< Terug

Het nieuwe Jeruzalem

Een nieuwe woonplaats voor God

Wanneer bijbelschrijvers een nieuwe hemel en aarde schilderen, zijn ze vooral geïnteresseerd in het nieuwe Jeruzalem. Deze stad blijkt het middelpunt van een nieuwe wereldorde en een nieuwe schepping. Lezend vanuit Jesaja naar Openbaring – en niet andersom – blijkt in dit nieuwe Jeruzalem plaats te zijn voor Israël, christenen en de volken. En te midden van al deze mensen wil God wonen. De blijde boodschap is voor heel de wereld.

In de twee gedeeltes die over de nieuwe hemel en aarde gaan, schakelt de schrijver binnen twee verzen over naar het nieuwe Jeruzalem (Jes. 65:17-18; Op. 21:1-2). Dat is het middelpunt van de nieuwe schepping, de ontmoetingsplaats van God en mens (Jes. 66:23; Op. 21:3). Daar zullen mensen getroost worden en vrij zijn van verdriet en verschrikkingen (Jes. 65:19-25; 66:13; Op. 21:4). De stad zal verlicht worden door God zelf (Jes. 60:19-20; Op. 21:23) en dat licht zal volken aantrekken om ook daarnaartoe te gaan (Jes. 60:3; Op. 21:24). Jeruzalem is de stad waar iedereen zal komen om God te aanbidden (Jes. 66:20, 23) en waar God woont te midden van de mensen (Op. 21:3).

Vanuit de beschrijving van dit nieuwe Jeruzalem wordt ook enige aandacht besteed aan een vernieuwing in de natuur, met woorden die doen denken aan de Hof van Eden. Moeiten worden beloond, baren zal niet tevergeefs zijn (Jes. 65:23) – een omkering van de vervloeking in Genesis (3:16-19). De dood heeft nog slechts een beperkte invloed (Jes. 65:20), in het boek Openbaring is de dood zelfs helemaal verdwenen (20:14). Een rivier die uit het nieuwe Jeruzalem stroomt, zorgt voor fruitbomen die het hele jaar door vruchten geven (Op. 22:1-2; zie Ez. 47:12). Er wordt gesproken over het ‘geboomte des levens’ (zie Gen. 2:9), dat genezing brengt aan de volken. Dieren leggen hun agressie af en weiden gezamenlijk (Jes. 65:25; zie Jes. 11:6-9).

Het nieuwe Jeruzalem staat dus in het middelpunt van de belangstelling en van de nieuwe schepping. Wat we ons bij deze nieuwe stad moeten voorstellen, wordt duidelijk uit negatieve en positieve beelden.

Het nieuwe Jeruzalem als tegenover

Eerst de negatieve beelden. Het nieuwe Jeruzalem staat tegenover het oude in de profetieën van Jesaja, zoals de nieuwe tempel staat tegenover de oude in de laatste hoofdstukken van Ezechiël. Het oude volk, de oude stad was opstandig (Jes. 65:2), bracht verkeerde offers en week af van Gods wetten (65:3-5, 11). God had de oude tempel in de oude stad verlaten (Ez. 10:18-19), maar belooft terug te keren in de nieuwe (43:19). In het Nieuwe Testament staat het nieuwe Jeruzalem ook tegenover het oude, maar dat wordt niet chronologisch bedoeld. Paulus heeft het over Jeruzalem ‘boven’ tegenover het ‘huidige’ Jeruzalem (Gal. 4:26). Het hemelse Jeruzalem is het échte Jeruzalem, het aardse slechts een (zwakke) afspiegeling daarvan – een idee dat ook achter de hemelse tempel uit Openbaring (bijv. 15:5) en Hebreeën schuilgaat. Deze voorstelling wordt in vroegjoodse literatuur regelmatig gebruikt en verschaft in die boeken troost na de val van het aardse Jeruzalem: het ware, hemelse Jeruzalem gelukkig niet worden vernietigd (4 Ezra; 2 Baruch).

Van het nieuwe Jeruzalem wordt in Openbaring benadrukt dat het ‘uit de hemel neerdaalt’ (3:12; 21:2, 10). Dat boek zet de hemelse stad overigens niet tegenover het aardse Jeruzalem – dat wordt niet eens bij name genoemd, al is het wel de stad waar de Heer gekruisigd is (11:8) –, maar tegenover . Twee vrouwenbeelden worden daarbij gebruikt: de ‘hoer’ voor de stad (17:1, 15-16; 19:2) en de ‘bruid’ voor het nieuwe Jeruzalem (21:2, 9; 22:17). En al wordt ook het oude Jeruzalem door Ezechiël wel met het woord ‘hoer’ aangeduid (16:31, 35, 41), de omschrijving van de stad Babylon in Openbaring 17 tot 19 doet vermoeden dat Rome wordt bedoeld: ‘De vrouw die je zag is de grote stad, die heerst over de koningen op aarde’ (17:18). Deze twee vrouwen doen denken aan het apocalyptische lied van Hanna in Targoem 1 Samuël 2:1-10, waar de ene ‘vrouw’, Jeruzalem, uiteindelijk zal worden gevuld met haar terugkerende ballingen en de andere ‘vrouw’, Rome, dat eerst vol was met mensen uit verschillende volken, zal worden verlaten en vernietigd (2:5).

Het nieuwe Jeruzalem als bruid

Het beeld van de ‘bruid’ is een positief beeld om Jeruzalem af te schilderen. Dat beeld stamt eveneens uit Jesaja (62:5): ‘… zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God zich over jou verheugen’. Dit wordt gezegd tegen de stad Jeruzalem, waarbij God het land eromheen ook met ‘mijn bruid’ aanspreekt (62:4). Tegelijkertijd is Jeruzalem de moeder van de terugkerende Israëlieten, die baart en zoogt, troost en vertroetelt (66:7-14). Ook bij deze beeldspraak zet de Targoem Jeruzalem tegenover : ‘Want de kinderen van het verlaten Jeruzalem zullen meer zijn dan de kinderen van het bewoonde , zegt de Heer’ (Targoem Jesaja 54:1).

Omdat Openbaring zo nauw aansluit bij de profetieen uit de tweede helft van Jesaja, maar ook bij het gedachtegoed uit de Jesajatargoem, moeten we in Openbaring het beeld van de bruid op deze manier verstaan: de stad als bruid, de vrouw van het Lam (21:9) en tegelijkertijd de moeder van de gelovigen (zie Gal. 4:26). Er is dus onderscheid tussen de stad en de leden van Gods volk (zie Op. 3:12; 7:15-17). Dat behoedt ons voor de gelijkstelling van het nieuwe Jeruzalem met de kerk, een idee dat in veel commentaren voorkomt op grond van ándere beeldspraak, namelijk die van het volk Israel als vrouw van God respectievelijk de gemeente als vrouw van Jezus Christus. De bron van deze laatste beeldspraak is Hosea. Het beeld wordt daarna door Jeremia en Ezechiel gebruikt, alsmede in de brief aan de Efeziers, maar niet in Jesaja en Openbaring.

Als we het nieuwe Jeruzalem, de bruid van het Lam, niet identificeren met de kerk, komt er helderheid ten aanzien van de verschillende groepen die aan het eind van Jesaja en Openbaring een rol spelen: Gods tegenstanders, Gods knechten en de volken.

De tegenstanders buiten Jeruzalem

Wie absoluut niet in het nieuwe Jeruzalem komen, zijn Gods tegenstanders. Over hen wordt met twee beelden geschetst dat zij er niet bij horen: ‘buiten de stad’ en ‘onuitblusbaar vuur’. Deze beelden stammen beide uit het laatste vers van Jesaja. De profeet schetst hoe tempelgangers na de feesten de stad uit gaan en dan de dode lichamen van de opstandelingen zien liggen (66:24). Die lijken vergaan daar door wormen die niet sterven, en door vuur dat niet geblust wordt. Er is dus geen mogelijkheid dat deze mensen ooit nog in leven komen. De vernietiging is definitief.

Het laatste vers van Jesaja wordt door Marcus gebruikt als beeld van de vurige hel (9:44-48), waaraan hij de naam Gehenna geeft, hetzelfde woord dat Targoem Jonathan in zijn vertaling van Jesaja’s laatste vers invoegt. In Openbaring wordt het woord ‘vuurpoel’ gebruikt (20:14-15), wat ook omschreven wordt met ‘de tweede dood’. Deze laatste term wordt door Targoem Jesaja ook gebruikt, als omschrijving van Gehenna (65:5-6). Vuur is dus een van de beelden die gebruikt worden voor de vernietiging van Gods tegenstanders, maar de precieze verwoording is telkens anders. Matteüs gebruikt bijvoorbeeld het woord ‘vuuroven’ (13:42, 50), waarbij hij een soort standaardformule plaatst dat mensen daar ‘jammeren en tandenknarsen’.

Het tweede beeld is de plaatsaanduiding ‘buiten de stad’. Openbaring gebruikt dit beeld tweemaal, los van het beeld van de vuurpoel. Eerst wordt vermeld dat iedereen die gruwelijke dingen gedaan heeft, de nieuwe stad niet binnenkomt (21:27), en even later dat ‘buiten’ de plaats is voor degenen die zich met toverij, ontucht, moord en afgodendienst hebben beziggehouden (22:15). Ook dit beeld komt vaker voor, maar ook in steeds eigen bewoordingen. Matteüs gebruikt de frase ‘buitenste duisternis’ (8:12; 22:13; 25:30), waarbij ook weer de formule van het ‘jammeren en tandenknarsen’ staat. Lucas houdt het simpelweg op ‘buitengesloten’ worden, samen met het ‘jammeren en tandenknarsen’. Het gebruik van deze laatste formule geeft al aan dat het beeld van het vuur en het beeld ‘buiten de stad’ op dezelfde toestand slaat: uit de gemeenschap met God gestoten zijn.

Israël en het nieuwe Jeruzalem

In de profetieen van Jesaja zijn de knechten van God deel van het volk . Deze zijn in de laatste twee hoofdstukken sterk verbonden met het nieuwe Jeruzalem: ofwel zij wonen daar al (65:17-25), ofwel zij komen daar te wonen (66:1-14), ofwel zij worden door de volken teruggebracht naar de moederstad (66:19-20). Kortom: alle aan God toegewijde Israelieten komen in het nieuwe Jeruzalem te wonen.

Openbaring geeft gedeeltelijk dezelfde koppeling tussen en Jeruzalem, maar vult dat beeld voortdurend aan. Het boek schroomt niet om Israelieten als Gods knechten voor te stellen. Er worden twaalfduizend uit ieder stam verzegeld (7:3-8). Daarnaast staat echter een onafzienbare menigte ‘uit alle landen en volken, van elke stam en taal’ die bij het Lam horen (7:9). Ook in de omschrijving van het nieuwe Jeruzalem komt deze samenstelling van en christelijke gemeente voor. De poorten dragen de namen van de twaalf stammen van (21:12) en ze zijn verdeeld in vier groepen: drie aan de oostkant, drie aan de noordkant, drie aan de zuidkant en drie aan de westkant. Deze groepering doet denken aan het kamp bij de Sinai, waar de stammen van drie aan drie gelegerd waren langs de vier windstreken rondom de tabernakel (Num. 2). De stadsmuur van het nieuwe Jeruzalem heeft echter twaalf grondstenen en daarop staan de namen van de twaalf apostelen van het Lam (Op. 21:14). en de kerk zijn beide een integraal onderdeel van dit nieuwe Jeruzalem.

De volken naar het nieuwe Jeruzalem

Tot slot de volken: wat is hun rol in dit geheel? In Jesaja zijn de volken getuigen van Gods heerlijkheid (66:18-19). Als ze die eenmaal hebben gezien of vernomen, zullen ze op alle mogelijke manieren de ‘broeders’ terugbrengen naar Jeruzalem – als een soort graanoffer aan de Heer (66:20). En ten slotte zullen ze meedoen met de wekelijkse en maandelijkse feesten om God te aanbidden (66:23).

In Openbaring vinden soortgelijke handelingen plaats. De honderdvierenveertigduizend uit de twaalf stammen van worden als ‘eerstelingen’ aan God en het Lam aangeboden (14:4). De suggestie is dat de rest van nog volgt. De volken zijn ook in Openbaring niet uitgespeeld – wat wel het geval zou zijn als het nieuwe Jeruzalem het beeld was van de kerk. Integendeel: de volken zullen aangetrokken worden door het licht in Jeruzalem (21:24) en zij zullen hun heerlijkheden naar Jeruzalem brengen (21:26). Ze zullen in en rond die stad kunnen eten van het geboomte des levens, zodat zij zullen genezen (22:2). Ja, in de oudste handschriften is zelfs de verbondsformule voor hen aangepast: ‘Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn’ (21:3). Het meervoud ‘volken’ staat in contrast met het steeds gebruikte enkelvoud in de Hebreeuwse Bijbel, bijvoorbeeld in Leviticus 26:12, ‘Ik zal u tot een God zijn en u zult Mij tot een volk zijn’. Als eenmaal de geheide tegenstanders van God zijn overwonnen, alsmede de dood en het dodenrijk, blijkt Openbaring net zo ruim te denken over de volken als Jesaja. Ze doen mee, met hun koningen (21:24) en met alles wat zij aan heerlijkheid kunnen opleveren. Ze zijn op grond van hun daden beoordeeld (20:12) en blijkbaar hebben ze ‘hun kleren gewassen’ (22:14). Dit zijn blijkbaar dezelfde ‘volken’ die eerst overheerst werden door het grote of verleid door de tegenstander, zoals ook Jesaja geen onderscheid maakt tussen de volken van de ballingschap en de volken die de Israëlieten terugbrengen.

Allen gaan door de poorten, waarop de namen van de twaalf stammen van Israël staan, de stad binnen, gebouwd op het fundament met de twaalf namen van de apostelen. Daartegen hebben ze blijkbaar geen enkel bezwaar: het heil is uit de joden. Gods geschiedenis eindigt met een uiteindelijke vrede, waarbij het onderscheid tussen Israël en de volken niet wordt opgeheven, maar juist positief wordt gewaardeerd, aldus Kendall Soulen. Ze vormen één samenleving, waarin zij elkaar tot zegen zijn. Dan heeft God eindelijk een vaste woonplaats te midden van de mensen.

Literatuur

Bruce D. Chilton, The Isaiah Targum (The Aramaic Bible, 11), Collegeville: The Liturgical Press 1987.

Coen Constandse, ‘“Wij hoopten dat hij het was die Israël verlossen zou”: Over Lukas-Handelingen, christelijke eschatologie en de hoop van Israël’, Soteria 29/3 (2013), 18-27.

J. van Genderen, De nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Apeldoornse studies, 29), Kampen: Kok 1994.

George A.F. Knight, The New . A Commentary on the Book ofIsaiah 56-66 (ITC), : Eerdmans 1985.

Pilchan Lee, The New Jerusalem in the Book of Revelation (WUNT II, 129), Tübingen: Mohr Siebeck 2001.

Jacques van Ruiten, ‘De intertextuele relatie van jesaja 65 met apokalyps 21:1-, Schrift 114, 216-221.

R. Kendall Soulen, The God of and Christian Theology, : Fortress Press 1996.

< Terug