< Terug

Het mysterie van Marcus

In het Oecumenisch Leesrooster dat in vele protestantse gemeenten wordt gevolgd, staat een jaar lang een van de synoptische evangeliën centraal. Dit kerkelijk jaar 2017-2018 wordt er naar het Evangelie naar Marcus geluisterd, althans dat lijkt de bedoeling. Want wat is het geval? Marcus kent geen ‘tra-ditionele’ kerstverhalen (kindeke Jezus in een voerbak, herders), ook geen adventsverhalen (Elisabeth met Zacharias die 9 maanden stom moet zijn). Die leemten moeten worden gevuld met verhalen uit de andere evangeliën, zoals Johannes of Lucas. Het eigene of eigenaardige van Marcus wordt zo liturgisch weggemoffeld om zelfs met zijn beknopte getuigenis omtrent Pasen onder het opstandingsverhaal uit het Johannes-evangelie te verdwijnen. Het is begrijpelijk als men de canon liturgisch als crypto-diatessaron gebruikt, want dan is dit evangelie erg beknopt! Het laat Jezus plotseling in onze men-senwereld verschijnen als uit de hemel gevallen. In deze werkelijkheid zal hij een nieuwe Geest introduceren die leert oude teksten zoals Jesaja 40:3 nieuw te lezen:

Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God.

In Marcus 1:3 staat daarvoor in het Grieks:

Maakt de weg voor de Heer gereed, maakt recht zijn paden.

Deze Jezus leert ons Jesaja 40:3 als onze weg voor de nieuwe tijd die voor ons ligt, te volgen.

Het Evangelie naar Marcus opent met de woorden ‘Begin van het evan-gelie van Jezus Christus, Zoon van God’, waarna de auteur Maleachi 3 en Jesaja 40 aanhaalt. Bedoelt dit ‘begin’ van het evangelie iets biografisch over Jezus te zeggen? Waarom citeert hij dan uit de Hebreeuwse Bijbel? Het Griekse woord voor ‘begin’ kan ook ‘beginsel’ of ‘oorzaak’ betekenen. Dan lijkt de auteur iets te zeggen dat klinkt als: in beginsel staat Jezus Christus in de lijn van de profeten Maleachi en Jesaja, wier namen staan voor het laatste respectievelijke het eerste profetenboek. In de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel staan net als in onze westerse vertalingen deze profetenboeken aan het slot van de bijbelse geschriften. In de Christelijke Bijbel sluiten de nieuwtestamentische evangeliën daarop aan waarmee deauteur suggereert dat het mysterie dat Jezus’ identiteit omgeeft (‘Wíe is dit toch?’) iets te maken heeft met de wereld van Israëls schriftprofeten die over ‘de weg’ spreken. Op die weg gaat Jezus Christus, over wie ‘ik, Marcus,’ spreek, als de komst van het evangelie van het Koningschap van God.” In hoog tempo vertelt deze auteur vervolgens iets over Jezus’ identiteit: ‘U bent de messias’ (Marcus 8:29), maar het blijft een mysterie, voor leerlingen en lezers. Jezus verbiedt hen namelijk erover te spreken. Waarom? Heeft dat met Marcus 9 te maken?

Maken wij een grote sprong naar de Paasboodschap van Marcus 16 die opmerkelijk en verwarrend is gebleken! In de oudste handschriften eindigt Marcus met vers 8: de twee Maria’s en Salome die Jezus’ lijk wilden balse-men, zien een open graf en horen van een wit geklede figuur dat de gekrui-sigde Jezus is opgestaan en daar niet meer ligt. Zij moeten de leerlingen en speciaal Petrus zeggen dat Jezus voor hen uitgaat naar Galilea, waar zij hem zullen zien ‘zoals hij jullie gezegd heeft’ (14:28). Echter, de vrouwen vluch-ten verbijsterd en zwijgen als het graf. De laatste woorden van dit evangelie verklaren dit uiteindelijke zwijgen met: ‘want zij waren angstig.’

Later vonden andere auteurs het nodig om verhalen van verschijningen van de opgestane Jezus toe te voegen die analogie vertonen met de verhalen waarmee de andere evangeliën afsluiten. Hoogstwaarschijnlijk hebben zij die daaruit ook overgenomen. Waarom zou dit zo gebeurd zijn? Daar kan men naar gissen. Misschien kon men zich in de 2de eeuw niet voorstellen dat je een verhaal dat in mineur eindigt met doodse stilte, want ‘zij waren angstig’, evangelie zou noemen. Waarschijnlijk had de auteur van het evangelie naar Marcus niet de beschikking over verschijningsverhalen, zoals bij de Em-maüsgangers. Hij vertelt dat Jezus is opgestaan en dat de leerlingen hem in Galilea zullen zien. Maar waar moeten de leerlingen de opgestane Heer gaan zoeken? Waar wordt openbaar wie Jezus zou kunnen zijn?

Het evangelie begint met teruglezen in de schriftprofeten, in Maleachi en Jesaja. Nodigt dit ons mogelijk uit om nu in het Marcusevangelie zelf ook eens terug te lezen? Jezus heeft net na de instelling van het avondmaal op weg naar de Olijfberg gezegd: ‘Als ik ben opgestaan, zal ik jullie vooruit gaan naar Galilea’ (14:28). Bij Umberto Eco las ik eens dat ‘woods are a metaphor for the narrative tekst’, en lezers kunnen hun eigen ‘boswandeling’ kiezen in bestaande teksten. Dat idee volgend bladeren we terug en lezen dan in 9:2-8 dat Jezus Petrus, Jacobus en Johannes ergens in Noord-Galilea op een hoge berg leidt tot bijna in/aan ‘een andere wereld’. Daar ondergaat de Heer voor hun ogen een metamorfose met blinkend witte kleren, ter-wijl Petrus, Jacobus en Johannes Elia en Mozes samen in gesprek zien met deze gestalte van Jezus. Aan deze gestalte van Jezus worden wij herinnerd door een soortgelijke verschijning op de Paasmorgen die de drie vrouwen in het geopende graf vertelt dat de gekruisigde Jezus is opgestaan: ook een boodschap uit ‘een andere wereld’. Als Petrus dan het gesprek van de twee oudtestamentische gestalten Elia en Mozes met Jezus ziet (NB: niet hoort!), neemt hij ongevraagd het woord en mengt zich in dat gesprek uit die andere wereld, waar de drie leerlingen buiten staan. Daarop overschaduwt een wolk hen, waaruit een stem klinkt: ‘Dit is mijn geliefde zoon, jullie moeten naar hém luisteren.’ Oftewel, deze geliefde zoon is voor jullie de gesprekspartner en beluister via hém die oudtestamentische gestalten. Bij de afdaling van de berg beveelt Jezus de drie leerlingen hierover ‘niet te praten voordat de Mensenzoon uit de doden zal zijn opgestaan’ (9:9).

Waarom betrek ik dit vers uit het verhaal van de Hemelse Stem (9:2-8) nu bij het opstandingsverhaal van 16:1-8? Dat laatste verhaal wijst met ‘op-gestaan’ terug naar hetzelfde woord in dat verhaal van de Hemelse Stem. Uitgerekend die Stem herinnert ons met de woorden ‘Dit is mijn geliefde zoon’ (9:7) weer aan het verhaal van Jezus’ doop, waar een Hemelse Stem Jezus toeroept: ‘Jij bent mijn geliefde zoon’ (1:11). Op deze manier lijkt de auteur van het Evangelie naar Marcus hoorders uit te nodigen dit boekje in een cirkel te lezen: van achteren naar voren én weer terug enzovoort. Door terug te lezen van het verhaal van het lege graf (16:1-8) naar het verhaal van Jezus’ metamorfose op een hoge berg in Galilea ontdekken wij dat Marcus daarmee indirect ook zijn verschijningsverhaal van de opgestane Jezus ver-telt. Anders gezegd: Marcus 16:8 lijkt hoogstwaarschijnlijk als een echt slot van het evangelie bedoeld! De drie sterretjes (***) in de Nieuwe Bijbelverta-ling (2004) staan daar terecht. Beide verhalen, van het lege graf én van Jezus’ metamorfose, vertellen dat Jezus aan de kant van God staat én omgekeerd. Bij dit teruglezen van Marcus moeten lezers er steeds op bedacht zijn dat er in de andere verhalen mogelijk heel wat meer opstandingsmotieven staan. Dat is het mysterie bij Marcus dat oplicht naast de wanhoopskreet van Jezus aan het kruis: ‘Mijn God, waarom hebt U mij verlaten!’

< Terug