< Terug

Het nieuwste moet nog komen

‘Nieuw’ staat in de Bijbel op cruciale plaatsen. Echt beslissend lijkt de vermelding over het ‘koninkrijk der hemelen’, waar de huisbeheerder ‘de nieuwe dingen’ voorrang geeft boven ‘de oude dingen’ (Mat. 13:52). Ook in de profetie staat ‘het nieuwe’ voor een radicale verandering van de verhoudingen. Jesaja 40-66 roept met woorden over ‘de nieuwe dingen’ de verwachting op van een goddelijk handelen dat de begrenzing van al het vroegere doorbreekt. Het laatste bijbelboek intensiveert dit. Het ‘nieuwe’ overstijgt zelfs de horizon van Oude en Nieuwe Testament en creëert zoiets als een ‘Nieuwer Testament’. In vier stappen licht ik dit toe.

1 Het is, hoe we het ook wenden of keren, een van de meest radicale uitspraken over ‘oud en nieuw’ in de Bijbel: die in Matteüs 13:52, ter afsluiting van een serie parabels over het koninkrijk Gods. De serie staat tussen twee perikopen die verwoorden hoe door Jezus de verhoudingen echt anders zijn komen te liggen: begrenzingen van volk, verwantschap, eigen groep en religie zijn principieel doorbroken. Jezus aarzelt niet ‘om de nadruk te leggen op het nieuwe in zijn zending, dat de kaders van het oude doorbreekt’.1 De parabels diepen deze grensdoorbreking uit. Nadat in Matteüs 13 elf keer in varianten het woordje ‘koninkrijk’ gevallen is, biedt de twaalfde keer een samenvatting in onverwachte volgorde:

Daarom gaat het met iedere schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk der hemelen geworden is als met een huismeester die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.

Nieuwe en oude dingen – in die volgorde. Het lijkt een paraaf van Matteüs zelf, de evangelist die nieuw en oud bijeenbrengt. Hij bevestigt de bijzondere positie van Johannes de Doper, maar noemt hem tegelijk ‘de kleinste in het koninkrijk der hemelen’ (11:11). Het nieuwe gaat voorop. Ook vertelt hij voortdurend over Jezus en het koninkrijk aan de hand van toespelingen op Israëls oude geschriften, met directe en indirecte citaten daaruit, maar hij onderstreept tegelijk het totaal nieuwe dat met Jezus ‘voor alle volken’ is aangebroken (28:19).

2 Bij zijn verwijzingen naar het Oude Testament dient Jesaja – de Eerste, de Tweede en de Derde – voor Matteüs als kroongetuige. Het zal wel genoeg bekend zijn dat juist in dit profetische boek sprake is van een alsmaar stijgende lijn van visionaire gebeurtenissen. Van de ‘vroegere, eerdere dingen’ – die aan de geschiedenis al een positieve wending gaven – naar de ‘komende, nieuwe dingen’, ja zelfs ‘iets nieuws’ dat de Levende zelf zal maken (41:22; 43:18). Maar dan nog weer verder, naar iets nieuws dat de Levende niet slechts zal máken, maar echt scheppen: ‘Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ (65:17). Dan zal al het vroegere niemand nog in de zin komen. Goddank! Want had dat vroegere bij de Tweede Jesaja nog wel met heilsgeschiedenis van doen, de Derde Jesaja associeert het alleen nog maar met benauwdheden. Díé worden nu aan de vergetelheid prijsgegeven. In het nieuwe bestel is het leven bijna onschendbaar geworden. Zelfs een aperte zondaar de honderd nog halen, aldus ‘het slotakkoord van het boek Jesaja’ (Leene).

3 De Openbaring van Johannes, slotakkoord van heel de Bijbel, overtreft ook dit weer. Zij grijpt expliciet terug op de visioenen van Jesaja in haar schildering van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, met Jeruzalem als centrum van die nieuwe kosmos. Daar zijn de allerlaatste grenzen doorbroken, van tranen en klagen, maar nu ook die van de dood. De ‘tent van God’ is bij de mensen, dat wil zeggen: bij álle mensen, uit álle volken. In de nieuwe stad, zonder tempel (die is overbodig geworden), wandelen de volken bij het licht van de goddelijke glorie, in het schijnsel van het Lam. De visionair die hier spreekt, kan nauwelijks ophouden met zijn beschrijving van dit totaal nieuwe leven in een totaal nieuwe kosmos. Genesis 1 lijkt in Openbaring 21:1-22:5 dan toch eindelijk zijn vervulling en bekroning te hebben gevonden.

4 Maar niet heus! Eén blik naar buiten bevestigt al dat het zover echt nog niet is. De wereld ziet er simpelweg nog niet (naar) uit. Dat is voor lezers van de Bijbel niet alleen schrikken, maar ook herkenning. De Bijbel zelf doet immers niet anders dan naar voren wijzen, naar het nieuwste van het nieuwste. Ik mij dan ook goed vinden in de hermeneutische visie van Cees Houtman op dit punt.2 Hij ziet Oude én Nieuwe Testament als

(…) een verhaal zonder definitief slot en een geschiedenis zonder definitieve vervulling. De beweging van belofte naar vervulling is nog niet ten einde gekomen. Ook wat de verwachting betreft, wordt de Schrift verder geschreven.3

Hij spreekt van het ‘Nieuwere Testament’. Dat is een open testament waaraan verder worden geschreven in een voortgaand proces van actualisatie en nieuwe interpretatie, herschrijving en afschrijving, als vruchten van een voortgaand proces. Het zal duidelijk zijn dat juist dit een bron van discussie en grote onenigheid is. Maar daaraan valt niet te ontkomen, op straffe van fossilisatie van de Bijbel tot een onveranderlijk geloofsdocument voor alle tijden en plaatsen. Dan is er geen ruimte meer voor die beweging naar ‘nieuw, nieuwer en nieuwst’. Juist die ruimte bepleit ik. Omdat naar mijn overtuiging de Bijbel geen vroom fossiel is, maar een wenkend perspectief naar een steeds weer nieuwe toekomst, die voor ons daagt en tegelijk ons uitdaagt.

‘Nieuw’ is inderdaad een bijbels grondwoord, dat allerlei dogmatische en uitlegkundige vastigheden op hun grondvesten laten schudden. Godsdiensthistorisch lijkt alleen dat al nieuw!

Literatuur

W.A.M. Beuken, Jesaja, Nijkerk: Callenbach 1979 (IIA), 1983 (IIB), 1989 (IIIA en IIIB).

H. Leene, Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, slotakkoord van het boek Jesaja (afscheidsrede), : VU 2002.

N.A. Schuman, Al deze woorden: Over het evangelie naar Mattheüs, ’s-Gravenhage: Meinema 1991.

< Terug