< Terug

Het onverzadigbare volk

In samenlevingen en gemeenschappen op weg naar een betere toekomst, is het goede vaak de vijand van het betere. Waarom verder trekken als het nu prima gaat? Als veranderingen zich onontkoombaar aandienen en onzekerheid zich opdringt, is de impuls nog sterker: Laten we terugkeren naar hoe het was! Vroeger was toch alles beter? Numeri 11 biedt een verrassend perspectief op dat universele fenomeen.
Koert van Bekkum is universitair docent Oude Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen.

Opruiende groepen kapen het debat en krijgen het hele volk mee.

Israël is op weg naar het beloofde land. Na de verbondssluiting bij Sinaï, de bouw van de tabernakel en de inrichting van cultus en legerkamp lijken alle lichten op groen te staan. Maar het volk is nog maar drie dagen op weg en de klaagzangen van net na de uittocht herhalen zich, nu in veel ernstiger vorm. Opruiende groepen kapen het debat en krijgen het hele volk mee.

Sinds eind negentiende eeuw, de context waarin de scheiding tussen kerk en staat als nieuwe verworvenheid werd gevierd, hebben bijbelwetenschappers gepoogd het hoofdstuk in losse bronnen uiteen te leggen: een verhaal over voedsel als eerste levensbehoefte en een verhaal over de plek van het profetisme in de kijk op het geestelijke leiderschap over Israël. Vanuit klassiek historisch-kritisch perspectief is dat misschien een te verdedigen these. Tegelijk berooft deze lezing het verhaal van het verrassende licht dat het werpt op de verhouding tussen materiële en geestelijke waarden. Voor Israël gaat de band met Jhwh voor alles, zoals ook voor Jhwh zijn trouw aan zijn volk voor alles gaat. Wie die prioriteit uit het oog verliest, ontketent zomaar een strijd om het bestaan en een najagen van welvaart en genot dat uiteindelijk slachtoffers maakt.

Om hier goed zicht op te bieden, belicht het vervolg eerst de plek van Numeri 11 in het geheel van het bijbelverhaal over de uittocht en de woestijnreis. Vervolgens richt ik de aandacht op de hevige emoties die in het hoofdstuk naar voren komen in klaagzangen van het volk en in de daarop volgende dialogen tussen Mozes en Jhwh, Jhwh en het volk, en tussen Mozes en Jozua. De verwijten en verzuchtingen laten zien wat ieder ten diepste drijft en stoten door naar de kern van het probleem achter de onvrede. Daarna zoom ik in op enkele kernwoorden en -passages: hoe worden volk en elite in het verhaal weer op elkaar betrokken? Is het mogelijk schoon schip te maken en in gezamenlijkheid verder te trekken?

Verhaal in context

Numeri 11 vertelt hoe het volk op weg naar Kanaän begint te klagen en daar niet meer mee ophoudt. Eerst is er een algemene klacht. Daarna ziet men niets meer in het manna. Het leidt tot een heftige woordenwisseling tussen Mozes en Jhwh, over hoe om te gaan met dit onhandelbare volk. En ten slotte eet men zich een ongeluk aan kwartels.

Het contrast met het voorgaande is enorm. Natuurlijk hangt vanaf de zonde met het gouden kalf de spanning in de lucht hoe het mogelijk is dat Jhwh, de Heilige, in het midden van dit volk aanwezig is. Maar nadat de tent van de samenkomst is gebouwd (Exodus 35–40), de voorschriften omtrent de cultus een buffer tussen God en het volk hebben geplaatst (Leviticus; Numeri 5–6), het volk is geteld (Numeri 1–4), de laatste hand wordt gelegd aan de tent der samenkomst en het Pesach wordt gevierd (Numeri 7–9), overheerst een positieve atmosfeer: Israël is helemaal klaar om onder leiding van Mozes de weg naar Kanaän te vervolgen (Numeri 10). Toch komt het volk, na slechts drie dagen reizen (Numeri 10,33), weer in opstand. Hoe kan dit? Wat gebeurt hier?

Vooral een plaatsing van Numeri 11 in het bredere verhaal van uittocht en woestijnreis werpt licht op deze kwestie. Veel elementen uit het verhaal van vóór Israëls aankomst bij de Sinaï keren namelijk terug in de verhaallijn van ná het vertrek bij deze berg:

• Mirjam neemt het initiatief (Exodus 15,20-21 // Numeri 12)• het volk klaagt (Exodus 15,22-26 // Numeri 11,1-3)

• klachten over eten resulteren in passages over manna en kwartels (Exodus 16 // 11,4-23.31-35)

• Mozes krijgt helpers die hem bijstaan in zijn taak (Exodus 18 // Numeri 11,16-30)

• Israël vecht met Amalek (Exodus 17,8-16 // Numeri 14,39-45)

Het is ondoenlijk het doorlopende verhaal van de uittocht en woestijnreis helemaal volgens deze elementen te structureren. Daarvoor spelen te veel andere dingen een rol. Maar het is helder dat hier duidelijk sprake is van een herhaling van literaire motieven. Een herhaling waarbij bovendien de positieve toonzetting van uitredding en opbouw van de eerdere verhalen helemaal omslaat in verzet, opstand, afbraak en dood. Bezong Mirjam eerst nog de macht van Jhwh die paarden en ruiters in zee wierp, nu ondergraaft ze Mozes’ leiderschap. Zag Mozes eerst zelf nog helemaal niet hoe zwaar zijn taak wel niet was, nu gaat hij er zo onder gebukt dat hij liever sterft. En waar Israël in Exodus van Amalek wint, leidt de oorlog in Numeri tot een verpletterende nederlaag.

Bij Israëls geklaag doet zich eenzelfde omkering voor. In Exodus is Israëls ‘murmureren’ weliswaar een teken van gebrek aan godsvertrouwen. Maar God komt wel aan hun vraag om water en voedsel tegemoet. In Numeri 11 wekken de klachten echter Jhwh’s woede op en resulteren ze in straf, eerst aan de rand van het kamp, en ten slotte voor heel Israël. De verklaring voor deze omslag ligt in wat er bij de Sinaï is gebeurd. Eerst was Israël nog niet vertrouwd met Jhwh. Maar na de uittocht en de verbondssluiting en alles wat er is gebeurd, is dat veranderd. Israël heeft God leren kennen in zijn macht, redding, zorg en heiligheid. Hij is zelfs midden in het kamp aanwezig. Het volk heeft beloofd de daarbij behorende verantwoordelijkheden daadwerkelijk op zich te nemen. Maar dat gebeurt niet.

Hoezeer de rebellie nu anders van karakter is, blijkt ook uit het vervolg. Met Mirjam en Aäron bereikt het verzet ook de binnenste cirkel (Numeri 12). Waarna het volk twee hoofdstukken later besluit terug te keren naar Egypte en daarmee het eigen doodvonnis tekent (Numeri 13–14). Men had zo door kunnen lopen, het beloofde land in. Maar nu volgt veertig jaar uitstel en pas de volgende generatie zal het beloofde land binnentrekken.

Mozes zit klem tussen de families die voor hun tent zitten te zeiken en God, die in woede is ontbrand.

Heftige emoties

In Numeri 11,1-3 is het nog lang niet zo ver. Maar het geklaag vanuit het niets voorspelt niet veel goeds. In plaats van met water reageert Jhwh nu met vuur. Hij die nu in zijn heiligheid nabij is, laat niet met zich spotten. Door ingrijpen van middelaar Mozes – dat is sinds het gouden kalf nu echt zijn rol (Exodus 32–33) – blijft de schade tot de rand van het kamp beperkt.

Het incident bij Tabera, de ‘plek waar het vuur ontbrandde’, vormt de opmaat tot een concentrisch opgebouwd vervolg. De passages over het manna en de kwartels vormen daarbij de buitenste (11,4-9.31-35) en de verzen over Mozes, wiens leiderschap ondersteuning verdient, de binnenste ring (11,10-22.24-30). In het midden staat als kernvers de kritische vraag van God: ‘Schiet de macht van Jhwh soms tekort? Je zult spoedig zien of ik mijn belofte nakom!’ (11,23).

Deze aankondiging onderstreept niet alleen het profetische karakter van Mozes’ leiderschap. Ze verbindt ook Gods maatregelen ter ondersteuning van dat leiderschap met zijn uiteindelijk straf op het gezeur. Het is dan ook het krachtige slotwoord van een emotionele dialoog tussen Mozes en Jhwh. Israël heeft zich laten zich meeslepen door meegereisd trash en herinnert zich geen moment de klappende zweep in Egypte en de daarop volgende bevrijding en verbondssluiting. Dat het slavenhuis een gevarieerder dieet kende, is nu het enige waaraan men kan denken. Terwijl het hemelbrood dat Jhwh geeft in de woestijn echt zo slecht niet is (Numeri 11,4-9).

Geen wonder dat Jhwh boos reageert. Daarbij valt op dat de vertelling vooral focust op de totale ontgoocheling van Mozes. Sprong hij bij het gouden kalf en eerder dit hoofdstuk nog tussenbeide, nu voelt hij zich volslagen klem zitten tussen de families die weer voor hun tent zitten te zeiken en God, die in woede is ontbrand. Terecht. Maar wat moet hij daar nu mee? Hij heeft dit volk toch niet gebaard! Dit kan hij niet dragen! Opmerkelijk lang houdt Mozes in zijn reactie het beeld vast van een kind dat door de moeder is gebaard en door een voedster wordt gedragen (Numeri 11,12-14). Hij is geen van beide! Hij trekt zich daarom terug en zegt liever te sterven dan de ellende die God nu over hem brengt te moeten meemaken (Numeri 11,15). Zo legt hij de bal helemaal bij Jhwh.

Mozes’ reactie is zo heftig dat zowel de masoretische tekstoverlevering als de latere uitleg God tegen Mozes’ verwijten in bescherming nemen. Jhwh zelf echter reageert zacht richting Mozes en wijst hem pas terecht, als hij twijfelt aan zijn macht. Zeventig van Israëls oudsten – een herinnering aan de zeventig die met Mozes en Jhwh op de Sinaï na de verbondssluiting maaltijd hielden (Exodus 24,9-11) – zullen delen in de geest die op Mozes ligt en de last met hem dragen (Numeri 11,16-17). De reactie richting het volk is echter veel feller. Hun gezever is niets minder dan een afwijzing van Jhwh zelf! Wil men vlees? Het zal ze de neus uitkomen! (Numeri 11,18-20).

Verderop in het verhaal geeft een emotionele dialoog het verhaal opnieuw richting. De oudsten hebben zich rond de ontmoetingstent opgesteld, Jhwh daalt in een wolk neer en laat hen op unieke wijze delen in de geest van Mozes. Maar dan blijkt dat ook Eldad en Medad, twee oudsten die in het kamp waren achtergebleven, tekenen van profetische extase vertonen. Dat gaat Jozua, Mozes’ helper, te ver. Mozes is het daar totaal mee oneens. Met zijn verklaring dat heel het volk heilig was en alle Israëlieten priesters had God al veel eerder een stip op de horizon gezet (Exodus 19,6). In lijn daarmee stelt Mozes dat ook bij de profetie Gods geest niet aan het heiligdom kan worden gebonden. ‘Ach, profeteerde iedereen maar!’ (Numeri 11,24-30). Deze beroemde verzuchting fundeert een opvatting van de vrijheid en reikwijdte van de profetie en de gave van Gods geest die later nog menigmaal in de Bijbel zal terugkeren (Ezechiël 36,27; Joël 3,1-2; Handelingen 2).

Veelzeggende motieven

Met hetzelfde woord voor geest, ruach, duidt het verhaal vervolgens ook de wind aan die Jhwh laat opsteken om het onverzadigbare volk te straffen. Ook zo laat hij zijn macht gelden. Uit Egypte kent Israël de kwartel als voedsel, die op zijn trek van Europa naar Ethiopië en weer terug soms zomaar met de wind komt aanwaaien en dood neervalt. Gedroogd in de zon geldt de vogel als een niet te versmaden lekkernij. Ook in de Sinaïwoestijn worden kwartels door de wind soms in grote hoeveelheden aangevoerd. In dit geval zijn de zwermen die met de najaarstrek komen aanvliegen zo groot dat de hele rebellerende menigte er rond het kamp een dagreis ver doorheen kan waden en er tijden van kan eten. Begerig naar het verse vlees is iedereen dagenlang druk met het verzamelen en drogen van de vogels. Maar als men gaat eten, slaat Jhwh het volk ‘met een grote slag’. Sindsdien wordt die plaats daarom Kibrot-Hattaäwa, ‘massagraf van de begeerte’, genoemd (Numeri 11,31-35). Met deze tweede veelzeggende naamgeving is het verhaal rond.

De precieze formuleringen rond het dubbele gebruik van het woord ruach verhelderen hierbij de aard van Jhwh’s betrokkenheid. Het is de ‘geest van Jhwh’ die op Mozes is en waarin de oudsten als vertegenwoordigers van het volk verrassend delen (11,17.25-26.29). Het gaat om een heel directe handreiking van Jhwh zelf. De straf komt echter met ‘een wind van de kant van Jhwh’ (11,31). Zo tekent het verhaal God als iemand die bij de straf iets meer op afstand blijft.

Dat dit ook een handreiking is naar het volk zelf, is goed zichtbaar in het literaire motief van het ‘voegen bij’ of ‘verzamelen’ (’asaf) dat het hele verhaal doortrekt. Het ‘samenraapsel’ zoog Israël mee in ongefundeerd geklaag (Numeri 11,4, vgl. Exodus 12,38; Leviticus 24,10). Daartegenover zijn het de oudsten die eerst uit het volk ‘verzameld’ worden (Numeri 11,16.24), Jhwh’s geest ontvangen en zich vervolgens weer met Mozes bij het kamp moeten ‘voegen’ (Numeri 11,30). Dat het volk zich daar niets van aantrekt en veel meer geïnteresseerd is in het ‘verzamelen’ van de kwartels (Numeri 11,32), doet niets af aan het punt dat het verhaal daarmee maakt: dienstbare leiders vanuit het volk zijn bij de juiste prioriteitstelling heel goed in staat de kloof met het volk te dichten. Tegelijk wil dat niet zeggen dat het volk dat ook oppikt en ontsnapt aan de negatieve consequenties van de eigen keuze.

Terugblik

In Numeri 11 slaat de sfeer van de veel positiever getoonzette hoofdstukken 1–10 om. Het vormt tevens de inleiding op een groter geheel dat Israëls geklaag van net na de uittocht weerspiegelt. Dit keer leidt het echter tot de ondergang van de generatie die met Mozes uit Egypte is bevrijd. De nadruk ligt daarbij op de hardnekkigheid en onredelijkheid waarmee de rebellie tegen Mozes en Jhwh plaatsvindt. Opvallend gemakkelijk laat het volk zich meeslepen door een ‘vroeger was alles beter’-verhaal van een kleine minderheid die allesbehalve het goede met Israël voorheeft.

Ogenschijnlijk herbergt het hoofdstuk twee heel uiteenlopende thema’s, namelijk die van de vervulling van eerste levensbehoeften en de manier waarop het leiderschap over Israël is vormgegeven. Maar zowel de inhoud als de concentrische vorm van het hoofdstuk en het gebruik van literaire motieven laten zien dat deze thema’s nauw met elkaar verweven zijn.

Uiteindelijk gaat het over de vraag wat voor Israël prioriteit heeft. Is dat de band met Jhwh en daarmee de toekomst in het beloofde land? Of de onmiddellijke bevrediging van de eigen behoeften in het hier en nu? Door het volk leiders te geven die uit dat volk zelf opkomen en met de geest van Jhwh zelf begiftigd zijn, ontstaat de mogelijkheid dat Israël weer gaat zien dat de vervulling van eerste levensbehoeften in het verlengde ligt van het vooropstellen van meer geestelijke waarden, zoals ook het manna dagelijks liet zien. De kloof tussen volk en elite is overbrugbaar en de mogelijkheid van de goede keuze blijft aanwezig. Wat niet wegneemt dat wie willens en wetens verkeerd kiest, uiteindelijk de ondergang wacht.

Literatuur

• Erik Eynikel, “Exodus 19-40, Leviticus en Numeri,” in De bijbel literair, red. Jan Fokkelman en Wim Weren (Zoetermeer: Meinema, 2003), 89-115.

• Arie C. Leder, Waiting for the Land: The Story Line of the Pentateuch (Phillipsburg, NJ: PR Publications, 2010).

• Dennis T. Olson, Numbers (Interpretation) (Louisville, KY: Westminster John Knox, 1996).

< Terug