< Terug

Het orgel speelt

Op de hbs gebruikten wij het boek Dicht- en stijlvormen. Zo leerden we onder andere wat een personificatie is. Daarbij kunnen voorwerpen dingen doen, die menselijk zijn. De telefoon ‘slaapt’ dan op het bureau. En hoe zit dat in de kerk?

In de kerk worden concrete dingen zelden beschreven met menselijke eigenschappen. Heeft u wel eens de kansel horen spreken? Of de collectezak voorbij zien lopen? Of het liedboek horen zingen? Maar er is tenminste één uitzondering: het orgel! Hoe zit dat?

Ik denk dat het te maken heeft met zichtbaarheid. Op de kansel is een predikant te zien. Hij staat zichtbaar te preken. Dan is het toch raar om te zeggen dat je de kansel hoort spreken? Toegegeven, we kennen wel het woord kanselrede, maar niemand denkt dan aan een kánsel die een rede voert.

Zeker bij de oudere orgels zit de organist op een onzichtbare plaats. Ergens daarboven. En soms heeft hij zich onzichtbaar gemáákt. Zijn orgelbank bevindt zich dan niet áchter het orgel, maar opzij ervan. Laat daar nu een rail met gordijntje aangebracht zijn. Dat gordijntje zit er natuurlijk om gebruikt te worden. Dus dichtgeschoven. Weg organist.

Je hoort het wel. Te weten het orgel. Maar je ziet hem niet. Te weten de organist.

In Kijken naar monumenten in Nederland 1 geeft orgelrestauratie-adviseur O.B. Wiersma de volgende verklaring: “Mensen zien de hoofdkas van het monumentale orgel en wat lager het rugwerk, zonder te beseffen dat daar tussenin de organist aan de klavieren zit. Het is alsof het orgel uit zichzelf muziek maakt. Men zegt dan ook: ‘het orgel speelt’.”

Organisten kunnen zich daardoor als een ding behandeld voelen, erger nog, genegeerd zelfs. Zonder jou doet het orgel niets, helemaal niets. En als je dan na gedegen voorbereiding – die het tot je laten doordringen van de inhoud van de liturgie omvat, het zorgvuldig uitzoeken van gepaste muziek, het instuderen van de noten en het uitkienen van de mooiste registraties – vol geestdrift en toewijding je best zit te doen, speelt niet jij, maar… het orgel! Het is ook een beetje de schuld van de psalmist. Ik bedoel de psalmberijmer van 1773. De psalmist roept de bespélers op om God te loven met hun instrumenten. De berijmer van Psalm 150 maakt er evenwel van dat niet de bespeler, maar het orgel zich overal moet laten horen.

Techniek

Helaas slaat de leegloop in vele kerkdorpen toe. Jongeren trekken weg. De gemeente vergrijst. En voor zover er nog wel jongeren te vinden zijn, spelen zij piano, gitaar, fluit of panfluit, maar geen orgel. Er ontstaat een enorm organistentekort.

De techniek staat echter niet stil. De Dordtse orgelbouwer Van den Heuvel heeft voor de Saint-Eustache in Parijs een orgel gebouwd dat bespeelbaar is door toepassing van chips. Noem het maar: digitale instructies aan toetsen, de pijpen bereikend die tot klinken moeten worden gebracht. Natuurlijk, die chips moeten ‘ingesproken’ worden om iets met dat orgel te kunnen doen. Maar inspreken en uitspreken kun je dan mooi in de tijd van elkaar scheiden. Net zoals de ponskaart van een draaiorgel op zeker tijdstip wordt geproduceerd, maar pas veel later wordt ingeschakeld tot het laten klinken van het pierement.

Het organistentekort kan dus door technisch vernuft worden opgeheven. De orgels moeten gewoon ‘verchipt’ worden. Dat is alles. De predikant of kerkenraad kiest van tevoren uit van welke organist in ons goede vaderland men de ingespeelde liederen wil hebben, al dan niet in het ter plaatse gebruikelijke tempo. Op de preekstoel ligt een ‘Psalmuter’ waarmee het orgel een opdracht van de voorganger ontvangt uit de aangeschafte inspelingen. Ja, u leest het goed, niet de organist, maar het orgel. En dan gaat zowaar het órgel spelen. Bewezen door gordijntjes die open zijn. En als het spel van de gekozen inspeler niet bevalt en er venijnige kritiek op komt? Tja, dan zal de kiezende ambtsdrager die kies-pijn zelf moeten dragen.

Hoe dan ook, straks toch nog een orgel dat speelt. Toekomstmuziek. Voor wie de jeugd niet heeft.

Dit artikel is een verkorte versie uit het manuscript Vol op het orgel!? – Aardigheden en narigheden rond kerkorgelcultuur, dat medio 2021 zal verschijnen.

Piet den Uil is kerkorganist, dirigeert oratorium en is lid van de examencommissie van de Vereniging Organisten Gereformeerde Gemeenten. Hij onderzoekt, publiceert, berijmt, geeft workshops voor plaatselijke kerkorganisten en verzorgt gemeenteavonden ‘Zingen in cadans’.

Noot

[1] A.P. Smaal & G. Berends (samenst.), Kijken naar monumenten in Nederland, Zeist­-Baarn, Rijksdienst voor de Monumentenzorg-­Bosch & Keuning, 1988.

< Terug