traditie, ook de bijbelse tradi-tie, niet als argument maar als een opening en uitnodiging verstaan wordt om in onze tijd het goede te zoeken, als verantwoordelijke medescheppers met God.

1 Susannah Cornwall, Un/Familiar Theology: Reconceiving Sex, Reproduction and Generativity, London: Bloomsbury, 2017.

2 https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/34/geregistreerd-partnerschap-wint-aan-populariteit (bezocht 27 april 2018).

3 http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=37772NED&D1=0,2-4,46-49&D2=0,5,10,15,20,25,30,35,40,45,50,55,62-66&VW=T (bezocht 27 april 2018).

4 https://www.nrc.nl/nieuws/2017/08/25/het-huwelijk-is-steeds-minder-populair-12669682-a1571128 (bezocht 27 april 2018)

5 Jan Latten en Clara H. Mulder, ‘Partner Relationships in the Netherlands: New Manifestations of the Second Demographic Transition’, Genius 69 (2013) 3, 103-121.

6 D.J. van de Kaa en R.L. Lestaeghe, ‘Twee demografische transities?’, in: D.J. Van de Kaa en R.L. Lestaeghe (red.), Bevolking: groei en krimp, Deventer: Van Loghum Slaterus, 1986, 9-24.

7 A. Giddens, Modernity and Self Identity, Cambridge: Polity Press, 1991, geciteerd in: Latten en Mulder, Partner Relationships in theNetherlands, 105.

8 Latten en Mulder, Partner Relationships in the Netherlands , 107-108.

9 Bron: Netherlands Fertility and Family Survey 2008, grafiek in Latten en Mulder, Partner Relationships in theNetherlands, 112.

10 Latten en Mulder, Partner Relationships in the Netherlands, 113-114.

11 J.A. Holland, ‘Love, marriage, then the baby carriage? Marriage timing and childbearing in Sweden’, Demographic Research 29 (11), 275-306.

12 De term is van M. Van der Klis en C.H. Mulder, ‘Beyond the Trailing Spouse: The Commuter Partnership as an Alternative to Family Migration’, Journal of Housing and the Built Environment 23 (2008) 1, 1-19.

13 Zie ook Ad Prosman, Homoseksualiteit tussen Bijbel en actualiteit. Een poging tot verheldering, Heerenveen: Groen, 2013, 241v.

14 Vergelijk de uitnodiging van de Wereldraad van Kerken, gedaan op de assemblee van Busan 2013, tot een ‘Pilgrimage of Justice and Peace’. Link: (Deze link is niet langer beschikbaar. Klik hier voor meer informatie.)

15 Zie het boek van Ad Prosman, Homoseksualiteit tussen Bijbel en actualiteit, dat als bezinningsdocument voor de Gereformeerde Bond geschreven werd.

16 John Witte Jr, ‘“The Mother of All Earthly Laws”: The Lutheran Reformation of Marriage’, in: Kirsi I. Stjerna en Brooks Schramm (red.), Encounters with Luther. New Directions for Critical Studies, Louisville: Westminster John Knox Press, 2016, 109-125; Kirsi L. Stjerna, ‘Luther on Marriage, for Gay and Straight’, in: Encounters with Luther, 126-144; Mark A. Yarhouse en Stephanie Kaye Nowacki, ‘The Many Meanings of Marriage: Divergent Perspectives Seeking Common Ground’, The Family Journal: Counseling and Therapy for Couples and Families 15 (2007) 1, 36-45; Lyndal Roper, Der Mensch Martin Luther. Die Biographie, Frankfurt am Main: Fischer Verlag, 2016; Elisabeth Gerle, Passionate Embrace: Luther on Love, Body, and Sensual Presence, Eugene: Cascade Books, 2017.

17 Eddy Hallewas, Zegen vieren. Zegening van levensverbintenissen. Zoetermeer: Boekencentrum, 1996, 145.

18 Susannah Cornwall, Un/Familiar Theology: Reconceiving Sex, Reproduction and Reproductivity, London: Bloomsbury, 2017. Zie ook het eerdere Theology and Sexuality, London: SCMPress, 2013.

19 In Nederland bleef een systeem van maritale macht tot 1958 in stand. Getrouwde vrouwen waren tot die tijd bij wet handelingsonbekwaam. Ze konden geen zelfstandige financiële beslissingen nemen of een bankrekening openen.

20 In deze geest doet ze een voorstel voor een nieuwe definitie van huwelijk. Waar de Church of England in haar Report ‘Men and Women in Marriage’ (2013) bepaalt ‘Marriage is a lifelong union between a man and a woman with openness to procreation’, stelt zij voor ‘Marriage is a relationship in which the partners have publicly committed to marking out time and commitment for letting the relationship grow, for the benefit of the spouses themselves and others of their community’. Zie Susannah Cornwall, ‘Faithfulness to Our Sexuate Bodies: The Vocation of Generativity and Sex’, in: John Bradbury en Susannah Cornwall (red.), Thinking Again about Marriage. Key Theological Questions, London: SCM Press, 2016, 101-121, 113.

< Terug